…voor inspiratie, levenswijsheid en bezinning

Het riskante pad van leraar en leerling door André van der Braak

In hoeverre kun je de intense emoties vertrouwen die worden opgeroepen door de overgave aan de goeroe? En als je twijfelt, hoe onderscheid je gezonde twijfel van de stem van het ego? Is het wel mogelijk om leefregels vast te stellen voor een ‘verlicht’ leven? En hoeveel macht mogen we de goeroe in een dergelijk proces geven?

Van jongs af aan ben ik op zoek geweest naar de antwoorden op de grote vragen in het leven. Aanvankelijk vanuit mijn rooms-katholieke achtergrond. Maar vanaf mijn zestiende zocht ik naar antwoorden uit het Oosten. Ik begon te mediteren, aan yoga te doen en me in het boeddhisme te verdiepen. Ik studeerde westerse en oosterse filosofie en psychologie.

Maar na mijn afstuderen ruilde ik mijn zoektocht naar verlichting in voor meer praktische beslommeringen. Ik kreeg een baan in de automatisering en bewandelde het pad naar maatschappelijk succes. Mijn levensstandaard steeg, maar daarmee mijn eenzaamheid ook. De snelle wereld van de automatisering bevredigde mijn hartsverlangen niet.

Andrew Cohen

Toen vertelde een vriend me over Andrew Cohen, een Amerikaanse spirituele leraar die in Amsterdam bijeenkomsten kwam houden. Sceptisch stemde ik toe om mee te gaan. Maar naarmate ik meer bijeenkomsten bijwoonde, raakte ik er meer en meer van overtuigd dat Andrew vanuit een verlichte staat sprak. Hij wist vragen moeiteloos vanuit zijn eigen ervaring te beantwoorden. Vaak was hij gewoon stil samen met de aanwezigen en zonken we weg in een diepe ervaring van stilte, waarin zorgen, gedachten en problemen er niet meer toe deden.

Keer op keer had ik diepe spirituele ervaringen. De verlichting, waar ik al jarenlang naar op zoek was geweest via boeddhistische meditatie, leek plotseling voor het grijpen. In gezelschap van Andrew voelde ik een zware last van me afvallen. Het leven werd opeens een groot jubelend gebeuren, de wereld was vervuld van een magische glinstering. Ik voelde een diepe rust en vrede. Als er al volmaaktheid bestond, dan was dit het.

Ik voelde een diepe dankbaarheid en liefde voor Andrew. Hij had mijn leven ingrijpend getransformeerd. Wat kon ik me liever wensen dan voor altijd bij hem te zijn? Ik besloot mijn baan op te zeggen, het uit te maken met mijn vriendin en Andrew te volgen. Eerst naar Devon in Engeland, toen naar de VS. Aanvankelijk was ik in de zevende hemel. Eindelijk had ik een kans om samen met gelijkgestemden van overal ter wereld te leven. Het leven in de gemeenschap was één grote uitbarsting van liefde en intimiteit. Verlichting hier en nu was alom in onze ervaring aanwezig. Maar in de loop der jaren bleek het toch niet zo simpel te zijn. Het ego stond de verlichting in de weg en we moesten het uitroeien. De strijd van het ego diende ten koste van alles gewonnen te worden. We besteedden dagelijks uren aan meditatie, prostraties en mantrapraktijken.

Twijfels 

In de loop der jaren kwamen er twijfels in me op. Moest het ego wel zo nodig als een soort onkruid bestreden worden? En op zo’n harde en meedogenloze manier? Als het ego een illusie is, versterkt een oorlog ertegen niet alleen maar zijn realiteitsgehalte? Tegelijkertijd echter bleef ik spirituele ervaringen hebben en was ik vaak overweldigd door een besef van grote liefde en intimiteit. Maakten die sterke emoties alles goed? Was mijn twijfel de stem van mijn onwillige, tegenstribbelende ego? Moest ik kiezen voor mijn gevoel of mijn verstand? Ik voelde me vaak in een innerlijke spagaat. Uiteindelijk verliet ik in 1998 de leefgemeenschap.

Een zelfonderzoek volgde. Wat waren mijn motieven geweest om me indertijd bij Andrew Cohen aan te sluiten?  Had Andrew Cohens charismatische beweging als opvulling gediend voor een postdoctorale leegte waarin ik me bevond? Maar mijn relatie met Andrew Cohen was ook een uitdrukking van een oprecht verlangen naar bevrijding. Ik kreeg oog voor Andrews narcisme en adolescente persoonlijkheid. Hij had nobele maar onrealistische idealen. Hij zei dat alles mogelijk was, maar hij had geen oog voor de praktische moeilijkheden om zijn idealen te realiseren. Dat was het probleem van de volgelingen.

Sinds mijn vertrek heb ik met veel vragen geworsteld. Hoe kan ik zo ver zijn gegaan in het onder druk zetten van anderen en mezelf? Was het uit liefde voor de goeroe, of helpt de liefde voor de goeroe juist om je eigen grenzen te doorbreken? In hoeverre kun je de intense emoties vertrouwen  die worden opgeroepen door de overgave aan de goeroe? En als je twijfelt, hoe onderscheid je gezonde twijfel van de stem van het ego? Is het wel mogelijk om leefregels vast te stellen voor een ‘verlicht’ leven? En hoeveel macht mogen we de goeroe in een dergelijk proces geven?

Stadia

In de problematische verhouding tussen goeroe en leerling zijn verschillende stadia aan te wijzen. Oakes onderscheidt er zes.[i] Het begint met de wittebroodsweken. Vaak is er sprake van wederzijdse idealisering. De leerling is in de zevende hemel en vol liefde en toewijding voor de goeroe. De goeroe op zijn beurt beschouwt hem als zijn favoriet.

De tweede fase is de werkfase. De leerling wordt nu als lid van de gemeenschap geaccepteerd en krijgt werk toegewezen, vaak niet erg moeilijk werk dat ook een zeker arbitrair karakter draagt. Hij ontwikkelt een ‘gemeenschapspersoonlijkheid’: hij past zich aan de geldende normen en waarden binnen de gemeenschap aan.

De derde fase is die van de teleurstelling. Gaandeweg daagt het besef dat de goeroe niet volmaakt is en dat verlichting ver weg is en blijft. Hij realiseert zich hoeveel van zijn vrijheid hij heeft opgegeven. Hij krijgt twijfels over de goeroe en kan zelfs een machtsstrijd met hem aangaan. De beslissing ‘gaan of blijven’ dient zich aan.

Als de leerling besluit om te blijven gaat hij de vierde fase in. Hij begint de tekortkomingen van de goeroe nu te rationaliseren: ‘ze maken hem menselijker’ of: ‘Jezus had ook zijn fouten’. Zijn twijfel wordt ontkend en onderdrukt, en gaat ondergronds. Dat moet ook wel, want zijn geïdealiseerde opvattingen over de goeroe en de gemeenschap worden dagelijks als onwaar bewezen. De goeroe is geen God en de gemeenschap is niet het paradijs. De leerling werkt nu een geheim compromis uit waardoor hij kan blijven, en kan blijven geloven in de mogelijkheid van transformatie en revolutie. Maar de romantiek heeft plaatsgemaakt voor een doelbewuste keuze. Hij geeft zich nu niet zozeer uit liefde over, maar omdat het goed voor hem is.

De vijfde fase is die van succes of falen wat betreft het grote werk. Welke geheime agenda de leerling ook had wordt al dan niet vervuld. In beide gevallen leidt dit tot de zesde fase, namelijk vertrek. Vroeg of laat vertrekt bijna iedereen uit een charismatische beweging. Tom Patton, ex-lid van de Amerikaanse charismatische beweging Synanon, drukt het als volgt uit: “Het zijn niet altijd degenen met pit en die snel van begrip zijn die vroeg vertrekken, en niet altijd de slappelingen en goedgelovigen die langer blijven. Men vertrekt wanneer men gekregen heeft waar men voor kwam, wanneer de toewijding ‘op’ is, wanneer men zich over het vragenlijstje dat de leraar voorschrijft niet langer druk kan maken.”[ii]

Vertrek 

‘Succesvolle’ leerlingen vertrekken omdat ze bereikt hebben wat ze wilden. Hun geheime agenda is vervuld. Ze hebben bijvoorbeeld hun kinderen in een liefdevolle omgeving opgevoed of ze hebben hun jeugd herontdekt. Hun vertrek verloopt relatief zonder problemen. Tijdens de volgende groepscrisis (er zijn altijd veel groepscrises in charismatische bewegingen waarin de goeroe zijn leerlingen voorhoudt dat ze niet voldoende toegewijd zijn aan zijn leer) gaan ze er stilletjes vandoor. Ze blijven met waardering over hun goeroe spreken, ze zijn dankbaar voor zijn hulp en pragmatisch over zijn tekortkomingen. Ze weten dat het gewoon tijd was om de volgende stap in hun leven te nemen.

De ‘falende’ leerlingen vertrekken vaak op een traumatische manier, na een heftig conflict met de leraar. Zij voelen zich bedrogen en verraden. De goeroe heeft hun het paradijs beloofd, ze hebben hem hun hart gegeven, maar uiteindelijk blijkt hij niet werkelijk in hun welzijn geïnteresseerd. Wanneer ze de goeroe confronteren met zijn verbroken beloften geeft die niet thuis. Hij neemt geen verantwoordelijkheid. Hij vindt het hun probleem.

Sommigen van die leerlingen worden later beroepsafvalligen: ze blijven proberen om ieder mogelijk schandaal rondom hun vroegere goeroe publiekelijk te onthullen, zelfs als ze er grote persoonlijke offers voor moeten brengen.

Alle verhalen over misbruik en manipulatie ten spijt is het uiteindelijk altijd de goeroe die wordt verlaten. Wanneer het grote werk is geslaagd, wordt de goeroe irrelevant. De leerling heeft de goeroe niet langer nodig en gaat verder op zijn eigen pad. De goeroe heeft die luxe niet: hij blijft gevangen in een gouden kooi van eigen makelij. Hij is gedwongen om te blijven geloven in de zelfgeschapen mythe van zijn eigen perfectie.

André van der Braak studeerde psychologie en filosofie van 1981 tot 1986. In deze periode beoefende hij ook intensief vipassanameditatie. Van 1987 tot 1998 was hij leerling van Andrew Cohen. Over deze tijd publiceerde hij in 2003 Enlightenment Blues. Enkele jaren later volgde zijn tweede boek, Goeroes en charisma. Hij promoveerde in 2004 op een vergelijkende studie over Nietzsche en het zenboeddhisme. Sinds 2012 werkt hij als hoogleraar boeddhistische filosofie in dialoog met andere levensbeschouwelijke tradities aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. In 2013 ontving hij de leraarsautorisatie in de traditie van de Maha Karuna Chan van Ton Lathouwers.

Voetnoten:

i L. Oakes, Prophetic Charisma, p. 131-143.

ii T. Patton, voorwoord bij W. Olin, Escape from Utopia: My ten years in Synanon, University Press, 1980.

 

Selectie uit Goeroes en Charisma, het riskante pad van leraar en leerling’, 2006, André van der Braak, uitgeverij Altamira-Becht, 2006, ISBN 13 978 90 6963 737

Met toestemming overgenomen uit tijdschrift InZicht.

Zie ook voor nabestellingen van nummers: https://www.inzicht.org/

Over de auteur

Gastauteurs

› Lees meer over Gastauteurs