70

2de poging, niet minder gemeend

Hartelijke groet, Lia Vd Waarde Buning

Het is een oud beeld: alles wat er gebeurt is omsloten door de Ouroboros, de Staartvreter, de slang die zichzelf in de staart bijt. Hij markeert de grens van alle dingen.

Deze slang is symbool van de tijd en de wetten van de tijd waaraan alles en iedereen is onderworpen. Eén van de belangrijkste wetten, zo niet de belangrijkste, is dat alles wat eens ontstaat ook eens vergaat. Alles wat geboren wordt moet sterven. Kernachtiger gezegd: leven in de tijd is dood­gaan.
Op sommige afbeeldingen van de Ouroboros is zichtbaar dat de Staartvreter niet op zichzelf bestaat: hij wordt ‘neergelaten’ uit een andere werkelijk­heid, die zich aan onze blik onttrekt.

Hiermee wordt uitgedrukt dat het tijdsgebeuren niet de laatste werkelijk­heid is en dat de dood als het einde van het tijdsgebeuren niet een definitief eindpunt is.
De dood is een wachter. Hij is, zoals de heilige boeken zeggen, de laatste tegenstander. Voorbij hem ligt een andere werkelijkheid. Hoe deze eruit ziet is niet te zeggen in de taal van de tijd en de ruimte. Maar de werkelijkheid voorbij de dood is wel te kennen, want de dood is niet alleen onze laatste tegenstander aan het eind van ons bestaan als wij onze laatste adem uitblazen, hij is ook onze tegenstander in ons bestaan.
Van moment tot moment kunnen we ons laten bepalen door onze angst, die in laatste instantie doodsangst is. We kunnen terugwijken voor de zogenaamde kleine dood in de dingen van de dag en ernaar streven om koste wat het kost te blijven wie we waren en te houden wat we hadden. Dan weerstaan we de impulsen van het leven – de hand die de slang neerlaat – en dan nemen we geen risico’s meer.
Het paradoxale is dat men voor de dood slechts kan vluchten in de dood. Vluchtend voor wat je zou kunnen noemen de levende dood – de dood die de continuïteit doorbreekt en zo opent voor nieuw leven – wordt men levenloos. Men verstart, verliest de levenslust en blijft angstig gefixeerd op alles wat er mis kan gaan; men wordt  een levende dode. Met zo’n dode kan men van buitenaf niets beginnen. Als hij niet zelf, van binnenuit, zich omkeert en zich, ondanks zijn angst en zijn gepieker, tot het leven bekent, blijft hij een doods mens. Het is over deze levende doden dat in de bijbel wordt gezegd: ‘Laat de doden de doden begraven’.

In de jaren van 70 tot 77 is met grote kracht de mogelijkheid gegeven de dood als levenslan­ge metgezel te herkennen en tegemoet te gaan. Waar men doods werd om niet te hoeven leven, kan nu het leven worden toegelaten. Deze levensperiode biedt de meest essentiële mogelijkheid tot herkansing. De laatste vraag wordt in alle dingen gesteld en het antwoord mag alles verlossend zijn.
Inherent hieraan is dat men vrij wordt van iedere illusie, zelfs van die allersterkste illusie dat je kunt overleven door je voort te planten in de tijd (via je kinderen, je werken, je creaties, je invloed). Vrij van illusies is er niets waarmee men aan het tijdsgebeuren blijft haken en heeft de dood als beeld van eindpunt geen vat meer. Dan ‘sterft men’, zoals de Duitse mysticus Jakob Boehme het uitdrukt, ‘voordat men sterft’. Als men daarentegen tenslotte aan het einde van het bestaan door de dood op de vlucht wordt gegrepen, ‘verderft men als men sterft’.

De jaren van 70 tot 77 zijn jaren van uitputting, berusting of aanvaar­ding, en alle gradaties daartussen. Men legt zich neer bij het verlies, men is dankbaar of men heeft volbracht. Loslatend wordt men opgenomen. Het einde van de weg is in zicht. Het gaan nu is rust.


Uit: Nog vele jaren, de symboliek van elk levensjaar, Hans Korteweg

Juwelenschip