…voor inspiratie, levenswijsheid en bezinning

Archive for the ‘Artikel’ Category

Boeddha’s basics 6: juiste intentie

De juiste intentie komt rechtstreeks voort uit het leven zoals je het hier en nu leidt. De vraag is: wat heb jij te doen in deze fase van je leven? Het antwoord op deze vraag zal in verschillende fasen van je leven misschien anders zijn, daarom heb je bovenstaande vraag herhaaldelijk aan jezelf in ernst te stellen. Wat je jezelf voorneemt om te doen, moet kloppen met wie je bent. Niet alleen wie je bent in al je diep ingesleten patronen die samen het weefsel vormen dat je je ‘persoonlijkheid’ noemt. Maar ook wie je bent in je niet geconditioneerde staat, het Ongeborene, de Eeuwige, het Licht waarin alles verschijnt.

Je ongeconditioneerde essentie toont je niets uit te sluiten. Niets van wat zich voordoet is gescheiden van jouw aanwezigheid in dit moment. Alles rijst op uit het Ongeborene, is het Ongeborene en keert daarnaar terug. Op grond van deze essentie zijn in het Mahayana Boeddhisme de zestien voornemens van de bodhisattva, het geïncarneerde Licht, geformuleerd. Elk van de voornemens betreft een ander aspect van het samenvallen met jezelf, het ongehinderd genieten van je leven precies zoals het is:

 

De drie Juwelen

Mijn leven is het leven van de Boeddha

Mijn leven is het leven van de Dharma

Mijn leven is het leven van de Sangha

 

De drie Fundamentele Voornemens

Ik neem me voor om het kwade te laten

Ik neem me voor om het goede te doen

Ik neem me voor om alle levende wezens te bevrijden

 

De Tien Grote Voornemens

Ik neem me voor om niet te doden, maar alle leven te bekrachtigen

Ik neem me voor om niet te stelen, maar te delen

Ik neem me voor om seksualiteit niet te misbruiken, maar het lichaam lief te hebben

Ik neem me voor om niet te liegen, maar mezelf waarachtig uit te drukken

Ik neem me voor om mezelf niet te bedwelmen, maar wakker te zijn

Ik neem me voor om geen kwaad te spreken over anderen, maar te ondersteunen

Ik neem me voor om mezelf niet te verheffen ten kostte van anderen, maar de eenheid te zien

Ik neem me voor om niet gierig te zijn, maar te geven

Ik neem me voor om me niet te laten leiden door woede en haat, maar me in de plaatst te stellen van de ander

Ik neem me voor om de drie Juwelen niet te bezoedelen, maar instrument te zijn

(Zestien Mahayana voornemens)

Vijf mythologische verhalen over het ontstaan van de wereld

De Big Bang en het Bijbelse scheppingsverhaal zijn lang niet de enige verklaringen over het ontstaan van de wereld. Maak hier kennis met vijf mythologische verhalen over de schepping van de Aarde, afkomstig van tal van uithoeken in de wereld …!

Mythologische verhalen en tradities gaan vaak op de een of andere manier over het ontstaan van de wereld. Scheppingsmythes zijn de meest gebruikelijke vorm van overleveringen in alle beschavingen – mensen zijn gefascineerd door de vraag hoe alles ​​is ontstaan.

De verklaringen in historische culturen zijn buitengewoon divers. De mythologen Mircea Eliade en Charles Long hebben vijf fundamentele thematische categorieën geïdentificeerd waar de meeste van deze verhalen in passen. Hoewel anderen alternatieve systemen voor categorisering hebben voorgesteld, biedt de structuur van Eliade en Long een eenvoudige manier om de verschillende verbintenissen tussen de mensheid -en ideeën over creatie- te conceptualiseren.

  1. Ontstaan uit chaos

Veel mythologische verhalen gaan over het ontstaan uit chaos. Deze verhalen beschrijven vaak een primordiale, (behorend bij een vroege staat van wording), de ongeordende fase van vóór het bestaan, van ​​vóór het begin der tijden. Schepping treedt op wanneer de chaos een ordenende kracht tegenkomt, die vaak van menselijke aard is, en die samen het materiële universum creëren  zoals wij die kennen.

De Babylonische scheppingsmythe beschrijft de eenwording van Tiamat, de godin van de chaos en oceanen tijdens een oer fase met Abzu, de god van zoet water. De tablet Enuma Elis, (zie afbeelding), daterend uit de 7e eeuw  voor Christus, beschrijft de elementaire, chaotische zee waarin Tiamat met Abzu wordt verenigd:

“Toen de hemel erboven nog geen naam had, en de Aarde eronder evenmin, en de oorspronkelijke Abzu die hen verwekte, en toen Tiama, de moeder van hen beiden, hun wateren met elkaar vermengden, was er nog geen drasland te bekennen. En nog niemand van de goden was toen door het noemen van hun naam tot leven geroepen”. 

Een andere vorm van schepping uit chaos is de ontwikkeling vanuit het kosmische ei. In de mythologische verhalen van de oude Griekse Orphisme religie is de primordiale, hermafrodiete god Phanes geboren uit het Orphische Ei.

Het Orphische Ei kwam op natuurlijke wijze tot stand door de acties van Chronos, of ‘tijd’, en die van Ananke, of ‘noodzaak’. Vergelijkbaar met het Babylonische verhaal verenigt Phanes zich vervolgens met Nyx, de godin van de nacht, die actief het universum creëert.

Een variant van het Kosmische Ei komt ook voor in de Hindoeïstische en Vedische mythologie. Eerst in de Rig Veda, en wordt vervolgens ontplooid en uitgebreid in de Upanishads. De Hiranyagarbha, of Gouden Baarmoeder, zweeft in de oerchaos in incarnaties van het universum. Uiteindelijk splitst het in tweeën, en vormt het Kosmische Ei de hemel en de Aarde.

  1. Ex Nihilo

Ex Nihilo, of ‘de schepping uit niets’, beschrijft het soort mythologische verhalen waarin het universum vanuit absolute nietsheid plotseling tot stand komt. Dit gebeurt meestal door de wil van een godheid, maar het gebeurt soms ook spontaan, of zelfs toevallig.

Een bekend voorbeeld van de  Ex Nihilo schepping is te vinden in het Jodendom, het Christendom en de Islam, in de vorm van het Genesis verhaal. In deze tradities schept God het universum in zes dagen, uitsluitend door wilskracht, met de bekende woorden “Er zij licht”.

De oude Egyptenaren van Memphis kenden een soortgelijke mythe, maar gaven een diepzinniger uitleg van het mechanisme van de schepping. Ptah, de god van het ambacht en de architectuur, werd beschouwd als de belangrijkste godheid van de Memfieten. Ze geloofden dat een meesterkunstenaar zich een perfect eindproduct kon voorstellen, nog voordat hij de benodigde grondstoffen kon vormen. Ptah’s beheersing van het ambacht was zo groot dat hij toen hij het universum voorzag, en de dingen begon te benoemen die hij zich had voorgesteld, ze materialiseerden tot bestaan. Deze legende heeft mogelijk het maçonnieke denken beïnvloed, dat de schepper als een goddelijke metselaar of architect beschouwt.

Een meer unieke variant van Ex Nihilo-creatie komt voort uit de mythologische verhalen van de Kuba-cultuur in Centraal-Afrika. Voor het universum was er alleen duisternis en water, dat bewoond werd door de reusachtige, bleke god Mbombo.  Uiteindelijk voelde Mbombo een intense pijn uit het niets en braakte hij de zon, de maan en de sterren tot leven. De zon verdampte het water en creëerde de wolken en het land. Mbombo voelde zich een tijdje beter, maar werd toch al snel ziek en braakte hij opnieuw. Die keer creëerde hij alle dieren.

  1. Schepping met de lichaamsdelen van een oermens

Veel mythologische verhalen gaan over de verschillende aspecten van het universum die tevoorschijn komen uit lichaamsdelen van een godheid. Soms wordt een enkele godheid op de een of andere manier in stukjes gesneden die de componenten van de materiële wereld worden, zoals de hemel, aarde en water. In andere varianten wordt een verenigd paar mannelijke en vrouwelijke goden gescheiden. Het “vacuüm” dat door deze scheiding wordt gecreëerd, vult zich met het materiële universum.

In de oude Egyptische cultuur in Heliopolis, dat naast de Memphites bestond, evolueerde het universum uit het lichaam van de god Atum. Atum bestond in een oerzee van niets. Door een soort hermafrodiete reproductie, of goddelijke masturbatie, verenigde Atum zich met zijn eigen vrouwelijke energie en met gemanifesteerde Shu, de god van de lucht, en ook met Tefnut, godin van de regen. Tefnut en Shu verenigden zich vervolgens tot Aarde en de lucht, en om Geb en Nut, te creëren. Geb en Nut verenigden zich vervolgens, en creëerden de belangrijkste godheden Isis, Osiris, Nephthys en Set, die al het andere schiepen of baarden. In dit systeem zijn mensen directe afstammelingen van het lichaam van Atum.

In Maori-culturen van eilanden in de Stille Oceaan wordt de schepping veroorzaakt door de splitsing door de goden van de Aarde en de hemel, Rangi en Papa. Voordat ze dit universum creëerden, zaten ze opgesloten in een eeuwige omhelzing. Ze baarden alleen mannelijke kinderen, die vastzaten in het donkere, verkrampte niets tussen hen in. Uiteindelijk verlangden hun ingesloten kinderen naar licht, en dreven ze hen uit elkaar. Dit schiep ruimte voor het universum, dat wordt gevormd als een resultaat van oorlog tussen de god-kinderen van Rangi en Papa, die optreedt in de nasleep van de scheiding.

  1. Geboorte en ‘verschijning’

Het idee van verschijning is een van de meest unieke en allegorische interpretaties van creatie. Volgens deze verhalen reisden mensen ooit naar het huidige universum toe vanuit een ander, vaak mislukt, alternatief universum. Dit wordt uitsluitend bereikt door de meest nobele of zuivere mensen, met de hulp van een godheid. In andere tradities worden de ‘lagere’ werelden beschouwd als incubatiekamers die nodig zijn voor de geboorte in de naderende ‘hogere’ werelden.

Het thema geboorte is vooral te vinden in culturen van de Eerste Naties. De Navajo, Hopi en Zuni. Opkomende mythes hebben de neiging zich te concentreren op vrouwelijke, maternale energie als creatieve kracht. Deze verhalen bevatten vaak een abstracte, alomtegenwoordige aardemoederfiguur die geboorte geeft aan het bestaan. De vroegere versies van het universum worden gezien als de baarmoeder van de Aarde, die zielen van voedsel voorziet voordat ze in hun volgende vorm worden geboren.

De Hopi-cultuur van wat nu de Zuidwestelijke Verenigde Staten is, kent een cyclus van creatie door hergeboorte. Volgens de legende verblijven wij momenteel in de vierde iteratie van het universum. In elke vorige versie waren de mensen gelukkig en vriendelijk. In de loop van de tijd werden ze echter ongehoorzaam en roekeloos, en konden ze niet langer in vrede leven. Dan zou de Spinnevrouw, de symbolische vroedvrouw van de alomvattende Aardemoeder, de overgebleven nobele mensen naar het volgende universum leiden, dat totaal anders zou kunnen zijn. De vorige zou vernietigd worden, samen met alle slechtheid.

Op dezelfde manier kent de Zuni-scheppingsmythe een reeks van vier werelden, met toevoeging van een vijfde, de Daglicht Wereld, waar wij momenteel in leven. In het Zuni-verhaal ligt de vierde wereld diep onder de grond in complete duisternis. De mensheid begon lang geleden -in de vierde wereld-  in de buurt van het centrum van de Aarde. Na verloop van tijd, en met hulp van de goden, kregen de priesters het vermogen om gebedsstokken te maken uit het hout van een den, van populieren en van twee soorten sparren die in de vierde wereld groeiden. Ze gebruikten deze gebedsstokken om vanuit de vierde wereld omhoog te klimmen door de derde, tweede en de eerste wereld heen, eindelijk uitkomend in de Daglicht Wereld.

  1. De Aardeduiker

De Mythe van de Aardeduiker komt voor in Aziatische volksverhalen en beschrijft een magisch dier, dat de goden vanuit de hemel naar de Aarde hebben gestuurd en dat in de oerzee duikt om de materiële wereld te scheppen. Deze Aardeduiker wezens schuren over de diepten van de zee en creëren land, planten en dieren van de zeebodem. In veel van deze verhalen bestaan ​geesten of zielen van mensen en dieren die vóór de schepping nog in het oerrijk zweefden, en die ontwaken om de modder- en zandvormen te gaan bewonen die door de Aardeduiker zijn gebouwd.

Onder de Japanse inheemse Ainu bevolking wordt de Aardeduiker vaak gekarakteriseerd als een waterstaartvogel. De scheppende godheid stuurt de vogel naar de zee beneden, waar hij het water met zijn vleugels verstrooit en eilanden vormt met zijn poten. In andere versies van de Ainu-mythe is de Aardeduiker meer beer dan vogel.

In de mythologische verhalen van de Cherokee, waren er voordat er land was eerst uitsluitend luchtruim en oerzee. De waterkever die in de lucht woonde werd nieuwsgierig naar wat eronder in de zee was, dus dook hij erin. Na een tijdje zwemmen, wenste hij een droge plek om te rusten. Hij dook naar de bodem en haalde stukjes modder op, en bouwde hij het eiland dat later het land zelf zou worden.

In Finse mythologische verhalen wordt de Aardeduiker gecombineerd met de kosmische eier troop. Voor de schepping was er alleen de hemel, de dochter van de hemel Ilmatar en van de oerwateren. Ilmatar dook in de oerwateren om te rusten. Ze zwom 700 jaar lang, totdat ze een kleurrijke vogel in de lucht zag cirkelen op zoek naar een plek om te landen. Ze liet de vogel op haar landen en legde zes gouden eieren plus een ijzeren ei op haar knie. Terwijl hij zich op haar vestigde en de eieren bebroedde, werd dat ongemakkelijk en bewoog ze haar been. De eieren vielen en braken. De schelpen vormden het land. Het eiwit vormde de maan en de sterren, en de dooier werd de zon.

© Daniel Appel

Vertaling: Hansjelle Dijkstra

bron

 

 

Geluk is ‘dood’eng

Niet het continue zoeken naar ‘negatieve’ emoties om op te lossen, geen drama’s creëren en wachten op begrip, niet het ontkennen of vermijden van pijn of het behouden van je zekerheid.

Geluk gaat over het erkennen en ervaren van je innerlijke reactie op onvermijdelijk ongemak. Er naast gaan zitten zoals je naast je hond op de bank gaat zitten. Vragen wat je voor jezelf kunt doen op dat moment. Zodat je merkt dat je het heus wel aankunt. Dat je niet bezwijkt onder tegenslag.

Iedereen heeft zijn eigen successen die geluk brachten. Iedereen weet wat er vooraf gaat aan jezelf op die manier overtreffen. Adem in, ogen dicht en springen. De grond waarop je stond achter je laten en enige tijd zweven voordat je weer neerkomt. Het dùrven zweven, in de leegte van het (nog) niet weten, maakt dat je ergens anders kunt landen. Zowel kleine successen als grote successen vragen een bepaalde mate van opoffering.

De opoffering kan vele vormen aannemen. Het wordt ook wel ‘loslaten’ genoemd maar die term gebruik ik niet graag. Energetisch ziet het er namelijk niet uit als loslaten maar meer als sterven en opnieuw openbarsten met een schaalvergroting. Zoals een rups en een vlinder. Na tientallen schaalvergrotingen lijken het de groeiringen van een boom. Als je ècht innerlijk wil groeien, heb je meer ruimte nodig. Je moet daarvoor wijzigingen toelaten in je buitenwereld. Iets moet sterven.

Hoe meer successen je hebt ervaren in je leven, hoe meer je erop vertrouwt dat je niet verloren gaat wanneer je springt. Zonder springen geen geluk. Hooguit tevredenheid. Dat is mij na honderden energetische consulten wel duidelijk geworden. Er zit weinig geluk in jezelf uit de wind houden. In alleen maar uitrusten. Er zit weinig geluk in veiligheid. Er zit weinig geluk in comfort. Het zijn randvoorwaarden, dat wel.

Echt geluk ervaren gaat meestal over volheid, een stuwende innerlijke kracht en gretig zijn naar meer. Jezelf niet bij kunnen houden en tijd tekort komen voor datgene waar je zo gelukkig van wordt. En ontroerd zijn dat je het voor jezelf hebt overgehad om jezelf door de angst, verdriet, onzekerheid of oordelen van anderen te begeleiden.

Geluk gaat voor een groot deel over zelfexpressie zònder de verbinding met jezelf èn je omgeving te verliezen. Het is een beweging in jezelf die steeds opnieuw naar balans zoekt tussen springen, doodgaan en landen op nieuw terrein.

Het is zin hebben in morgen.

Aukje van de Vorstenbosch

Deze video wordt niet getoond omdat er (nog) niet akkoord is gegaan met het plaatsen van cookies.
Wijzig keuze

Beyond obvious

Boeddha’s basics 5: juiste zienswijze

‘De weg tot de opheffing van de oorzaak van duhkha’, zoals hij in de Vier Edele Waarheden van de Boeddha wordt genoemd, is de weg terug naar jezelf, het Ongeborene, de weg terug naar huis. In het samenvallen met onszelf stroomt ons leven weer en bevinden we ons in nirvana, ‘de onverstoorbare vrijheid van geest.’ Marga, de weg terug naar onszelf, valt in acht verschillende oefeningen uiteen, het zogenaamde ‘Achtvoudige Pad’. De eerste oefening is het oefenen in de juiste zienswijze.

Het woord samyak, dat als ‘juiste’ wordt vertaald, betekent letterlijk samenvallen met. Het woord sam is etymologisch verbonden met het Engelse woordje same, ‘het zelfde’ en het woord yak komt van de Sanskriet wortel yuj, waarvan het woord yoga is afgeleid en dat ‘verbinden met’ betekent. Het woord ‘juiste’ heeft derhalve geen ethische implicaties, maar betekent eerder: ‘dit klopt, dit is precies wat ik ben.’ De ‘juiste zienswijze’ is derhalve geen zienswijze, of beter gezegd, aan geen enkele zienswijze vasthouden en geen denkbeeld fixeren.

Anders gezegd is elke zienswijze die in de gegeven situatie opkomt de juiste zienswijze. Ze komt immers uit onze diepe en fundamentele verbondenheid met de situatie voort. Pas wanneer we ons aan deze zienswijze vasthouden of deze zienswijze laten prevaleren boven andere zienswijzen, dwalen we af van de situatie waarin we ons bevinden en dwalen we dus af van onszelf. Er vindt een scheiding plaats in ons bestaan, we scheiden ons af van onszelf en precies dit leidt tot duhkha, het stokken van ons bestaan.

De beoefening van ‘juiste zienswijze’ is het beoefenen van een flexibele geest, ‘een geest die nergens verblijft’, zoals het in het Diamant-soetra wordt genoemd. Toch zullen we in de praktijk niet altijd aan dit niveau van beoefening toekomen. We zullen in eerste instantie moeten werken met onze ‘wijzen van zien’, onze diep ingesleten patronen, waardoor we bepaalde situaties altijd op dezelfde wijze zien. Door ons bewust te worden van hoe we ons situaties voorstellen, welke wijze van zien automatisch op een situatie wordt geprojecteerd en gefixeerd, worden we ons bewust van wat we zelf altijd in een situatie inbrengen en kan dit herhaaldelijk in het licht treden van ons denkpatroon ons denkpatroon minder hard maken, meer transparant. Hiertoe zullen we wel steeds dicht bij onszelf moeten blijven, bij het Ongeborene en de situatie zoals ze uit het Ongeborene oprijst. Vanuit de openheid van het Ongeborene wordt de dwangmatigheid van onze wijze van zien steeds duidelijker, net zo lang totdat we onszelf de gelegenheid geven de situatie nu eens op een geheel andere wijze te zien, namelijk vanuit de ogen van de situatie zelf.

Wanneer we ons de situatie voorstellen vanuit de ogen van de situatie zelf, ontvangen we op dat moment en voor zolang als het duurt, een ‘juiste zienswijze’, een accurate articulatie van wat zich voordoet. De rest is beoefening. Het tergend langzaam onze patronen van denken in het licht laten treden en elke zienswijze die zich aandient laten voor wat ze is.

Boeddha’s basics 4: het doel

‘Er is, monniken, die sfeer waar aarde noch water noch vuur noch wind is; noch de sferen van oneindige ruimte, oneindig bewustzijn, nietsheid en noch voorstelling noch geen voorstelling; noch deze wereld noch een andere wereld noch zon en maan beide. Daar monniken, zeg ik, is er geen komen en geen gaan, geen blijven, geen verdwijnen, geen opkomen. Zij is zonder stilstaan, zonder voortgaan, zonder enige grond. Dit is voorwaar het einde van het lijden. (…)

Monniken, er is het ongeborene, het ongewordene, het ongemaakte, het ongeconditioneerde. Monniken, als dat ongeborene, dat ongewordene, dat ongemaakte, dat ongeconditioneerde er niet zou zijn, dan zou er hier (in deze wereld) geen ontspanning aan wat geboren, geworden, gemaakt, geconditioneerd is, zichtbaar zijn.’ Palicanon, Udana 80 -81.

‘In the Unborn, all things are prefectly resolved. I can give you a proof that they are. While you’re facing me listening to me speak like this, if a crow cawed or a sparrow chirped, or some other sound occurred somewhere behind you, you would have no difficulty knowing it was a crow or a sparrow; or whatever, even without giving a thought to listening to it, because you were listening by means of the Unborn. (…) The Ryumon-ji sermons, The Unborn, Zen Master Bankei, p. 40.

Het doel van spirituele pad is eenvoudigweg genieten. Eigenlijk is het vreemd dat we het doel van onze geestelijke beoefening zelden zo verwoord zien. En tegelijkertijd is het zo vanzelfsprekend. Als we in plaats van onze energie vast te zetten op een object in de toekomst en stoppen met voorbij aan onszelf te leven, dan keren we terug naar een ongehinderd functioneren vanuit het Ongeborene, waarin we worden gedragen en bewogen. We leven niet meer in een kramp, maar als een ‘soepel lopend wiel’, de etymologische betekenis van sukha, ‘vreugde’. Deze vreugde wordt niet door objecten van buiten ons leven geconditioneerd, maar zit in ons leven zelf, in ons ongehinderde functioneren. Wanneer we weer werkelijk met onszelf samenvallen, genieten we onszelf, ons leven en alles wat zich daarin aandient.

Niet alleen genieten we ons leven, maar we zien de dingen ook zoals ze zijn. We zijn niet meer gefixeerd op onze eigen harde oordelen en hermetische denkbeelden, maar bewegen ons flexibel van situatie naar situatie, van denkbeeld naar denkbeeld, van gedachte naar gedachte. Levend vanuit het Ongeborene, zien we alles wat zich daarin aandient, precies zoals het is: zo, open, onbepaald, sunyata, ‘zonder substantie’. Anderen en situaties komen niet van buiten, ze verschijnen in het Ongeborene, zijn niet gescheiden van mijn aanwezigheid op dit moment en dus intiem met mijn leven verbonden. Als ik terugkeer naar mezelf, keer ik terug naar de werkelijkheid, precies zoals ze is. Vanuit die werkelijkheid beweeg ik mee op wat zich aandient, afgestemd in gevoel en gedachten op wat er is en wat ik heb te doen. Dit terugkeren naar mezelf ondanks alles wat ik me onophoudelijk in mijn hoofd haal, tja, dat noem ik de ware levenskunst.

Zo levend, niet in een kramp, gescheiden van mezelf en gestrand in mijn eigen harde denkbeelden, maar vrij functionerend vanuit de eeuwigheid en openheid van het Ongeborene, word ik bewogen in vreugde en ontvang ik de schittering van alles wat is. Ik ben vrij om flexibel te bewegen van perspectief naar perspectief en geniet mijn intiem en aan den lijve ervaren. Ook als het allemaal niet meezit, is er voldoende innerlijke ruimte om mezelf nergens aan vast te pinnen. Totdat…

Totdat een oud patroon zichzelf weer uitrolt, ik vastloop in de oude, diepe sporen van bepaalde denkwijzen, ik mezelf andermaal afscheid van wie ik werkelijk ben en mijn energie vastzet in solide objecten buiten mijn leven in deze eeuwigheid. Nee, het doel is nooit voorgoed bereikt, maar het ligt hier, om telkens weer naar terug te keren.

Zeven Soefi-lessen die je pad kunnen verlichten

Kunnen deze leringen een heilige gids zijn in moeilijke tijden?

Verhef je woorden, niet je stem. Het is de regen die bloemen laat groeien, niet het onweer. – Rumi

Het eeuwenoude pad van het Soefisme, of Tasawwuf zoals het in de moslim wereld, bekend is, is de innerlijke dimensie van de Islam, in wezen de diepste islamitische mystiek. Soefi beoefenaars proberen de waarheid van goddelijke liefde en kennis te vinden door middel van een directe persoonlijke ervaring met de Geliefde. Het is een extatisch, diep toegewijd en vaak moeizaam pad, maar met enorme beloningen.

Soefisme is de weg naar God via gevoel en spiritualiteit, in plaats van via de rede, en viert de intieme relatie van de zoeker met Allah. De oude mystieke leringen en de gebruiken van de Soefi’s zijn tegenwoordig zeer relevant voor zoekers, en kunnen je helpen je spirituele beoefening te verdiepen, of je naar een nieuw niveau tillen.   

De oude leringen van het soefisme vieren een intieme relatie met het Goddelijke.

De vurigheid aanwakkeren

Sommige spirituele paden zijn vooral gericht op de geest, met oefeningen die streven naar het zuiveren van de mentale toestand, naar ingetogen gedachten, en het verkrijgen van een rustig evenwicht. Deze ‘verkoelende’, meditatieve oefeningen brengen gelijkmoedigheid, rust en helderheid van geest. De mystieke gebruiken van het Soefisme zijn hartstochtelijke uitingen, omdat ze vanuit het hart werken, en de hartstocht van gepassioneerde wilde liefde aanwakkeren.

Rumi vertaler Andrew Harvey een bekende spirituele leraar, geleerde en mysticus, beschrijft het Soefi-pad als volgt:

Het is een weg naar de kern van het hart, naar de uiterste directe intense ervaring van iemands heilige identiteit.

Maak hier kennis met de wijsheid van dit extatische en prachtige pad.

Liefde is de kern van de Soefi-traditie. Liefde is de oorzaak waarom wij hier zijn. We zijn allemaal op Aarde gekomen om te leren over de liefde. Er wordt gezegd dat naarmate we hogere liefde ervaren, en we leren om onszelf te openen voor het geven en ontvangen van liefde, we ‘het gezicht van God’ zullen zien. We zien de vele gezichten van het Goddelijke in alles wat we tegenkomen, en in onszelf. Uiteindelijk bereiken we een fase waarin we de ‘vele’ niet meer zien, en in plaats daarvan alleen de Ene zien.

“Soefi’s zeggen dat de hele reden van de schepping is dat het volmaakte Wezen Zichzelf wilde leren kennen. Hij deed dat door de liefde van Zijn natuur op te wekken, en om van daaruit Zijn object van liefde te creëren dat schoonheid is. Vanwege deze betekenis groeten derwisjen elkaar door te zeggen: “Ishq Allah Ma’bud Allah” – “God is liefde en God is de geliefde”. 

  1. Geef je over aan Liefde

Soefi’s praten over het vernietigen van zichzelf in de Geliefde door het pad van liefde te bewandelen. Dr. Javad Nurbankhsh van de Nimatullah Soefi Orde zegt in een van zijn verhandelingen dat menselijke liefde kan worden onderverdeeld in drie basiscategorieën. De eerste vorm van liefde is vriendschap, gebaseerd op sociale conventies, waarbij twee mensen zich ten opzichte van elkaar gedragen volgens het principe:

Ik voor mezelf, jij voor jezelf; we houden van elkaar, maar we hebben geen verwachtingen van elkaar.

Deze vorm van liefde is die van gewone mensen, van wie de liefdesrelatie meestal van deze aard is. De tweede vorm van liefde is gebaseerd op een meer solide basis. Degenen die zo samenleven, ervaren meestal dit soort liefde:

Ik voor jou, jij voor mij; we houden van elkaar, we hebben wederzijds verwachtingen van elkaar.

Deze vorm van liefde omvat diepgaande liefde, en is ongeveer gelijk aan de liefde die in de meeste gezinnen bestaat. Geven en nemen zijn dan min of meer met elkaar in evenwicht.

De derde soort liefde overstijgt alle conventies op basis van wederzijdse verwachtingen, en is gebaseerd op het volgende principe:

Ik ben er voor jou, jij bent voor wie je ook maar kiest; Ik accepteer je zonder enige verwachting.

De Soefi reageert met liefdevolle vriendelijkheid op wie hem schade berokkent, want hij ziet alles in zichzelf en zichzelf in alles, en daarom wordt er gezegd dat de hoogste vorm van menselijke liefde ‘Soefi-liefde’ is.

Soefisme vraagt ​​om ​​overgave van verwachtingen om een ​​transcendentale liefde te bereiken.

  1. Zing de Goddelijke Naam

Veel spirituele gebruiken houden zich bezig met het zingen van de goddelijke naam, als onderdeel van spirituele beoefening voor het verkrijgen van goddelijke eigenschappen en het zuiveren van de geest. In de Hindoe-religie wordt met het chanten van de 108 namen uit oude geschriften het goddelijke bejubeld, als de beste manier om met uitdagende tijden om te gaan.

Harten worden rustig door de herinnering aan Allah. – Koran 13:28

Mantra-chanten of zikrs zingen helpt je te focussen en je geest te ontwikkelen. Er wordt gezegd dat het beoefenen van mantra chanten je vibraties transformeert, je chakra’s en de geest activeert, en je lichaam en geest naar een hogere staat van bewustzijn verheft.

Het Soefisme gaat nog een stap verder met meer extatisch gezang dan de meeste andere tradities, en voert ook rituele dansen uit. Beoefenaren gaan op in de ritmische herhaling van de naam van God en van Zijn kwaliteiten. Deze herinnering aan het goddelijke vult je leven met heiligheid en richt de focus op hogere wijsheid, weg van de kleinzielige zorgen van het zelf. Sommige prachtige Soefi-mantra’s zijn: La ilaha illa’llah, er is niets anders dan God, en de mantra: God is liefde, minnaar en geliefde: Ishq allah mahbud lillah.

Soefi’s beoefenen Dikhr, de devotionele beoefening van de herdenking van God. Dikhr wordt uitgevoerd door het herhaald aanroepen van de namen en kwaliteiten van God, en is gebaseerd op het Koran vers waarin God zegt: ‘Herinner mij en ik zal me jou herinneren’ . Dit wordt individueel of in groepen beoefend. God is liefde, minnaar en geliefde. Ishq is het woord voor deze vurige toewijding, en voor de liefde die de zoeker heeft voor het Goddelijke. Soefi’s praten over dronken worden van goddelijke liefde.

  1. Werk met Je dromen

De oude Soefi’s wendden zich tot hun dromen voor het verkrijgen van leiding, helderheid en wijsheid. Het was een belangrijk hulpmiddel om hen te helpen op hun spirituele pad. De Soefi-traditie kent een goed ontwikkelde filosofische psychologie, waaronder droominterpretatie.

Als we slapen keren we terug naar waar we vandaan kwamen. We rusten in de armen van inspiratie. Het is een krachtige toestand voor spirituele groei, genezing en herstel. We worden opnieuw onschuldig, en als we wakker worden hebben we misschien een duidelijk antwoord op veel van de uitdagingen van ons leven. Neem de tijd om je dromen te onthouden als je wakker wordt. Door dromen te delen met anderen, krijg je meer inzicht in de wijsheid die je droomstaat je te bieden heeft. De droomwereld is een belangrijke poort naar het Goddelijke en naar hogere leiding. De Soefi-benadering van droomwetenschap is om je dromen te delen met een spiritueel leraar die jou een goddelijke interpretatie van je dromen kan geven, in plaats van te vertrouwen op alledaagse interpretaties.

Soefi’s gebruiken droominterpretatie voor spirituele groei, genezing en wijsheid.

  1. Doe mee met toewijding en eerbetoon

De essentiële boodschap van het Soefisme is om God te gedenken en om anderen te dienen. De daadwerkelijke praktijk van toewijding is dienstbaarheid. Als je de Geliefde wilt dienen moet je ook anderen dienen. In onbaatzuchtige dienstbaarheid beginnen we onszelf duidelijk te zien. Het ruwe ego begint af te vlakken en we leren nederigheid, tederheid en liefde. Harde oordelen, arrogantie en verdelende eigenschappen verwateren in de rivier van onze intenties om anderen te kunnen helpen. De tweelingzuilen van het Soefisme zijn onbaatzuchtige dienstbaarheid en liefde. Alleen iemand die liefheeft, kan dienen.

De Soefi houdt van God, en net als elke andere minnaar bewijst hij zijn liefde door voortdurende herinnering aan zijn Geliefde. Deze constante aandacht voor God heeft twee effecten: de ene naar buiten toe en de andere naar binnen. – Dr. Javad

  1. Verdiep je in Rumi

Jouw taak is niet om naar liefde te zoeken, maar vooral om alle barrières in jezelf op te zoeken en te vinden die je er tegen hebt opgericht. – Rumi

De belangrijkste Soefi-dichter leefde in de 13e eeuw, Jalaluddin Rumi. Rumi geloofde hartstochtelijk in het gebruik van muziek, poëzie en dans als een pad om God te bereiken. Voor Rumi hielp muziek toegewijden om hun hele wezen op het goddelijke te richten, en om dit zó intens te doen dat de ziel zowel werd afgebroken als opgewekt. De praktijk van wervelende derwisjen ontwikkelde zich tot een ritueel.  Deze ideeën en Rumi’s onderricht, vormden de basis voor de orde van de Mevlevi. In de Mevlevi-traditie onderneemt de zoeker een mystieke reis van spirituele opgang naar God door de transformatie van geest en hart. Hij groeit door liefde en bevrijdt het ego, zet zich in om de waarheid te vinden, en keert daarna terug om de hele schepping van dienst te zijn.

Rumi is altijd een zeer invloedrijke figuur geweest in het Oosten. Zoals Andrew Harvey, Rumi-vertaler en auteur van The Way Of Passion: ‘A Celebration Of Rumi’, wijst op:

Zijn odes werden eeuwenlang door groepen op bedevaart, en met de grootste eerbied, gedeclameerd. Van Tanger, Caïro, Lahore en Sarajevo, naar nederige afgelegen dorpen in Afghanistan, Turkije, Iran en India. Geen enkele andere dichter in de geschiedenis, zelfs Shakespeare of Dante, heeft zo’n verheven en alomvattende invloed gehad.  

Andrew Harvey gelooft dat Rumi onze heilige gids is voor de verwarde wereld van vandaag en dat hij degene is die ons kan verlossen van het kwaad van het kapitalistisch materialisme. Hij ziet Rumi als:

… een essentiële gids voor de nieuwe mystieke renaissance die worstelt om in deze tijd geboren te worden. Hij is de spirituele inspirator voor de 21e eeuw.

Voel je niet eenzaam, het hele universum zit in je. – Rumi

  1. Sterven voor je sterft

Soefi’s houden van het leven en maken geen onderscheid tussen de aspecten van het leven die ze zouden moeten vieren. Alles in het leven is een reden om te vieren. Voor een Soefi kan elk moment het laatste moment zijn. Het is dus belangrijk om in heel het leven aanwezig te zijn, en te leven alsof je op dit moment dood zou kunnen gaan. Met een zuiver hart, je goede acties en je innerlijke vrede.

Een soortgelijke overtuiging is te vinden in de Tibetaanse leer over leven en dood. Soefi’s geloven dat God ons de kracht kan geven om ons ego te doden, en er voor te zorgen dat we ‘sterven voor we sterven’. In essentie is dit een lering over het leven eren, en te leven met dankbaarheid en nederigheid.

Het Soefisme leert ons om op elk moment aanwezig te zijn en diepe dankbaarheid voor het leven te hebben.

  1. Eer het Goddelijke Vrouwelijke

De vrouw is de uitstraling van God; zij is niet jouw geliefde. Zij is de Schepper – je zou kunnen zeggen dat ze niet is geschapen. – Rumi

Het Soefisme heeft altijd het Goddelijke Vrouwelijke geëerd. Het is een esoterisch aspect van een naar buiten toe gerichte patriarchale religie. In feite staat het Goddelijke Vrouwelijke in het centrum van de Islam. Sommigen zeggen dat zij het medelevende hart van de Islam is. Het Goddelijke Vrouwelijke in de Islam manifesteert zich metafysisch, en in de innerlijke expressie van de religie. Als we het Goddelijke Vrouwelijke eren, stellen we ons open voor het ontvangen van hogere wijsheid.

Het Soefisme koestert het esoterische geheim van de vrouw, ook al is het Soefisme het esoterische aspect van een ogenschijnlijk patriarchale religie. Moslims bidden vijf keer per dag in de richting van de stad Mekka. In elke moskee is een nis, of uitsparing, die Mihrab wordt genoemd – een verticale rechthoek die aan de bovenkant is gebogen en naar de richting van Mekka wijst. De Soefi’s weten dat de Mihrab een visueel symbool is van een abstract concept: de transcendente vagina van het vrouwelijke aspect van het goddelijke. – Laurence Galian

De moskee-uitsparing, of Mihrab, is een visueel symbool van het eren van het Goddelijke Vrouwelijke.

Het Echte Werk gebeurt in het Hart

Rabia Basri was een vrouwelijke islamitische heilige en Soefi-mystica, en wordt herdacht als een van de grote heiligen van de 8ste eeuw.

Het echte werk is in het Hart. Maak je Hart wakker! Omdat wanneer het Hart helemaal wakker is, het geen Vriend nodig heeft. – Rabia Basri

De oorspronkelijke Soefi waren mystici die een vrome vorm van de Islam volgden, en die geloofden dat een directe, persoonlijke ervaring van God kon worden bereikt door meditatie.

Met zoveel mensen die in de wereld op drift zijn, biedt het Soefi-pad een koers terug naar hereniging met de Geliefde. In deze zoektocht vervallen de verschillen tussen de religies, en zijn er uitsluitend de minnaar en Geliefde.

Mijn hart is in staat geweest om elke vorm aan te nemen: het is een weiland voor gazellen en een klooster voor Christenen, en een tempel voor afgoden en voor de pelgrims Ka’ba, en de tafels van de Thora, en het boek van de Koran. Ik volg de religie van Liefde: welke weg de kamelen van mijn Geliefde ook nemen, dit is mijn religie en mijn geloof. – Ibn Arabi

 

Bron

Auteur: Azriel ReShel

Vertaling: Hansjelle Dijkstra

Derwisj ben ik, dansende derwisj – gedichten van Halil Gür

Gaziantep

 

Misschien ben ik één, misschien wel

duizend keer op aarde gekomen in dit leven,

een spel van boven, zo maar naar beneden

naar de aarde terug, met een plan

een doel, een drang in ons

dat uit te voeren en weer weg te gaan.

Terwijl mijn ziel zich bevrijdde in de sema,

vond ik in de eeuwige wieg van het heelal

een huis voor mezelf, ik had geluk.

Vele huizen had ik, op vele sterren heb ik een leven opgebouwd.

 

Als ik opnieuw als kind geboren word,

wil ik naar ditzelfde leven terug,

naar de Valei van de Vlinders, naar de groene oase.

Wanneer je van boven op de hemelshoge, vlindervleugelige heuvels neerkijkt,

kun je het  wonderschijnend blauwe en glasheldere water zien,

de Middellandse Zee die zich uitstrekt tot in de oneindigheid.

 

Daarom hijs ik iedere zomer de zeilen

op het grenzeloze water daar in Ölüdeniz.

Ik ben jong, heb nog vele jaren voor me, het is lente, zomer.

 

Maar bij het ouder worden,

als ik me terugtrek uit dit leven vol glitter, glamour en vermaak,

wil ik mijn laatste dagen doorbrengen

hier in het Gaziantep van mijn jonge jaren.

Waar het leven vol zon is,

en waar groene pistachenootjes groeien in overvloed.

 

Een druppel

 

Een druppel water zijn we op deze aarde,

voortgekomen uit de altijd volle oceaan van de heilige geest.

Ook jij bent een druppel.

Het water is zee, dat ben jij.

 

Duizenden druppels komen samen en stromen voort.

Op het kruispunt van geloof komen taal en klank tot leven.

Waar liefde en lijf elkaar ontmoeten,

voorbij de dierlijke instincten is een land

waar gevoelens dieper, steeds dieper gaan.

Het is heel puur, een sterk gevoel want

tussen lijfelijke en goddelijke liefde

bestaat maar een uiterst dunne lijn.

 

Tegenover mij, als een ketting, aaneengeregen bergen

heldergroen, paars en roze gekleurd.

Liefde die het lichaam doet leven.

Ik draag het heldergroene kleed van bergen en dalen.

Dwalend door alle hemels, verliefd op hun beelden,

over de pieken van de bergen waar mijn ziel geboren werd.

Ik wieg heen en weer en blijf zingen.

Desnoods zal ik als de grote meester Jezus

op mijn blote voeten lopen over zee.

 

Derwisj

 

Derwisj ben ik, een dansende, draaiende derwisj,

een landloper ver van huis, dat stond geschreven in mijn lot.

Blootsvoets blijf ik zwerven, helemaal doorgedraaid.

Ik blijf maar draaien, gekleed in mijn katoenen doodskleed,

op mijn hoofd mijn kroon, die tegelijkertijd mijn grafsteen is.

ik draai, ik draai maar door,

een minnaar van God.

Iedereen mag alles van me weten, ik voel geen wrok,

mensen zijn de sleutel tot elkanders hart.

De hele wereld mag weten dat ik in Amsterdam

de zoete drank der liefde dronk.

 

Derwisj ben ik, een dansende, draaiende derwisj.

Voor iedereen ben ik een open boek.

Ik brand van goddelijke liefde

en draai onder het gewelf van de hemel rond.

Blootsvoets dwaal ik,

de behoeftigen wil ik helpen verlichting te vinden.

Een landloper ben ik, een derwisj die de sema danst,

een wijzer van de weg.

Voor de mensen wil ik een voertuig zijn

op de weg naar hun bestemming, de bron van het leven.

Aan één stuk door drink ik de wijn van de liefde,

aan God geef ik en van God neem ik.

Suikeroom is mijn werkelijke naam, ik ben een derwisj.

 

Van liefde gloeiend

 

Iedereen op aarde lijdt,

hongert naar liefde, verlangt.

Ikzelf denk aan de wind

en laat me meevoeren op de winden van verandering.

Plotseling bevind ik me in de lucht

op de top van de berg Ararat

bedekt met wolken, als een bruidssluier die de berg omhult.

Onder mijn voeten een tapijt van sneeuw.

 

Als de zon wil ik zijn.

Steeds weer ontbloot ik het gezicht van de bruid.

Ik kijk hoe de zon in het diepste geheim

de hemel bemint

de hemel de aarde

de bergketens de rotsen

de aarde de planten

de wind de bomen

en de golven het zand in de zee.

 

Een baarmoeder is Moeder Aarde,

Gaia in staat van heilige verrukking.

Zonder ophouden bemint zij, voortdurend,

deze planeet is vol liefde.

In de vallei zingt een nachtegaal.

 

Ach, dat windje, waar komt het plotseling vandaan?

Het raakt me, streelt me, dwaalt rond over mijn gezicht,

zacht en warm als een jong katje op mijn huid.

Het is of ik haar liefde voel,

de kus van de regen op mijn hoofd.

Hoe vurig mint zij de aarde.

Waterdruppels flirten

met de bladeren van de bomen.

 

Dan nodigt het vuur van de zon mij uit.

De golven van de Middellandse Zee roepen mijn lichaam naar zich toe.

Ik strek mij uit onder de zon op het zand.

Overal zal ik haar kussen voelen,

me wellustig wentelen in haar liefde,

me overgeven als een dolfijn,

aan het water dat ons levensbloed is,

aan de wiegende armen van Moeder Aarde,

aan de kust die mijn lichaam vurig bemint.

 

Een Nieuw Jeruzalem

 

Wat we geest en leven noemen,

is een eeuwige vlam

waar doorheen de Godheid zich verweeft,

om met de gegeven codes het lijden uit het verleden te genezen

en door de Goden te worden herkend.

Waarom roep je op de plek waar je wegvalt

niet uit dat je eeuwig bent en je leven geen einde kent?

Is de mens geen liefde?

 

Wij allen, jij en ik zijn de Eerstontwakenden,

de oude zielen van de wereld,

laat liefde ons met elkaar verbinden.

Verwacht de renaissance die komen gaat,

wedergeboorte,

een nieuwe Zonnetijd.

De mensheid staat op de drempel van

een Nieuw Jeruzalem, een nieuw begin.

Ooit is hij uit Gods gratie gevallen,

een engel was hij, die een duivel werd,

Lucifer, de Heer van het Duister.

 

Ach, mijn liefste, laat je toch meevoeren

met de wind van een nieuwe geboorte.

De zon is de dirigent van het grootste orkest.

Uiteindelijk zal de mens losbreken van het duister

en stralen als een flonkerend baken van licht.

 

In het bloed dat door onze aderen stroomt,

zal het meesterschap van ons DNA zich openbaren.

De zon zal opnieuw geboren worden,

het Kwaad verbrandt in het vuur van de waarheid.

Het zal een werkelijke Wedergeboorte zijn.

In een ‘oogwenk’ van de Heilige Geest

wordt iedereen een vuurtoren van stralend licht,

want een hand die streelt is sterker dan een geweer.

 

Ontsteek jouw eigen licht, de energie van het Nieuwe Jeruzalem,

laten we samen een katalysator voor vernieuwing zijn.

Een vuurtoren veroordeelt niemand,

ook niet de golven die tegen hem beuken.

Hij vreest noch het duister noch de storm.

Hij vreest niet, want hij weet zich veilig,

bewust als hij is van zijn eigen bestaan.

Al sneeuwt het, is het winter of valt er regen,

ook in stormachtig weer streeft hij ernaar

zijn licht voortdurend te verspreiden

om iedereen naar een veilige haven te leiden.

Vast en zeker zal er ooit vrede zijn op aarde.

We zullen in Iran, Afrika, Palestina en Israel

overal blije gezichten zien.

Mensen die lachen en vreugde tonen,

dat is waar we allemaal van dromen.

We dromen dat het onmogelijke mogelijk wordt maar, ik zweer het:

we staan op de drempel van een Nieuw Jeruzalem.

Heel snel nu zullen tranen van vreugde stromen over ons gezicht.

 

Een kleine selectie uit de bundel Derwisj ben ik, dansende derwisj – gedichten van Halil Gür

Uitgeverij De Muze
www.uitgeverijdemuze.nl
tel: 0627033182

Boeddha’s basics 3: de epistemologische oorzaak

De zeventiende-eeuwse, Japanse zen meester Bankei Yotaku spreekt in zijn Ryumon-ji voordrachten (The Unborn, p. 56) op een ongekend heldere wijze over ons bevangen raken in onze concepten, oordelen, denkbeelden en verhalen. Het creëren van onwetendheid en illusie is de epistemologische oorzaak van duhkha, ze heeft te maken met wat we kennen en weten en in het bijzonder met onze onvermurwbare kennis en ons hard geworden weten.

Bankei analyseert ons creëren van illusie als volgt. Allereerst is er de ervaring zoals ze is, de ontmoeting met de ander, het zich voordoen van een situatie. Beide rijzen op uit het Ongeborene, zoals Bankei het noemt, ze ontstaan niet, ze komen niet, ze zijn er eenvoudigweg, ‘binnen’, niet onderscheiden van ons bestaan op dat moment en ze zijn zo, precies wat ze zijn, onbepaald, pre-reflectief, voorwoordelijk.

Dan treedt de natuurlijke beweging van ons bewustzijn op. We realiseren ons iets, de ander, de situatie die zich in onze aanwezigheid voordoet en dit is altijd dualistisch. Daarmee plaatsen we de ander of de situatie buiten onszelf. We zijn er nu van gescheiden. Vervolgens projecteren we een concept, oordeel, denkbeeld of verhaal op de ander of de situatie. Datgene dat van ‘buiten’ af op ons toekomt, doet ons denken aan iets soortgelijks, dat we in ons verleden hebben meegemaakt, of waarover we kennis menen te hebben. Bij de ander denken we: ‘Ah, dat is er zo een’, en plakken een oordeel op de ander zoals die is. Bij de situatie die zich aandient, denken we, ‘dit heb ik eerder meegemaakt, dit zal zich zus of zo voltrekken.’ Dit projecteren gebeurt vrijwel altijd volgens de strenge en diep ingesleten sporen van onze denkpatronen, onze gewoonte mensen en situaties nu eenmaal zo te zien en niet anders (onze ‘wijze van zien’, Sanskriet: drsti).

Wanneer we dit oordeel over de ander, of ons verhaal van de situatie fixeren, vastpinnen en vastleggen, en denken ‘zo is het’, dan identificeren we de onbepaalde en intieme oorspronkelijke ervaring met een bepaald en beperkt oordeel, denkbeeld of verhaal. Vervolgens maken we dit oordeel of verhaal tot realiteit en solidificeren daarmee onze eigen gedachteconstructie. Vanaf dit moment bevinden we ons in een illusoire werkelijkheid. We zijn bevangen en onwetend.

Als we vervolgens onze energie richten op en vastzetten in zo’n hermetische gedachtenconstructie die we zelf tot werkelijkheid hebben gemaakt, verliezen we onze openheid en functioneert onze energie niet meer vrijelijk. We hebben geen contact meer met het Ongeborene, de bron, ons thuis, ons zelf en niet meer met de werkelijkheid zoals ze is. Ons leven verkrampt in hard geworden oordelen en denkbeelden, solide bakens die we ofwel najagen, ofwel uit de weg gaan. We zijn niet meer in staat om ons leven en wat zich daarin op intieme wijze aandient te genieten en waarderen.

Boeddha’s basics 2: de energetische oorzaak

‘Monniken, alles brandt. En wat betekent het dat alles brandt?

Het oog brandt, zichtbare vormen branden, het visuele bewustzijn brandt, gezichtsindrukken branden, en ook elke aangename, onaangename, of noch aangename, noch onaangename gewaarwording die vanuit de gezichtsindrukken ontstaat, brandt. Brandt door wat? Brandt door het vuur van begeerte, door het vuur van haat, door het vuur van waanideeën, ik zeg dat het brandt door geboorte, ouderdom en dood, door zorgen, weeklagen, pijnen, smart en wanhoop.

Het oor brandt, geluiden branden, het gehoorbewustzijn brandt… De neus brandt, geuren branden, het geurbewustzijn brandt… De tong brandt, smaken branden, het smaakbewustzijn brandt… Het lichaam brandt, tastbare objecten branden, het tastbewustzijn brandt… De geest brandt, gedachten branden, het mentale bewustzijn brandt… Brandt door wat? Brandt door het vuur van begeerte…’

Adittapariyaya-sutta (De Vuurrede), Samyutta-nikaya 35, 28.

Alles brandt. Voor sommigen brandt het in het hoofd, voor anderen in de buik, voor weer anderen in de schouders. Wat we voelen is een wrijving, het schuurt, het wringt, de as van ons leven loopt aan. Waardoor brandt het? Het brandt door een krampachtig streven of najagen (Sanskriet: tanha), een vurig verlangen of begeren (Sanksriet trsna, ‘dorst’), dat niet onmiddellijk wordt vervuld. Dit in tegenstelling tot chanda, een verlangen of begeerte die op afzienbare tijd wordt vervuld en derhalve zonder agitatie of krampachtigheid is. Chanda betreft onze dagelijkse begeerten en seksuele lusten, deze leiden niet tot branden, schuren of wringen, maar wanneer wat we nastreven ver buiten ons leven zoals we het leiden wordt geplaatst, wordt onze energie daarin vastgezet, we verkrampen en dat brandt. Maar ons lichaam en onze geest branden ook door verzet en weerstand, het niet willen van wat is of het iets anders willen dan wat is. In beide gevallen, in ons krampachtig najagen en in onze weerstand en ons verzet, nemen we afstand van onszelf en vallen we niet met onszelf, ons leven precies zoals het is, samen. Dit schuurt. Dit wrijft. Dit wringt.

De energetische oorzaak van duhkha wil niet zeggen dat we niet mogen begeren of streven, of dat we ons niet mogen verzetten. Als het begeren, het streven of het verzet spontaan in een situatie waarin we ons bevinden opkomt, worden we geleid door deze ongehinderde energie die spontaan oprijst uit en terugkeert tot het Ongeborene. In het volgen van deze energie is niets gespleten.

Maar wanneer ik deze energie vastzet op een object in de toekomst, of mijn verzet richt op iets dat ik van mezelf afscheid, uitsluit en afscherm van mijn bestaan, dan stroomt de energie niet meer vrijelijk en treedt er een soort van energetische verzuring op. We gaan leven in een kramp. We vechten tegen waanideeën. We lijden aan een onvervulbaar verlangen. We leven geenszins meer vanuit de open ruimte die we wezenlijk zijn, maar binnen een zelf opgelegde beperking. We zijn in een voortdurende strijd met onszelf.

Boeddha’s basics 1: duhkha, ‘lijden’

De Vier Edele Waarheden uitgelegd aan onze tijd

De Boeddha was een meester in het formuleren van een zeer herkenbaar kader, dat ons spirituele leven en proces onmiskenbaar concreet maakt. Voor mij persoonlijk was het dit kader dat me wekte en een religieus verlangen bij me wakker maakte, eenvoudigweg omdat het over mij ging. Hoe zouden we op basis van de bronteksten dit kader voor onszelf in onze tijd kunnen duiden en praktisch toepasbaar maken? In ons onderzoek bespreken we eerst de vragen ‘wat?’ en ‘waartoe?’ in relatie tot onze spirituele beoefening en daarna de vraag ‘hoe?’

duhkha, ‘lijden’

‘De edele waarheid van het lijden is deze: geboorte is lijden; ouderdom is lijden; ziekte is lijden; dood is lijden; zorgen en geweeklaag, pijn, smart en wanhoop zijn lijden; de verbinding met wat onaangenaam is, is lijden; scheiding van wat aangenaam is, is lijden; niet krijgen wat je begeert is lijden – in het kort: de vijf skandha’s zijn lijden.’

Dhammacakkappavattana-sutta, Samyutta-nikaya 56, II.

Wat we onder duhkha kunnen verstaan is niet plompverloren ‘lijden’, dus fysieke pijn, verlies, onmacht, wanhoop. Duhkha betreft onze verhouding tot dit concrete lijden, waar we immers weinig aan kunnen veranderen. De bron van al wat bestaat, is de pijn van de wond die niet overgaat. Dit is helaas maar al te waar. Maar duhkha betekent etymologisch ‘slechte (dus) wagenas (kham)’, dus een niet soepel lopend wiel. Dit verwijst naar wat we doen met wat zich in ons leven onafwendbaar aandient, ‘de pijn van de wond die niet overgaat’. Het betreft ons terugdeinzen, weigeren te accepteren, ons vastklampen, met hand en tand verzetten en ons onbewust ontkennen.

Ik kan het ook geheel anders formuleren: zolang we niet werkelijk zijn wat we zijn, dus dat wat zich in ons leven voordoet en zolang we daar ook maar enige ruimte tussen scheppen, dan is er duhkha. Er ontstaat frictie wanneer en zolang we ons leven niet concreet aannemen zoals het is. En aannemen is altijd een fysieke daad, het is een in, met en door ons lichaam ontvangen van wat is, precies zoals het is. Amor fati. We zijn met heel ons wezen, fysiek, mentaal en emotioneel wat zich in ons leven aandient. Dan stokt ons leven niet meer, maar stroomt het. Totdat het weer stokt, omdat ik iets doe met wat ik wezenlijk ben.

Waar en wanneer ervaar jij concreet deze frictie in je dagelijkse functioneren? Ze is een kramp of spanning die zich in ons lichaam uitdrukt, een klem op de keel, een paard op de borst, een knoop in de buik, een band om het hoofd, een juk op de schouders… Ze komt in het holst van de nacht en zeurt je klaarwakker. Wat sluit je daar uit? Waarvoor deins je terug? Waar houd je aan vast?