…voor inspiratie, levenswijsheid en bezinning

Verslaving

Ja, waarom komt iemand tot besef? Waarom dringt opeens iets tot iemand door, iets dat al tijdenlang ergens in het achterhoofd wordt geweten? Ik heb er geen antwoord op.
Kennelijk is het er opeens de tijd voor. Je kunt je jarenlang iets voornemen, ieder oud en nieuw weer, en steeds houd je dat op je wil een paar dagen vol, soms wel tot 6 januari, en dan op een keer midden in augustus weet je: nu is het genoeg, zo kan het niet langer! En dan stop je er echt mee.
Zo gaat het in het klein, zo gaat het in het groot. Van stoppen met een schadelijke gewoonte tot stoppen met alles wat onvrijheid brengt. Het besef is er al. Dat is nooit weggeweest. Maar nu gaat het erom dat het besef wordt aanvaard als de werkelijkheid.
Een Russisch spreekwoord zegt: ‘Je kunt een paard wel naar de bron brengen, maar je kunt het niet laten drinken’. Dat is bij een paard nog wel enigszins te accepteren, maar wat als jij zelf dat paard bent?! Een dorstig, eigenwijs, koppig paard, dat met al zijn kracht niet doet wat het eigenlijk weet dat het beste is en dat het zelfs het liefst doet. Niet drinken. Lekker zelfstandig zijn. Baas over mijn bestaan. Totdat…

Terwijl ik dit hoofdstuk schrijf, moet ik regelmatig terugdenken aan de jaren dat ik in een verslavingskliniek werkte. Daar kwamen, zoals men dat noemde, veel draaideurgevallen. Mensen die afkickten, enigszins herstelden van de kwalen en kwaaltjes die ze hadden opgelopen, weer wat aansterkten, een beetje begonnen te denken over andere mogelijkheden, soms weer contact kregen met familie en vroegere vrienden, en dan kwamen ze dikwijls van het eerste proefverlof al niet meer terug.
Het was hard werken met weinig resultaat, maar ik leerde er veel. In het begin keek ik vooral aan tegen de heftige effecten die harddrugs hebben – de aftakeling, de groteske verwording. Maar na een tijdje stond dat niet meer op de voorgrond en zag ik weer hoe verschillend de mensen waren. Als gebruiker waren ze een karikatuur geworden, maar daarachter, daarin was toch nog steeds, bijna altijd tenminste, die unieke vonk. Als ik daarmee contact kreeg, ging even het licht aan. Dat was meestal kortstondig, maar het was er wel.
Tegelijkertijd kreeg ik meer en meer interesse in de verslaving als zodanig. Ik begon mij af te vragen wat dat toch was, die alles doordringende begeerte waaraan het gehele bestaan ondergeschikt werd gemaakt. En ik begon te vermoeden dat er niet een essentieel verschil was tussen de gekte van de patiënten en de gekte van ons behandelaars. Er was wel een verschil in intensiteit; wij wisten onze verslavingen en vormen van gewenning beter ‘uit te smeren’ en daardoor meer sociaal aanvaardbaar te houden, maar in wezen was er geen verschil. Dat werd ook weleens tegen ons gezegd door de patiënten, vooral als argument natuurlijk, om te kunnen doorgaan met hun eigen middelengebruik. Maar dat nam niet weg dat degenen die zoiets opmerkten gelijk hadden.
Ik was in de jaren daarvoor politiek actief geweest en het was geen nieuwe gedachte dat de samenleving van verslaving aan elkaar hing. Ik beschouwde het maatschappelijk bestel als een samenklontering van geconditioneerden, die er voor het merendeel de voorkeur aan gaven hun conditioneringen niet op te lossen, maar in plaats daarvan voor-wat-hoort-wat afspraken te maken met hun omgeving. Over en weer werden oogjes toegedaan en werden gebruiksrelaties gevormd, zodat ‘the monkey on the back’ aan zijn trekken kon blijven komen. Er waren ook daar gebruikers en dealers en de dealers waren zelf ook gebruikers. Zo deed het klootjesvolk het, de verslaafde consument, met zijn nette drugs, de borrel en de sigaret, en de auto voor de deur, ‘toet, toet, toet, weer een lijk’.
Maar deze analyse betrof anderen – kleinburgerlijke, kortzichtige en machtsbeluste anderen – waar ik en wij minachting voor hadden. Het keerpunt was nu dat ik verslaving begon te zien als iets dat niet de anderen, maar ons betrof. Zoals het in Pogo, een Amerikaanse strip uit de jaren vijftig en zestig, wordt gezegd: ‘We have met the enemy and he is us!’[i] Ik begon te zien dat het menselijk ‘ik’ dat zich niet toevertrouwt en de touwtjes in handen wil blijven houden – het ‘ik’ dat ik in dit boek de machthebber noem – per definitie verslaafd is. Verslaving is niet een maatschappelijk probleem, het is een menselijk probleem.
Het is een algemeen menselijk probleem, dat niet structureel kan worden opgelost. De maatschappij kan paal en perk stellen aan de uitwassen en dat moet ook gebeuren, maar het feitelijke probleem is daarmee niet beantwoord. Het probleem ligt bij ieder afzonderlijk mens. Het is het systeem van conditionering waartegen wij ‘ik’ en ‘wij’ zeggen en dat wij tot elke prijs in stand proberen te houden. Dit systeem biedt geen doorgang aan het leven en moet voortdurend gevoed worden met steeds meer van hetzelfde.
Het onderhoud van het systeem van conditionering vraagt alles. Het slurpt alle energie op. Het handelen is er ondergeschikt aan. Het denkapparaat is dag en nacht bezig met wat er moet gebeuren om het systeem te blijven voeden en hoe er voorkomen kan worden dat het in de problemen komt en het allerergste gebeurt. En wat dat allerergste is? Dat heeft vele gezichten, iedere cultuur heeft zijn eigen schrikbeelden, maar het komt uiteindelijk altijd neer op weerloos zijn. Overgeleverd zijn aan het leven, dat is het allerergste.

[i] The Best of Pogo, Edited by Mrs. Walt Kelly and Bill Crouch Jr. A Fireside Book, published by Simon & Schuster, 1982 (p. 224).

Over de auteur

Hans Korteweg

› Lees meer over Hans