…voor inspiratie, levenswijsheid en bezinning

Een multi-dimensionale theorie over de geest door Gilbert Ross

De kwantumfysica van het bewustzijn

In filosofische discussies, vooral aangaande de filosofie van de geest, wordt soms de vraag gesteld hoe geest en bewustzijn voortkomen uit ‘onze materie’, of meer specifiek, uit de fysieke neurologische processen in onze hersenen.

Deze vraag kent een lange geschiedenis, en heeft zowel wetenschappers als filosofen gefascineerd. Als we over de geest spreken of denken, lijkt het vanzelfsprekend te veronderstellen dat de geest rechtstreeks verband houdt met onze hersenen en met ons bewuste denken, met inbegrip van andere cognitieve functies. Zelfs als er vanuit onze directe ervaring en observatie geen direct bewijs of aanwijzing is om ondubbelzinnig te begrijpen wat de geest is, ervaren we allemaal dat de geest een fenomeen is dat nauw verband houdt met onze hersenactiviteit. En toch is er iets méér. Maar wat is dit ‘iets’ meer? Alleen al deze vraag heeft in het verleden tot enkele interessante theorieën over de geest geleid, samen met uiteenlopende filosofische standpunten en discussies.

De meest gebruikelijke kijk op de aard van de geest in het moderne westerse denken is dat de geest hetzelfde zou zijn als hersenactiviteit en dat daarom de vraag ‘wat is dit iets meer?’ niet vaak wordt gesteld. Deze ‘materialistische’ opvatting over de geest is ontstaan ​​uit de klassieke wetenschappelijke visie en zijn invloed op het moderne denken. Het wordt materialistisch genoemd omdat deze visie ervan uitgaat dat de geest niets meer is dan materie. De filosofische idee die uit deze materialistische visie voortkomt is een reductionistische. Die veronderstelt dat verschijnselen zoals geest en bewustzijn kunnen worden verklaard door ze terug te brengen tot de fysische en chemische processen die plaatsvinden in de neurologie van onze hersenen. Het is letterlijk een platte kijk op de wereld, aangezien deze alle verschijnselen reduceert tot de dimensies materie, tijd en ruimte, die volgens deze visie als primair beschouwd worden.

De materialistische visie gaat ervan uit dat de geest hetzelfde is als hersenactiviteit.

Het lichaam-geest probleem

De reguliere wetenschappelijke zienswijze loopt tegen een blinde muur op als het gaat om het begrijpen van het verschijnsel bewustzijn. De filosoof van de geest, David Chalmers, noemt dit het lastige probleem van het bewustzijn, wat in feite het probleem is van het objectief verklaren van subjectieve mentale bewustzijnstoestanden in termen van fysieke processen – zoals vereist wordt door de strikte visie op ‘wetenschap’. In eenvoudige bewoordingen: hoe verklaren we een bepaald gevoel dat we krijgen als we aan chocola denken, en neuronen in onze hersenen allerlei connecties met elkaar aangaan?

Andere standpunten, die het niet eens zijn met deze reductionistische kijk op de geest, kunnen echter te maken krijgen met een ander probleem: het probleem van het dualisme. Namelijk: als we de geest als gescheiden van de hersenen willen beschouwen, roept dat opnieuw de vraag op: “wat is de geest?”, en meer specifiek: “wat is de relatie tussen het fysieke brein en de geest?” De eerste vraag is een ontologische vraag die vraagt ​​naar de aard van de geest, terwijl de laatste een epistemische vraag is, die de oorzaak en gevolg-relatie tussen de hersenen en de geest probeert te begrijpen, en hoe informatie en kennis van de ene naar de andere kwaliteit overgaat, omdat dit immers twee verschillende toestanden zijn.

De veronderstelling dat de geest verschilt van de hersenen, bijvoorbeeld omdat de geest niet-materieel is, terwijl de hersenen dat wel zijn, levert het zogenaamde ‘lichaam-geest-probleem’ op, voor het eerst op de agenda gezet door de Franse filosoof René Descartes, die zei dat de geest en het lichaam twee verschillende substanties zijn.

Lichamen strekken zich uit in de ruimte en zijn niet in staat tot voelen of denken. Terwijl geesten geen ruimte innemen, en bestaan uit denkende en voelende substanties. Omdat het twee verschillende substanties zijn, behorende tot het materiële en niet-materiële, en omdat er geen waarneembare interactie is tussen de twee, kunnen we geen oorzakelijk verband tussen die twee verklaren. Als we bijvoorbeeld geen oorzakelijke verklaring kunnen vinden voor hoe onze innerlijke mentale staat en overtuigingen tot gedrag leiden, dan vinden sommigen dat praten over de geest overbodig wordt. 

De geest is niet-materieel, terwijl de hersenen materieel zijn.

De geest als software en opkomende effecten

Ondanks deze ogenschijnlijk problematische positie van de geest en de hersenen die naast elkaar bestaan in de een of andere relatievorm, leefde het idee voort in andere theorieën en metaforen. Een van de meest populaire metaforen is ontleend aan de computerwetenschappen. Daarin wordt de geest beschouwd als software die de hardware aanstuurt – de hersenen. Dit model wordt ook gebruikt in de psychologie en in cognitieve wetenschappen, waarbij het niet-materiële aspect van de geest wordt gezien als het softwareprogramma, en het materiële hoedanigheid van de hersenen als de onderliggende hardware.

Een ander interessant uitgangspunt beschouwt de geest als een zich spontaan manifesterend verschijnsel dat voortkomt uit de complexe interacties van de neurale processen in de hersenen. Dit theoretische standpunt is niet-reductionistisch en omzeilt ‘het lichaam-geest-probleem’. Want hoewel het de geest nog steeds beziet als iets anders dan de hersenen, kan het oorzaak-gevolg verband tussen de twee worden verklaard in termen van de opkomende effecten. Het probleem met deze visie is echter dat het materie, (de hersenen), nog steeds als primair beschouwt, en geest en bewustzijn als iets dat uit materie tevoorschijn komt, in plaats van als een fundamenteel aspect van het universum, zoals tijd en ruimte.

De geest als een hoger dimensionaal veld

Naarmate de wetenschap en het onderzoek vorderen, ontstaan ​​er nieuwe theorieën over de geest die meer licht zouden kunnen werpen op enkele van de hierboven genoemde filosofische vragen. Een van de nieuwste ideeën die uit de academische wereld voortkomen, zien de geest ziet als een veld dat in een andere dimensie dan de hersenen bestaat, en er op kwantumniveau mee samenwerkt. Dr. Dirk K.F. Meijer, hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen, publiceerde deze opvatting in het ‘peer-reviewed’, (collegiale toetsing),  wetenschappelijke tijdschrift NeuroQuantology, een academisch tijdschrift dat onderzoek doet naar het integreren van neuro-wetenschappen en kwantumfysica. Daarin lichtte hij in een artikel  zijn visie toe.
Meijer suggereert dat de geest in feite een veld is, of technischer, ‘een holografisch gestructureerd veld’ dat fungeert als een ‘receptieve mentale werkruimte’ in de zin dat het zich bevindt rond de hersenen, maar tegelijkertijd in staat is om toegang te krijgen tot andere velden daarbuiten. ‘Dit veld’, suggereert Meijer, ‘bevindt zich in een vierde ruimtelijke dimensie, een hoger-dimensionale ruimte dan die waarin de hersenen zijn ingebed (3D)’.
Het is ook vermeldenswaard dat parallel onderzoek, zoals in het Blue Brain-project – een interdisciplinaire samenwerking tussen wiskundigen en neuro-wetenschappers – heeft aangetoond dat het ‘brein’ in meerdere dimensies werkt.

De vraag is dan hoe de geest, als een vierdimensionaal veld, zich verhoudt tot de 3D hersenprocessen? Hoewel we de specifieke mechanismen die ten grondslag liggen aan de communicatie tussen geest en brein nog niet begrijpen, gebruikt Meijer de kwantumfysica om mogelijke ‘kanshebbers’ voor te stellen. Er zijn volgens hem twee mogelijkheden: 1e: via wat wordt genoemd ‘kwantumverstrengeling’, en 2e : via ‘kwantumtunneling’. Dit zijn twee van de meest verwarrende en mysterieuze verschijnselen die in de kwantumwereld zijn waargenomen.

In eenvoudige bewoordingen is verstrengeling het waargenomen fenomeen dat twee deeltjes met elkaar zodanig worden ‘gesynchroniseerd’ dat het ene het andere ogenblikkelijk beïnvloedt ook als ze door enorme afstanden van elkaar gescheiden zijn. Bijvoorbeeld in verafgelegen uiteinden van elkaar in een melkwegstelsel. Dit fenomeen heeft wetenschappers jarenlang verbijsterd, waaronder Einstein zelf die het ‘spookachtige actie op afstand’ noemde. Kwantumtunneling kan het beste worden verklaard door analogie met een macrowereld object. Stel je voor dat je een tennisbal tegen een muur gooit. Natuurlijk verwachten we dat de bal zijn beweging stopt zodra hij de muur raakt en terug stuitert in de tegenovergestelde richting. Vreemd genoeg gaat de bal in een kwantumtunneling parallel door de muur heen, en er kan worden waargenomen dat hij zijn beweging en momentum in de andere aangrenzende kamer behoudt. Inderdaad een raar verschijnsel.

Toch denkt Meijer dat, hoewel verstrengeling en tunneling mogelijke verklaringen zijn voor hoe het denkveld en de hersenen snel informatie aan elkaar doorgeven, het meest waarschijnlijke mechanisme dat dan aan het werk is, kwantumgolfresonantie is. Dit betekent dat er op het kwantum- en subkwantumniveau een golfpatroon bestaat dat ten grondslag ligt aan alle neuronen en deeltjes in de hersenen, en dat ook door het veld van de geest heen gaat. Veranderingen in het veld van de geest resoneren onmiddellijk met de neuronen in de hersenen, en vice versa. 

Golfpatronen in de hersenen doordringen het veld van de geest.

Sneller dan de snelheid van gedachten

Het kwantumgolfresonantiemodel van de communicatie tussen hersenen en geest kan een heel treffend antwoord zijn voor wat ‘het bindingsprobleem’ wordt genoemd. Verschillende neurale regio’s en clusters in onze hersenen zijn verantwoordelijk voor verschillende cognitieve functies, bijvoorbeeld zicht, kleur, en geluids- of verbale verwerking. Toch komen deze verschillende signalen uit verschillende regio’s in onze hersenen collectief sneller samen dan de snelheid waarmee ze afzonderlijk worden verwerkt, waardoor een waargenomen anomalie ontstaat die bekend staat als het bindingsprobleem. Het is in dit verband relevant omdat het lijkt alsof het bindingsprobleem ontstaat als we ons hoofd breken om te proberen te achterhalen wat er gebeurt vanuit slechts één laag van de werkelijkheid – bijvoorbeeld vanuit de neurale activiteit van onze hersenen.

Anderzijds, als we de hersenen en de geest beginnen te beschouwen als multidimensionale manifestaties van hetzelfde, en die informatie op kwantumniveau communiceren door middel van resonantie, ontstaat er een beter, breder beeld dat ogenschijnlijke afwijkingen verklaart, zoals het bindingsprobleem. Dit levert ook meer onderbouwing op aan het feit dat een afgeplatte en reductionistische kijk op de werkelijkheid geen stand houdt. We hebben een rijkere, bredere, en mogelijk multidimensionale kijk op bewustzijn en realiteit nodig. Dit brengt me bij het volgende interessante punt over de veldtheorie van de geest.

Geest is universum

De discussie over de geest als veld gaat uiteindelijk verder dan het koesteren van de mogelijkheid om al lang bestaande filosofische vragen te kunnen beantwoorden. Het opent een deur naar opwindende nieuwe mogelijkheden die ons een geheel nieuwe manier geven om het fenomeen te begrijpen. In zekere zin is het het klassieke raadsel van het beantwoorden van die ene vraag, en er nog eens honderd andere, te stellen. Dit is wat vooruitgang in kennis zo bijzonder maakt. 

De geest is het universum en alles is geest.

 

De echte parel in de oester van deze theorie is dat de geest niet individueel of exclusief is voor ons mensen, zoals we altijd hebben aangenomen. Een heel korte manier om het te zeggen is: dat geest universum is, en dat alles geest is. Zoals het eerste principe van de hermetische filosofie luidt: ‘Alles is geest’. Dus een van de dingen die de wetenschap fundamenteel misschien verkeerd heeft beoordeeld, en waar David Chalmers naar verwijst als ‘het lastige probleem van het bewustzijn’, is dat deze niet veronderstelde dat bewustzijn en verstand fundamentele onderdelen zijn van alles wat is.

Bewustzijn is primair; zelfs met betrekking tot materie. Dit begint te convergeren met oude kennis, of met modern panpsychisme, dat stelt dat alles doordrenkt is van bewustzijn. Materie komt voort uit bewustzijn en niet omgekeerd.

Maar wat heeft dit te maken met Meijer’s Theory of Mind als vakgebied? Ten eerste is Meijer van mening dat het vierdimensionale veld van de geest een torusvorm is waarvan we nu begrijpen dat deze overal in het universum te vinden is. Ten tweede zijn velden allemaal met elkaar verbonden via kwantumfenomenen zoals resonantie, verstrengeling en tunneling. Dit zou zaken kunnen verklaren die we beschouwen als paranormale of extra sensorische verschijnselen, zoals voorkennis, helderziendheid, kijken op afstand, of telepathie.

Meijer ziet bewustzijn in feite als een randvoorwaarde die bestaat tussen de interne informatie van de hersenen en al het andere daarbuiten, waar hij naar verwijst als ‘de universele informatiematrix’. Vanuit dit standpunt is bewustzijn vergelijkbaar met verschijnselen zoals waargenomen in zwarte gaten, en hij duidt die aan als een zogenaamde ‘gebeurtenishorizon’. Als licht of materie zwarte gaten naderen, verdwijnen ze niet, maar wordt hun informatie op de grens ervan geprojecteerd. Die grens scheidt het zwarte gat van al het andere. En hij gebruikt dit als een analogie om uit te leggen wat bewustzijn zou kunnen zijn, op basis van zijn onderzoek en inzichten.

Dus de kern van dit tot nadenken stemmende en cruciale onderzoek is dit: je brein is een kwantumtuner die resoneert met een veld dat de geest heet. Dat veld van de geest is verbonden met vele andere velden en dit zou de transpersoonlijke en psychische ervaringen kunnen verklaren die we voorheen nog niet konden verklaren met behulp van reguliere wetenschap.

 

Vertaling: Hansjelle Dijkstra

 

Over de auteur

Gastauteurs

› Lees meer over Gastauteurs