…voor inspiratie, levenswijsheid en bezinning

Archive for the ‘Artikel’ Category

Een weg van bevrijding

Dit is een korte lezing die Hans Korteweg op 19 maart 2017 gaf voor Ekklesia Amsterdam in de Rode Hoed. De lezing vond plaats in het kader van zondagochtend vieringen. Voor de tekst van Hans is  psalm 42 geplaatst, deze psalm werd gezongen voorafgaand aan zijn verhaal en hij reageert daar als eerste op.

Zoals een hert reikhalst naar levend water,
dorst ik naar God, de levende God.

Ik ben zielsbedroefd,
ik denk aan U.
Al uw brandingen beuken mij
golven slaan over mij heen.

Zoals een hert reikhalst naar levend water,
dorst ik naar God, de levende God.

Levende God, mijn rots,
hebt gij mij vergeten,
waarom loop ik er haveloos bij,
gekweld en vernederd?

Zoals een hert reikhalst naar levend water,
dorst ik naar God, de levende God.

Moedeloos ben ik
opstandig zal ik op u wachten,
gij zijt mijn lijfsbehoud
gij zijt mijn God.

Zoals een hert reikhalst naar levend water,
dorst ik naar God, de levende God.

Een prachtige psalm (psalm 42) vind ik dat. Het is een van mijn lievelingsspalmen. Zowel de tederheid aan het begin, van het hert dat dorst en dus ook verdorst, als daarna ook de hardheid van de golven en de brandingen die over mij, over u, over jou heen slaan, waarin je wanhopig wordt en het niet meer ziet. En toch ben ik die wanhoop gaan herkennen als een in principe positieve wanhoop. Niet alleen in mijn eigen leven, maar ook in dat van mensen om me heen. Een wanhoop die tot ommekeer noopt. Een wanhoop die niet naar binnen toe doet zuigen, maar die in alle openlijke opstandigheid, ook in een openlijke hekel hebben aan mezelf, een beginpunt is, kan zijn, van een fundamentele verandering. Het is dezelfde wanhoop die in het verhaal van Jona een heel belangrijke rol speelt. Niet alleen in het gebed. Maar ook als hij aan boord van het schip tenslotte ontwaakt en beseft dat dit alles wat er gebeurt, deze weeën, deze storm op zee, en ik vergelijk het met weeën of met de plagen van Egypte, deze plagen en slagen hebben direct te maken met zijn bestaan en met zijn afwending van de weg die hem geboden werd. En in die wanhoop komt hij tot besef dat hij die plek, waar hij zich aan gehecht had, ik kan ook zeggen die plek van slaap, van gebondenheid, van zogenaamde veilige herhaling, dat hij die plek moest verlaten. En het is daarin dat hij ook aanbiedt dat ze hem weer moeten toevertrouwen aan dat element waar overheen hij probeerde te vluchten, te ontkomen, dat hij juist aan dat element moet worden overgeleverd. Omdat over de dingen heengaan, precies dat is wat de verslaafde probeert te doen. Over de dingen heengaan roept iets op, een tegenkracht, een wraak van de dingen die in opstand komen. De golven die gaan stormen en bewegen. Zo is het in dit verhaal dat ik nog niet eens een mythe noem, maar werkelijk een verhaal dat niet alleen gaat over een profeet maar zoals ik het zie, een verhaal dat gaat over iedereen. Want wat mij betreft is iedereen zo’n profeet die geroepen wordt om te gaan naar een punt waar hij liever niet wenst te zijn, vanuit zijn veiligheidsoverwegingen omdat hij juist op dat punt geen enkele referentie meer heeft. En juist op dat punt op niemand kan vertrouwen. Precies op dat punt wordt zijn uniciteit aangesproken. En wat is er enger dan dat je uniek bent, dat je bent zoals je bent, zonder dat je hoort bij een groep of bij een club, bij een gemeenschap. En het wonderlijke is dat wanneer je je uniciteit volgt, dat je dan opeens blijkt toegetreden te zijn tot een gemeenschap. Maar dat is van later zorg.
Eerst is er het element van angst, van terugtrekken. En wat ik net zei, dan vindt plaats dat hij in het water wordt geslingerd, maar de Midrasj, de mondelinge Tora, de mondelinge toelichting bij het boek Jona vertelt ook dat de schepelingen, ik zou ook kunnen zeggen de omstanders, hem eigenlijk niet in het water willen gooien. En wat ze doen, is hem tot zijn knieën erin laten zakken. Dan gaat de storm liggen en ze trekken hem er snel uit. Maar dan steekt de storm weer op en dan laten ze hem zakken tot aan zijn heupen en weer gaat de storm liggen. Ja dat zijn de lapmiddelen die we proberen. Waarmee we denken dat de storm níet door God gegeven is. En dat we die kunnen bezweren. Alsof de storm niet een weldadigheid is. Eigenlijk een weldadigheid die ons uit onze verdoving en slaap wekt.

Ik ben heel anders begonnen dan ik wilde. Dat komt omdat het lied me raakte. Ik had een ander begin en dat zal ik nu doen. Ik zal me even voorstellen. Wat ik nu deed is natuurlijk ook een voorstelling, je zou kunnen zeggen een veel non-verbalere voorstelling.
Mijn voorstelling is dit; zoals ik me voorstel in dit kader:
Mijn leven lang, zo lang ik me kan herinneren, zo vanaf mijn derde jaar, ben ik geïnteresseerd, gefascineerd geweest door patronen van gehechtheid en verslaving. Het heeft me van jongs af aan verbaasd, om maar eens wat te noemen, dat mijn vader zo ongelukkig was. Terwijl ik het zo’n lieve man vond. Zo’n tere, introverte, maar dat woord gebruikte ik toen niet, een tere, naar binnen gekeerde, wijze man. En dat hij die wijsheid niet tot leidraad kon laten zijn in zijn eigen leven. En ik zag hoe ongelukkig hij was in het werk dat hij deed, hij was zakenman, terwijl hij iets heel anders ambieerde en daarvan zei hij altijd ‘Dat kan niet’. En ik besefte al heel jong, en ik vocht erover met hem, dat wat plaatsvond een gehechtheid was en dat hij daarin iets verloochende, wat ik nu uniciteit noem, wat van hem gevraagd werd door het leven, door de levende God.

Ik ben geboren en opgegroeid in een familie waarin om het eufemisme van alcoholisten te gebruiken, iedereen ‘stevig dronk’. En ook stevig rookte, zoals ook andere dingen ‘stevig’ werden gedaan. Ik ben opgegroeid in een liefdevolle omgeving maar bijna iedereen was alcoholist. Bij mijn grootmoeder van moeders kant kon ik zijn zoals ik helemaal was, onbevangen, ook met mijn lelijke dingen. Zij zag mij. Mijn oma dronk eigenlijk de hele dag en is tenslotte daar aan ten onder gegaan. Zo was het met mijn hele familie. En toch, als ik daar nu op terugkijk dan zeg ik: ‘wat een training heb ik gehad, wat een geschenk. Wat een geschenk nadat ik zelf mijn eigen verslavingszucht onder ogen ben gaan zien. Anders dan mijn ouders, ik was in rebellie, ging ik geen alcohol drinken maar middelen gebruiken, daarmee stond ik aan de goeie kant van de streep. Daar raakte ik zo aan vast dat ik op een bepaald moment totaal in de vernieling kwam en in het water gegooid moest worden en godzijdank kreeg ik daar hulp bij van iemand die mij zag en die zag dat de verslaving een scherm was waarmee ik iets anders afdekte. Ik herinner me een punt in de jaren dat ik aan het afkicken was en weer terugviel, er was een punt, het is deze maand precies vijftig jaar geleden, dat ik zo’n ontzettende pesthekel aan mezelf kreeg, aan dat zoals ik was, die gedaante die ik manifesteerde, diepwanhopig was ik. En ik schreef een gedicht en daarin stonden de regels

De vragen waar ik voor vlucht
volgen als vogels het brood
hun snavels snijden mij vrij.

Dat was het gedicht. Op dat moment beaamde ik dat ik op de vlucht was. Ik was op de vlucht voor de werkelijke levensvragen. Voor dat wat van mij gevraagd werd. En ik werd op smartelijke wijze los gesneden van waar ik voor vluchtte en er vond een kentering plaats. Ik kon in vrijheid verdergaan.

En toen besefte ik als ik het oud evangelisch zeg dat ik ‘in zonde’ leefde. Maar zonde, zonde, wat is zonde? In mijn boeken en in mijn commentaar op Jona dat ik zelf schreef en ik heb ook een commentaar op het Johannesevangelie geschreven, daarin werd me duidelijk dat mij ook in mijn kinderjaren, gereformeerd, nederlands hervormd, wat zonde werd genoemd, als je dat letterlijk neemt, zowel in de Tenach, de joodse bijbel, als het Nieuwe Testament, dat de zonde in beide gevallen eigenlijk letterlijk betekent: het doel voorbij gaan. Er is een doel waar je op richt en de pijl gaat naast het doel. Dat is hamartano, dat is dat je je doel mist. Je kunt zeggen het is een misslag of misstap. Daarover zegt de Talmoed waarin rabbijnen in gesprek zijn over alles ‘één keer een misslag begaan is helemaal niets, want er is geen verslaving. Maar als je het twee keer doet dan denk je al dat het gewoon is. En dan zegt rabbi Akiba: om te beginnen komt de misslag binnen als een bezoeker. En na enige tijd als je de misslag blijft herhalen wordt hij een vaste gast in huis. En tenslotte wordt hij de heer des huizes. En ben jij een afgeleide en word je bestuurd door de misslag. Dan pas wordt de zonde zonde. En daarvoor is er geen zonde. Als tesjoewa er is, terugkeer, is de zonde geen zonde maar materiaal, lichtkracht voor de nieuwe weg die gevonden kan worden. Eigenlijk substantie van uniciteit, die wanneer hij vrijkomt, dienstbaar kan zijn aan het geheel.

Datzelfde zien we ook bij Jona gebeuren. We zien in het verhaal hoe Jona ingekeerd raakt. Hij daalt af, wordt er in het begin gezegd. Commentatoren wijzen er op dat wanneer er wordt afgedaald in de joodse bijbel er bijna altijd iets mis is. De zonen van Israël dalen af naar Egypte, naar het land van de dualiteit. En zo daalt Jona af, als de oproep komt, naar de andere kant. Afdalen betekent dat je dieper en dieper de dualiteit, de tweeheid in gaat en meer en meer het bewustzijn verliest en een afgeleide wordt van je vluchtweg. En zelfs op een bepaald moment, als je nog verder afdaalt, niet meer weet dat je vlucht. En Jona klimt op in het schip. Jona manifesteert wat er gaande is. Ook aangespoord door zijn directe omgeving. Dat geeft ook onze functie weer waar we verslaving of gehechtheid zien. Onze functie is om als de schepelingen te zijn. En te zeggen: ‘Wat is dat met jou, wat heb je gedaan tegen jouw god, tegen jouw levensbestemming?’ En Jona klimt op en wordt in de zee gegooid. Dat is niet afdalen. Hij komt in de golven. Die emoties die oprijzen, wat ik noem de wanhoopt, dat je gaat zien dat je in een herhalingspatroon zit en dat dat niet je diepere bestemming dient maar blijft volhouden vanuit een blinde drift, die je tot dan toe niet aan jezelf hebt toegegeven. Die gehechtheid, als je dat ziet, dan ben je aan het opklimmen. en wanneer je de schepelingen, zij die met jou in hetzelfde bootje zitten, er deelgenoot van maakt, dan til je op, dan word je wakker. En wat er dan gebeurt is dat je in zee wordt geworpen. Dan doet zich het wonderbaarlijke voor, ik heb er eens een afbeelding van gezien, van Jona, dan zie je twee handen. Een hand, de linkerhand gooit Jona in het water en de andere hand slokt hem op in het water. En het is duidelijk dat het de handen zijn van de levende God. Die een einde maakt aan de continuïteit, aan datgene dat geen liefde brengt. en daarin wordt hij opgeslokt en daarin wordt hij verduisterd. En in de verduistering wordt hij, worden wij, teruggebracht tot het punt dat alles wat je tot nu toe hebt gedaan, futiliteit was, leegte was, en waarin je merkt dat alles wat je gebouwd hebt op een bepaalde manier niet dienstbaar was. Het is in dat punt dat de positieve wanhoop vorm aanneemt. Het is een zelfmoordende wanhoop. Het is een wanhoop waarbij je je ziel openklapt voor de Eeuwige en tegen de Eeuwige zegt, dat prachtige woord dat Leonard Cohen ook zingt op zijn laatste plaat ‘Hineni’, hier ben ik. In de oorsprong betekent het Zie mij. In dat aanbieden, alle vissen in mijn zee, alles wat ik ben, ik overdek niets meer, is alles, alles zichtbaar. Daarmee wordt de weg naar de bestemming geopend. Doordat de erkenning er is dat ik mezelf niet aan mijn haren uit het moeras kan trekken en dat er een wonder geschied is, ook al heb ik er hard voor gewerkt. Het wonder van de redding. Dat wil wat mij betreft zeggen dat aan uniciteit gekoppeld is dat we onszelf niet kunnen redden. Dat we in waarheid kunnen zijn zoals we zijn. Kunnen spreken zoals we zijn. En dat we daarin geen enkele macht hebben en tot de weerlozen behoren wanneer we uniek zijn, wanneer we zijn zoals we zijn. En dat het aan de Eeuwige is om ons al dan niet op te nemen.

In die ervaring van gered zijn gaat Jona op weg naar Ninevé om te vervullen wat hij vanaf het begin had kunnen vervullen. en ik ben blij dat hij het niet vanaf het begin heeft vervuld. Want het is zo’n prachtig verhaal.
Het is maar goed dat Adam en Eva het paradijs hebben verlaten. Het is maar goed dat dat alles is gebeurd want anders was de bijbel misschien drie hoofdstukken groot geweest. Hadden we hem nooit gelezen trouwens. Daarin doen zich aan ons, aan mij, die wonderlijke twee vragen voor:
Ben ik nou Jona, of ben ik nou Ninevé? Ik, nu hier sprekende, ben natuurlijk Jona. Maar vannacht werd ik wakker en een stem zei: En het woord van Geeske geschiedde tot Hans Korteweg, de zoon van Johan Heinrich Korteweg, zeggende: maak u op, ga naar de grote stad Amsterdam en predik tegen haar. Ben ik dat nou?
Of ben ik Ninevé, die grote stad, waar de profeet steeds weer tegen spreekt en waarvan ik zeg, veel sneller dan de profeet overigens, ja, uw werkelijkheid is de mijne. De profeet die de boodschap brengt, blijft nog lang gramstorig. Hij is boos en verontwaardigd omdat er geen vernietiging plaatsvindt vanuit zijn rechtschapen besef, terwijl Nineve al lang is omgekeerd.
Ben ik nou Ninevé, ben ik nou Jona? Bent u nou Ninevé, bent u nou Jona?
Ja beide.

En daarmee doet zich nog een vraag voor. En daarmee vat ik samen.
Het werd me duidelijk in mijn leven en het werd me duidelijk bij de voorbereiding hierop, dat verslaving een verdediging is tegen de roeping, de unieke levensopdracht die we hebben, heel concreet in een bepaald iets op een bepaald punt in ruimte en tijd. Iets wat alleen ik kan doen, iets wat alleen jij kan doen. En waar we de roeping niet aangaan om dat unieke te zijn, daar is verslaving en gehechtheid, aan banen, aan partners, vrienden, gedachtesystemen, aan voorkeuren, antipathieën, aan bumperkleven, aan stoffen, aan wat dan ook, verwerping van bevolkingsgroepen, al die gehechtheden zijn een verdediging tegen te zijn wie je bent in het licht van de Eeuwige.

Ik dank u

Er zijn veel uitgewerkte lezingen (PDF) van Hans Korteweg te vinden in de winkel. Klik voor de lezingen hier.

Je kunt de blogs van Hans Korteweg lezen op: http://www.dekorteweg.nl/

Hoe Cijfers Je Toegang Geven tot Balans en Harmonie

Cijfers¹
Hoe zit onze wereld eigenlijk in elkaar? Waarom werkt Feng Shui met vijf elementen en Nine Star Ki met de negen verschijningsvormen van die vijf elementen? Waarom kan het dat deze twee methodieken op zo verrassend eenvoudige wijze disharmonie kunnen detecteren en harmonie kunnen herstellen? Hoe is het eigenlijk mogelijk dat ons leven, onze wereld slechts in een aantal cijfers is samen te vatten?

Naar aanleiding van een vraag van een mijn oud-studenten heb ik getracht deze in kort bestek te beantwoorden. Om daar te komen waar het allemaal samenvalt, begin ik bij het begin. Daar waar niets is en alles. Ik begin bij de 0.

Nul – 0
Nul wordt gezien als het niets, de leegte. Maar ook de oneindigheid en het alles. Het is een cijfer waar we weinig mee kunnen omdat het onmetelijk is en ook niet deelbaar of vermenigvuldigbaar. Het is, en dat is het. Misschien kun je wel zeggen dat het een cijfer is dat onmenselijk is. Immers niets in het leven van een mens is ooit 0.

Een – 1
De 1 wordt beschouwd als ‘die ene’, de ongekende. Het is ‘de punt’ die gezet wordt als aanzet tot een beweging, zoals je de pen op het papier zet om een verhaal te schrijven. Die aanzet vormt een zichtbare punt. De 1 vertegenwoordigt de singulariteit: een punt met oneindig grote dichtheid en oneindig klein volume. Immers in de punt die je pen op het papier zet, ligt een heel verhaal, een heel boek besloten die zo verdicht is dat er slechts een punt zichtbaar blijft. Singulariteit wordt beschouwd als een bijzondere gebeurtenis waarop de geldende natuurkundige wetten niet meer toegepast kunnen worden en ook ontoereikend zijn om dit fenomeen te verklaren.

Twee – 2
Hoort bij de lijn en vertegenwoordigt de dualiteit: een lijn verbindt immers twee punten met elkaar. Het is het cijfer dat alles splitst en daardoor niet alleen verdeeld maar ook verdeeldheid zaait. De 2 doorbreekt de hegemonie van de 1 en creëert een oppositie. De 2 laat als het ware de ‘andere kant’ zien en stelt je daarmee voor een keuze.

In het oude Soemerië betekenen de woorden die voor ‘een’ en ‘twee’ gebruikt worden overigens ook ‘man’ en ‘vrouw’. De 1 wordt dan ook als mannelijk beschouwd en de 2 als vrouwelijk.

Tot zover is er sprake van drie cijfers die elk een grootheid vertegenwoordigen die moeilijk te bevatten is. Alsof het niet van deze wereld is. Dat wat we wel kunnen bevatten, waar we in contact mee kunnen treden en ons mee kunnen verbinden, start bij het cijfer 3.

Drie – 3
‘ Three is the unfolding of the one to a condition where it can be known – unity becomes recognizable’ – C.G. Jung. En Honore de Balzac beschouwt ‘3 als de formule voor alle creatie’.

Bij drie begint de wereld zou je kunnen zeggen. De 0, de 1 en de 2 zijn van een orde die de menselijke maat overstijgt. De 3 brengt deze orde dichterbij en wel in een dusdanige vorm dat we er mee in verbinding kunnen treden. Het is de eerste stap van creatie, de 3 ontstaat immers uit de samensmelting van de 1 en de 2.

De driehoek is verbonden met het element vuur en met God. Het wordt beschouwd als een vorm waarin de beweging naar een punt bovenin toe gaat. Zoals in de driehoek van de vader, de zoon en de heilige geest er ook een beweging naar boven te herkennen is. De 3 vertegenwoordigt de Goddelijke vonk.

Vier – 4
De 4 is de stap die gemaakt wordt om in de stof af te dalen. De 4 wordt beschouwd als horende bij de materie van de aarde. In Feng Shui is de 4 en het vierkant de representant van yin, het vrouwelijke en van de aarde als hemellichaam. In het vierkant kaderen we het leven. Geven het vorm en stevigheid. Een van de belangrijkste bouwstoffen dat ons lichaam nodig heeft is zout, natriumchloride. Natriumchloride heeft een vierkante kristalstructuur en zorgt voor een vierkante ordening van atomen in ons lichaam.

Vijf – 5
De 5 representeert de mens en het stelsel van verhoudingen van het menselijk lichaam zoals Vitruvius dat in zijn ‘De Architectura’ heeft beschreven. Leonardo DaVinci heeft dit later in een zijn tekening ‘Vetruviusman’ geïllustreerd.

De 5 kan beschouwd worden als de mens die weliswaar uit de materie (4) is ontstaan, maar deze ook overstijgt. De 5 is immers samengesteld uit de 2, het vrouwelijke en ontvankelijke en de 3, het goddelijke. Dit principe verklaart, cijfermatig, de onbevlekte ontvangenis; de verwekking en geboorte van Maria zonder met de erfzonde te zijn belast.

Zes – 6
De 6 is het cijfer dat sterkte aan een vorm verleend. Een honingraat structuur is gebaseerd op deze universeler code van de zeshoek, waardoor er zo efficiënt mogelijk gebouwd kan worden op een wijze die de meeste sterke structuur oplevert. Sneeuwvlokken zijn opgebouwd uit hexagonale (6) vormen.

In het platte vlak hoort de 6 bij twee driehoeken die gespiegeld op elkaar worden gezet: een met de punt omhoog en een met de punt naar beneden, verbonden met elkaar via de basis.

Zeven – 7
De 7 wordt beschouwd als de vereniging van de goddelijke 3 met de 4 van de materie. God (3) schiep de wereld (4) immers in 7 dagen. De 7 is een religieus getal dat op fysiek niveau onze goddelijkheid beschrijft door bijvoorbeeld de 7 chakra’s. De religieuze waarde van de 7 kan herkend worden als de heilige geest (3) die in de stof indaalt (4), maar ook doordat in de bijbel verwezen wordt naar bijvoorbeeld de 7 plagen.

Acht – 8
De 8 is eigenlijk een stapeling van twee nullen, twee cirkels op elkaar. Dat is de wijze waarop in China de hemel en yang gekalligrafeerd wordt.

De 8 is verbonden met de 8 windrichtingen en de 8 verschillende stadia van transformatie tussen yin en yang. Het proces van mitosis, van celdeling, doorloopt ook 8 fasen voordat er twee nieuwe cellen zijn ontstaan.

Negen – 9
De 9 wordt beschouwd als verbonden met oneindigheid omdat de veelvouden van 9 altijd te herleiden zijn tot 9: 18 (1+8=9), 27 (2+7=9) etcetera.

Er zit ook een sterke symmetrie in de reeksen van 9:

2 x 9 = 18 81 = 9 x 9 8 + 1 = 9

3 x 9 = 27 72 = 9 x 8 7 + 2 = 9

Het is ook het laatste cijfer voor de 10 die de start van een nieuwe cyclus representeert, immers 1+0=1.

Het cijfer 9 is dus de laatste in de reeks en is verbonden met de cycli van kosmische tijd en de processen van geboorte, groei, volwassen worden en dood. De 9 hoort bij de mystieke mens die meester is geworden over de lessen van het leven en op weg is naar wedergeboorte en verlichting. De 9 vormt dan ook de basis van het magisch vierkant, de Ba Gua zoals we die binnen de Feng Shui gebruiken.

Platonische Lichamen

Ik schreef het hierboven al: de eerste drie cijfers vertegenwoordigen elk een grootheid die moeilijk te bevatten is. Alsof het niet van deze wereld is. Dat wat we wel kunnen bevatten, waar we in contact mee kunnen treden en ons mee kunnen verbinden, start bij het cijfer 3.

De 3 is ook het eerste cijfer dat in de vorm van een driehoek zijn weg heeft gevonden naar de Platonische lichamen. De Platonische lichamen zijn vijf regelmatige veelvlakken die door Plato in verband gebracht werden met de vijf kosmische bouwstenen van de wereld: vuur, aarde, lucht, water en hemelmaterie.

Keith Critchlow, professor of architecture in England, schrijft in zijn boek ‘Time Stands Still’ dat de neolithische mensen die ooit in Engeland leefden, 1000 jaar vóór Plato al bekend waren met deze vormen!

Vijfde Element

De vier eerste bouwstenen zijn eenvoudig te herkennen. De oude Griekse natuurfilosofen waren het er ook allemaal over eens dat alle materie op aarde uit deze vier elementen is samengesteld. Het vijfde element, de hemelmaterie, vraagt om wat uitleg. Plato ging er van uit dat er iets moest zijn dat de levenloze materie ook bezielt en ordent. Hij noemde dat element ‘hemelmaterie’ oftewel ether. De oude Grieken dachten dat dit element de hemellichamen opriep en Aristoteles, leerling van Plato, beschouwde het als het vijfde element; de kwintessens die aanzet vormt tot beweging.

De oude Grieken, met Plato voorop, kraakten als het ware de code van de onzichtbare structuren die de wereld vorm geven. Deze code geeft ons houvast omdat, hoewel alles gevormd wordt uit nette geometrie op atomair niveau, de onderliggende orde verloren gaat te midden van de wedijverende krachten van onze chaotische wereld. Door de principes van deze vijf bouwblokken, van deze Platonische lichamen te begrijpen, kun je de hele wereld meten en begrijpen.

De alchemisten zagen later in het vijfde element de wereldgeest, de spiritus mundi, vertegenwoordigt die het universum doordringt en zich aan elke menselijke rede onttrekt. Zij zagen het als een noodzakelijk ingrediënt om de steen der wijzen te vinden.

Over het vijfde element schreef ik al eens een blog met de titel: Feng Shui

Ook Feng Shui hanteert de vijf elementen als uitgangspunt voor de wijze waarop het leven zich openbaart en ordent. Het Platonische element lucht wordt in Feng Shui gezien als de equivalent van ‘metaal’. Ether, de hemelmaterie, is verbonden met het element ‘hout’.

Binnen de cyclus van de vijf elementen, wordt ‘hout’ gezien als het begin van de cyclus; het punt waar alles in beweging wordt gebracht. Net zoals Aristoteles het vijfde element, de kwintessens, beschouwde als het element dat aanzet tot beweging.

Element Vormen
Even terug naar de Platonische lichamen.

De tetraëder is een driedimensionale driehoek en ziet er dus uit als een piramide. De tetraëder verwijst naar het element vuur en naar goddelijkheid. Het is een viervlak.

De hexaëder is een driedimensionaal vierkant en ziet er uit als een kubus. De hexaëder verwijst naar het element aarde en de materie. Het is een zesvlak.

De octaëder is een driedimensionale dubbele driehoek en ziet er uit als twee piramides die met de basis tegen elkaar geplakt zijn. De octaëder verwijst naar het element lucht (metaal) en de geest. Het is een achtvlak.

De dodecaëder is een driedimensionaal pentagram en ziet er uit als een voetbal. De dodecaëder verwijst naar het element hout en de mens als levend organisme. Het is een twaalfvlak.

De icosaëder kent geen vaste basisvorm. De icosaëder verwijst naar het element water dat van zichzelf ook geen vaste basisvorm kent. Het is een twintigvlak.

Ordening
Deze Platonische lichamen zijn vormen die de bouwstenen van de wereld representeren maar ook toegang geven tot een ordening die we op een diep niveau kunnen herkennen. Harmonische verhoudingen zorgen voor een patroon dat we, bijvoorbeeld als het zich voordoet in geluid, kunnen herkennen en als harmonisch ervaren. Het ontbreken van harmonische verhoudingen zorgt voor aantoonbare onrust en chaos in onze hersenen.

Om te beschrijven of een verhouding harmonisch is wordt het getal Pi, het getal van de oneindigheid, gebruikt. Pi beschrijft een fysiek voorwerp en diens verhoudingen en de interconnectiviteit van een code, bijvoorbeeld van dat voorwerp. Pi beschrijft dus de harmonie van een patroon. En patronen verlenen houvast en creëren herkenbaarheid. Overigens komt elk bestaand getal ergens in de oneindige reeks van Pi voor!

Verbinding
Ook Feng Shui werkt met de harmonie van een patroon en de harmonische interconnectiviteit van de codes die binnen Feng Shui gebruikt worden.

Zo is de driehoek, die bij het element vuur hoort, de verbinding met het goddelijke en de ziel van de mens. Het vierkant is de materie van het element aarde, die zielloos is zolang wij er geen waarde aan toe hebben gekend. De vijfhoek, het pentagram, vertegenwoordigt ons als mens zelf. Via het beeld van de ‘Vetruviusman’ van Leonardo DaVinci, kunnen we ons verbinden met de harmonische verhoudingen van ons eigen lichaam. De dubbele driehoek reflecteert de ‘boven’ en de ‘beneden’ wereld en creëert een flow daartussen zoals het element metaal de flow tussen het aardse en het hemelse paradijs representeert. Als laatste overstijgt het twintigvlak het hier en nu en de vormen die ons zijn reflecteren, net zoals het water elke vorm van materie overstijgt en zich onttrekt aan welke vorm dan ook.

Nine Star Ki
De vijf elementen van de Platonische lichamen en van Feng Shui, representeren de bouwstenen van de wereld. Als mens zijn we echter meer dan materie alleen. Conceptual Feng Shui maakt dat duidelijk door de samenwerking met Nine Star Ki.

Nine Star Ki laat de negen verschijningsvormen van de vijf elementen zien, die samengebracht zijn in de Ba Gua. De Ba Gua betekent letterlijk ‘acht richtingen’. De acht windrichtingen, de acht stadia in transformatie tussen yin en yang, maar ook de acht fases van mitosis in een celdeling. Een Ba Gua is echter een magisch vierkant met negen vlakken. De acht richtingen zijn namelijk gegroepeerd rond een vlak in het midden, het centrum. Dit vlak is verbonden met de vijf, inderdaad de 5 van het pentagram en de dodecaëder. De 5 van de mens. Het is de mens die in het centrum van de Ba Gua staat en die de mogelijkheid heeft zich in 8 verschillende richtingen te bewegen.

Harmonie
De wijze waarop zowel Feng Shui als Nine Star Ki de harmonische proporties in een ruimte of in een leven van een mens beschrijven, is gebaseerd op de intrinsieke harmonie van beide systemen zelf. Als je elk van de negen cijfers die in de Ba Gua staan, van 1 tot en met 9, deelt door 5, levert dat een reeks op die in zichzelf de harmonische onderlingen verhoudingen van de individuele cijfers weergeeft, de harmonische interconnectiviteit van de codes waar Feng Shui en Nine Star Ki mee werken:

1 : 5 = 0,2

2 : 5 = 0,4

3 : 5 = 0,6

4 : 5 = 0,8

5 : 5 = 1

6 : 5 = 1,2

7 : 5 = 1,4

8 : 5 = 1,6

9 : 5 = 1,8

Code
Ondanks dat de toepassing van de cijfers 1 tot en met 9 in de Ba Gua ogenschijnlijk van een soort knullige eenvoud lijkt, gaat er een dieper liggende op harmonie gebaseerde code achter schuil. Een code die verwijst naar de vijf bouwstenen van de wereld. De vijf bouwstenen die Plato zo duidelijk als zodanig wist te herkennen en de neolithische mens al eeuwen vóór hem. Het zijn deze bouwstenen die gebruikt kunnen worden om een wereld die in disbalans is, om een leven dat in disbalans is, te herstellen naar zijn goddelijke basis harmonie.

Cijfers geven toegang tot het herkennen van balans en disbalans. Van harmonie en disharmonie. Met het je bewust worden van de cijfers die je persoonlijk code vormen, ontsluit je als het ware je persoonlijke, dieper liggende harmonie. Jouw persoonlijke goddelijke basis. Nine Star Ki laat je zien en ervaren wat jouw persoonlijke code is, zodat je daarmee snapt waarom en wanneer er disbalans ontstaat. Maar vooral ook krijg je daardoor inzicht in wat je nodig hebt om de balans te herstellen!

Consult
Voor een persoonlijk, online Nine Star Ki consult, kun je altijd vrijblijvend contact met me opnemen.

“Vanochtend werd ik wakker en het is niet of er een kwartje valt maar het regent kwartjes gewoon. Alle momenten dat mij vuur vanuit de buitenwereld aangereikt werd zie ik nu kristalhelder voor me. En ik maar door de blubber door baggeren omdat ik erover na ging denken, wikken/wegen m’n aarde 8 in interne actie waarschijnlijk… Nu kan ik er niet meer omheen; Vuur is ‘in my face’…. en nu zie ik dat ik over vuur niet hoef na te denken maar dat het over voelen en doen gaat! Heb ook de dvd ‘Power of the Heart’ tevoorschijn gehaald (ook aangereikt van buitenaf). Het kwartje dat je me gisteren aanreikte wb m’n broer (100% hout, uitwijken naar metaal) is ook gevallen. NSK is voor mij echt alsof de mist optrekt, zo gaaf! En het is vast nog maar een tipje van de ‘mist’ sluier.” – Jeannette

Voor deze blog heb ik de volgende boeken geraadpleegd:

  • Gateway to the Heavens, Karen L. French | Publishing Limited, Marlow – 2008
  • The Dymaxion World of Buckminster Fuller, R. Buckminster Fuller and Robert Marks | Anchor Books, New York  -1973
  • Sacred Number and the origins of civilization, Richard Heath | Inner Traditions, Rochester – 2007
  • The Power of Limits, György Doczi | Shambhala, Boston – 1981

¹) Het verschil tussen een cijfer en een getal, is hetzelfde als tussen een letter en een woord. We beschikken of tien cijfers die samen allerlei getallen kunnen vormen.

Smetteloos en onberispelijk (vimala)

Een grenzeloze, alles dragende en verbindende, wakkere aanwezigheid incarneert in deze volstrekt unieke, weerbarstige vleesjas. De zestien Mahayana voornemens ondersteunen het onderhoud van deze levende paradox en vormen tezamen de silaparamita, het beoefenen van ethische discipline. Natuurlijk is elke oefening waarin een aspect van onze incarnerende aanwezigheid wordt gerealiseerd tevens een beoefening van discipline. Maar als het gaat om sila, zijn met name de laatste tien grote voornemens praktijken waarin de bodhisattva kwaliteiten van zichzelf herkent en uitdrukt. Candrakirti spreekt over zelf-disciplinering zonder aan de vrucht van het ethische gedrag vast te houden of daarvan ook maar bewust te zijn (Madhyamakavatara 2 (3)). ‘Ons geluk hangt geheel af van onze moraliteit’, schrijft Candrakirti (ibidem 2 (7)). In een ander werk schrijft  de Indiase filosoof dat het onderhouden van de morele discipline ons behoedt voor agitatie.

De eerste van de tien grote voornemens, ‘Ik neem me voor om niet te doden, maar alle leven te bekrachtigen’, brengt bij de bodhisattva zijn kwaliteit van fundamenteel verbonden zijn met elk levend wezen in herinnering. Het doden van een levend wezen is het doden van mezelf, er is in de basis geen enkel onderscheid. Hetzelfde geldt voor het doden van expressies van mezelf, het doden van bepaalde emoties, zoals woede, angst, jaloezie, hebzucht; het uitsluiten van bepaalde gedachten, zoals gedachten aan hechting, pochen, negatieve gedachten; het doden van tijd – en tijd is mijn leven. Maar ook het doden van ego, zoals in sommige spirituele kringen als begerenswaardig wordt beschouwd.

Echter, zodra ik me heb voorgenomen om niet te doden, word ik geconfronteerd met de sattva-kant van mijn bestaan, mijn strenge lijfelijkheid. Ik realiseer me dat ik doorgaans faal in het verwezenlijken van mijn voornemen, omdat ik als incarnatie mijn plaats in de wereld inneem en dit ten koste gaat van andere incarnaties. In mijn intentie om niet te doden, wordt zowel mijn fundamentele verbondenheid met elk levend wezen in herinnering gebracht, als mijn eigenstandigheid. Beide aspecten van mijn incarnerende aanwezigheid zijn belangrijk om te erkennen.

Precies hetzelfde geldt voor de andere negen grote voornemens. Sommige brengen mijn fundamentele verbondenheid met een ander levend wezen in herinnering, andere mijn inherent wakker zijn en helderheid, weer andere mijn overvloed en grenzeloosheid. Allemaal brengen ze ook mijn vleselijkheid in herinnering. Ik realiseer me mijn menselijkheid in het onophoudelijk falen van het volbrengen van mijn ethische voornemens. Zo blijf ik behoed voor ethische superioriteit.

De Tien Grote Voornemens van het Mahayana zijn:

Ik neem me voor om niet te doden, maar alle leven te bekrachtigen

Ik neem me voor om niet te stelen, maar te delen

Ik neem me voor om seksualiteit niet te misbruiken, maar het lichaam lief te hebben

Ik neem me voor om niet te liegen, maar mezelf waarachtig uit te drukken

Ik neem me voor om mezelf niet te bedwelmen, maar wakker te zijn

Ik neem me voor om geen kwaad te spreken over anderen, maar te ondersteunen

Ik neem me voor om mezelf niet te verheffen ten kostte van anderen, maar de eenheid te zien

Ik neem me voor om niet gierig te zijn, maar te geven

Ik neem me voor om me niet te laten leiden door woede en haat, maar me in de plaatst te stellen van de ander

Ik neem me voor om de drie Juwelen niet te bezoedelen, maar instrument te zijn

Soms wordt geopperd dat deze ethische intenties door een enkel voornemen en dus ook een enkele beoefening kunnen worden vervangen: het voornemen van ahimsa, geweldloosheid. Wat mij betreft gaat daar nog een voornemen aan vooraf. Dit noem ik het eerste en laatste ethische voornemen. Het komt rechtstreeks voort uit mijn herinnering van mijn aanwezigheid: niets en niemand op welke wijze dan ook uitsluiten. Positief geformuleerd, elk levend wezen, elk aspect van mezelf of elke gebeurtenis bekrachtigen. Dit is een voornemen en dat wil zeggen dat het aan slagen of falen voorbij gaat. Ze is telkens het begin van een beoefening en wellicht is dit de meest concrete beoefening van zen in ons dagelijkse leven.

De hartsconnectie tussen leraar en leerling

De relatie tussen leraar en leerling is een diep mysterie. Je kunt er van alles over zeggen, maar gaandeweg kun je ook merken dat wat je erover gezegd hebt nét naast de waarheid is. In mijn boek Non-dualisme is een hoofdstuk gewijd aan het fenomeen van de leraar. Eerlijk gezegd vond ik in de eindfase van het schrijven al dat een bepaalde passage in het hoofdstuk net niet dekkend was wat betreft een specifiek punt in de relatie met de leraar: het verband tussen overdracht en wat ik ‘hartsconnectie’ noem. Toch lukte het me toen niet dit zo te herschrijven dat het voor mij kloppend was. Kortgeleden heb ik dit gedeelte opnieuw geschreven, voor de nieuwe druk van Non-dualisme. Naar mijn gevoel raakt het nu wel het wezenlijke punt. Hierbij deze passage, ter vervanging van bladzijden 77-80 van het boek.

Overdracht en het machtselement
Hoe de boodschap ook tot ons komt, lezend in een boek of luisterend naar een ander mens, het komt altijd neer op het gegeven dat er iets onderwezen wordt – en dus dat zich mogelijkerwijs beïnvloeding afspeelt. Ik kan leren van iemand, of van een tekst van iemand. Ik laat mij al dan niet beïnvloeden.
In het geval van leren uit een boek valt het in het algemeen wel mee hoezeer bij de beïnvloeding een machtsfactor meespeelt. Maar in het mezelf openstellen voor de invloed van een levend mens en het zitten aan diens voeten, lijkt de zaak anders te liggen. Is het niet zo dat als ik mij door iemand laat beïnvloeden, ik daarmee aan die ander macht verleen? Ik stel mij ‘onder’ hem op, en dat brengt me mogelijkerwijs in een afhankelijke positie. Juist als ik zie dat het om vrijheid gaat, zou ik toch dom zijn een ander toe te staan invloed op mij te hebben! Het lijkt wel de absurditeit ten top dat ik zou moeten luisteren naar een uitleg over werkelijke vrijheid terwijl ik zelf nederig toehoorder blijf.
Het is dan ook wel te begrijpen dat in het Westen, met zijn nadruk op ‘eigenheid’ en ‘individuele vrijheid’, de verhouding tussen de leerling en de goeroe in de oosterse bevrijdingswegen met achterdocht wordt bekeken. Het blijft een van de lastigste thema’s van het geestelijk leven. Zo bestaan er bijvoorbeeld in Nederland nog vrijwel geen goede artikelen of boeken die dit thema behandelen, waardoor er ook geen klimaat is ontstaan waarin juist de subtiele aspecten uitgewisseld kunnen worden. En om deze subtiliteiten gaat het, wat mij betreft.
Voor een deel is de achterdocht begrijpelijk. Hiermee doel ik niet alleen op het gegeven dat het voorkomt dat ook ‘gerealiseerde’ leraren vergissingen begaan en leugens volhouden die hoogst pijnlijk zijn voor de leerlingen, maar vooral op het enorme belang van het fenomeen dat in de psychologie ‘overdracht’ wordt genoemd. Dit begrip (in het Engels ‘transference’ – niet te verwarren met ‘transmission’, de overdracht of overbrenging van inzicht van leraar op leerling) werd door Freud gehanteerd om aan te duiden dat een patiënt bepaalde gevoelens die hij vroeger had ten opzichte van zijn ouders, zoals afhankelijkheid en verheerlijking (eventueel vermengd met haat), in het heden overdraagt op de hem behandelende analyticus. En ook los van een psychoanalytische of therapeutische context worden gevoelens die betrekking hebben op de verhouding met zowel vader als moeder (en op de gespletenheid die door het verschil tussen deze beide verhoudingen wordt veroorzaakt) overgedragen op een vervanger van de ouders – en een spiritueel leermeester vervult als geen ander deze rol van vervanger. Hij is de uiteindelijke Vervanger, ook al zal hij openlijk juist verklaren deze rol te weigeren.
Vandaar dat in de verhouding met de leraar vaak een dosis oneerlijkheid wordt gehanteerd, een schijnbaar onvermogen om hardop eventueel bezwaren te uiten, waarbij allerlei zaken die in een gewone (gelijkwaardige) verhouding absoluut niet geaccepteerd zouden worden, zoals grofheden en beledigingen, nu wel geaccepteerd worden. Overdracht bestaat bij de gratie van een bepaald iets dat verkregen lijkt te kunnen worden van een ander mens, iets dat te maken heeft met voeding, bescherming en veiligheid – de herhaling van de verwachting iets te krijgen van de ouders. Doordat in het geval van de leermeester dat bepaalde ‘iets’ niets minder is dan bevrijding, kan de acceptatie zulke extreme vormen aannemen. In de hoop ooit iets te ontvangen, wordt de eigen integriteit ingeleverd.

De nieuwe kleren van de keizer
Ieder werkelijk leerproces is een dans tussen twee polen: tussen het gelijke en het ongelijke. Je leert van iemand die niet gelijk is, die ‘hoger’ is. Als in de ander niet iets erkend wordt als ‘hoger’ of ‘verder’, meer ontwikkeld, zal er niet veel geleerd kunnen worden. Je zult er je tijd niet aan willen besteden. Of, als je wel zo’n confrontatie aangaat, zal het in het gevecht blijven steken. Nu kan de drang om voor iets op te komen wel mooi zijn (een eerlijke uiting van bezwaren zal immers helpend kunnen zijn om dichter bij de waarheid te komen), maar als je iets van een ander wilt leren moet er uiteindelijk toch een bereidheid zijn om je verdediging op te geven en werkelijk te luisteren. Wat zich echter hierbij, door de erkenning van de ander als ‘hoger’, snel kan aandienen is het doorslaan naar de andere kant, naar bevangenheid en afhankelijkheid, dus naar het genoemde fenomeen van de overdracht.
Het lijkt wel onvermijdelijk. Overdracht is waarschijnlijk inherent aanwezig in iedere werkelijke leraar-leerlingverhouding; je kunt er niet aan ontkomen. Dit fenomeen kan, zeker als het een leraar betreft met charisma of ‘naam’, zelfs proporties aannemen die lijken op wat Andersen beschreef in ‘De nieuwe kleren van de keizer’. In dit sprookje wordt het benoemen van het duidelijk zichtbare, namelijk de afwezigheid van kleren, door de personen die als toonaangevend worden beschouwd, betiteld als dom. Op een vergelijkbare manier kunnen in een groep mensen rondom een geestelijk leraar allerlei ‘toonaangevende’ normen bestaan. Dan zou, als je iets zou zeggen dat hiervan afwijkt, jouw verwoording van wat je ziet wel eens van domheid kunnen getuigen! De leraar is iemand geworden die je wilt behagen en voor wiens oordeel je bang bent – hij mag niet gering over je denken, en je zult je uitsloven om zijn gunst te winnen. Je zit weer tegenover vader of moeder, en je bent bereid jezelf en je eigenheid weg te moffelen in de hoop daar beter van te worden – vooral daar je gehoord hebt dat ‘jezelf’ en ‘eigenheid’ allemaal bij het ego horen, dat immers juist afgelegd moet worden.
Ondanks dit alles bevat overdracht toch ook het element waardoor het mogelijk is dat overdracht in de andere zin, het overdragen van het wezenlijke Besef van de leraar op de leerling, plaatsvindt. Leraren als Ramana Maharshi en Atmananda hebben herhaaldelijk gezegd dat voor de relatie met de leraar juist een dualistische houding nodig is, met andere woorden een houding die een ongelijkheid met de ander erkent – wat uiteindelijk kan neerkomen op een totale ontvankelijkheid die soms lijkt op die van een kind. Misschien kun je zelfs zeggen: zonder de ene overdracht (transference) niet de andere overdracht (transmission). Dus hoewel het als een vergissing kan voelen, een onderdompeling in allerlei oude kinderlijke patronen waar je juist van af dacht te zijn, is het uiteindelijk toch een onlosmakelijk bestanddeel van het wonder dat van een ‘persoon’ op een ‘persoon’ het Besef kan worden overgedragen dat ‘persoon’ geen werkelijkheid heeft.

De hartsconnectie
Voor dit overdragen van Besef is het behulpzaam dat de psychologische vorm van overdracht herkend wordt, en bespreekbaar gemaakt. Naar mijn gevoel zou overdracht in de relatie tussen leraar en leerling een gebruikelijk thema moeten zijn, dat steeds opnieuw aandacht mag krijgen. Zowel het kinderlijk-afhankelijke alsook het puberale, dat je pseudo-onafhankelijk kunt noemen, verdienen aandacht. Als deze aandacht wordt gegeven in een bedding van liefde, kan de leerling meer en meer ook binnenin zichzelf opmerken dat liefde al het geval is, en niet verkregen hoeft te worden. Zo kan afhankelijkheid oplossen. Alleen een relatie die op liefde is gebaseerd kan overdracht doen oplossen. Overdracht is een fenomeen dat alleen maar bestaat vanuit het gevoel dat er onvoldoende van je gehouden wordt, dat er gebrek is, een behoefte of vraag die eventueel tot een eis wordt. Overdracht proberen weg te werken, vanuit de irritatie dat je hier nog niet voorbij bent, heeft het effect dat het alleen maar bestendigd wordt. Op deze plaats zie ik ook het belang van een vorm van commitment tussen leraar en leerling, een wederzijdse intentie om zo totaal mogelijk toegewijd te zijn aan waarheid. Echt leerlingschap of discipelschap houdt in dat er bereidheid is om gewezen te worden op alle diepergelegen blinde vlekken, ook gevoelens van zelfvernedering die tot nog toe onbewust waren – en zelfvernedering kun je misschien wel de bron van overdracht noemen.

Zo’n totale relatie van leerling met leermeester wordt wel een ‘hartsconnectie’ genoemd. Het ‘hart’ is een term voor eenvoud. In het hart is er direct voelen, een open ruimte voor devotie en compassie, en een vuur waarin alle kleine ego-benauwenissen verbrand kunnen worden. In de hartsconnectie worden leraar en leerling niet gestoord of beperkt door het conceptuele denken. De leerling kan vanuit zijn hartstocht voor waarheid en vertrouwen in de leraar een ware, strijdloze onafhankelijkheid ontdekken, een volwassen soort losheid van de persoon van de leraar, waardoor overdracht steeds minder geloofwaardig wordt. Doordat de innerlijke conclusies vanuit overdracht meer en meer herkend worden als onwaar, komt elk woord van de leraar direct binnen in het hart, niet gefilterd door afhankelijkheid of wantrouwen. Nisargadatta Maharaj heeft herhaaldelijk over het diepgaande van de relatie met zijn leermeester gesproken. In antwoord op de vraag of hij zijn realisatie te danken heeft aan zijn eigen inspanningen of aan de genade van zijn goeroe, zei hij een keer: “Van hem kwam het onderricht, en van mij het vertrouwen. Door mijn vertrouwen in hem kon ik zijn woorden accepteren als waar, en kon ik ze diep in me laten doordringen en ze leven. Zo kwam ik tot de realisatie van wat ik ben. De persoon en de woorden van de goeroe maakten dat ik hem vertrouwde, en mijn vertrouwen maakte die woorden vruchtbaar. (…) Ik was zo afgestemd op mijn goeroe – ik vertrouwde hem zó volledig en er was zó weinig weerstand in me dat het allemaal gemakkelijk en snel gebeurde.”10
Tegelijkertijd is het zo dat in de hartsconnectie wordt gesproken als Bewustzijn met Bewustzijn, waar geen ongelijkheid kan bestaan. Uiteindelijk is namelijk de Waarachtige Leermeester (Sat-Guru) toch Dat wat in leraar en leerling identiek is, Bewustzijn zelf. De uiterlijke leraar is alleen tijdelijk dienend, en wel om de leerling de Uiteindelijke, ‘innerlijke’ Leraar in al zijn vezels te laten beseffen.11 Hoewel in de loop van de ontmoetingen met de uiterlijke leraar het element van het gelijke-zijn uit het zicht kan raken, is dat al die tijd onverminderd aanwezig. Het werkelijk eigene, dat wil zeggen dat wat nooit verloren raakt, kan eenvoudigweg niet iets zijn dat minder is of lager dan het eigene van de leermeester.
Het werkelijke leren werd zojuist een dans tussen het gelijke en het ongelijke genoemd. Door enerzijds af te stemmen op het gelijke, dat wil zeggen te herkennen dat er maar één Werkelijkheid is, één Werkelijkheid waarin verschillende uitdrukkingswijzen vrij en strijdloos naast elkaar optreden, én anderzijds volmondig te erkennen dat een relatie van tijdelijke ongelijkheid in feite onontbeerlijk is, kan overdracht helemaal doorstraald worden. Het werkelijke leren valt hier samen met genade.

GEWIJZIGDE NOTEN
10. I Am That. Bombay: Chetana, 1973. Editie van 1985, p. 194-195.
11. Nisargadatta benadrukte dit herhaaldelijk. Zie bijv. I Am That, editie van 1985, p. 51, 149, 358, 372-375; en Prior to Consciousness. Durham, NC: Acorn Press, 1985; p. 142-143.

Vreugdevol en zorgeloos (pramudita)

Het moment waarop de bodhisattva zich voor het eerst van zijn leven herkent, is een van de belangrijkste momenten op het pad. Het is een moment van ommekeer, van inkeer, een bekering. Dit moment kan zich voordoen als een schok: alles is plotsklaps anders dan ik dacht, niets is meer wat het lijkt te zijn, zoals bij de confrontatie met een verlies. Het moment van inkeer kan zich voordoen als een vage herinnering, een intuïtie: er is meer dan dit, er is nog iets anders… Ook kan het moment zich voordoen in de vorm van een pijnlijke erkenning: ik ben nooit aan mezelf toegekomen, ik ben nooit echt mezelf geweest. In welke vorm dit moment zich ook aandient, het is het begin van een reis naar ‘binnen’, naar een grotere intimiteit met mezelf. Het boeddhisme noemt het bodhicitta, ‘het verlangen naar ontwaken.’

Iemand vroeg me eens tijdens een lezing of zen me gelukkig maakt. Dit is een uitstekende en volkomen terechte vraag. Zen maakt me niet per se gelukkig. Zen is mijn leven en soms ben ik gelukkig en soms ook niet. Wat me wel gelukkig heeft gemaakt, wat me van een depressie, misschien zelfs van waanzin heeft gered, is dat de beoefening van zen me een ‘container’ heeft geboden, een kanaal dat mijn brandende verlangen naar inzicht bundelt en richt. Het weer gaan stromen van dit brandende verlangen geeft vreugde en in zekere zin rust. Het brengt ook zorgeloosheid, ik hoef me geen zorgen meer te maken over mijn bestemming. Ik heb mijn pad betreden en het proces is niet meer aan mij alleen.

Het pad van de bodhisattva begint met loslaten, ontvankelijkheid, overgave. Een overgave aan het moment van inkeer en wat daarop volgt. Een ontvankelijkheid voor alle middelen die me ter beschikking staan om mijn pad mee te vervolgen, de leraar, de leer, de traditie, de oefeningen, de initiaties, de gemeenschap. Een loslaten van waarden en waarheden waaraan ik vasthoud. Ik zal mijn voorwaarden moeten laten vallen om ten langen leste mijn leven te kunnen ontvangen precies zoals het is.

Het pad van de bodhisattva begint met danaparamita, de beoefening van geven. Dit is heel concreet het geven van tijd, energie, geld, aandacht, voorwaarden, mezelf. De beoefening van geven brengt bij de bodhisattva het aspect van overvloed en grenzeloosheid in herinnering. In bodhi (mijn aanwezigheid) is geen tekort of beperking. Zoals in elke oefening kan ik me enkel het geven voornemen en vervolgens ontdekken hoezeer ik daarin tekortschiet. Hoezeer ik vasthoud aan mijn waren, waarden en waarheden. Na me dit aspect van sattva, van mijn zich hechtende vleselijkheid te hebben herinnerd, neem ik mijn oefening van geven weer op en neem me andermaal voor mijn tijd, energie, geld te geven en los te laten. Dit inzetten, soms loslaten, maar vaker op mijn schreden terugkeren, gaat net zo lang door tot geheel buiten mezelf om, de overvloed die mijn leven ten diepste is begint te stromen en er wordt gegeven zonder gever, zonder iets dat wordt gegeven en zonder geven. Dit is volgens Candrakirti het ultieme geven (Madhyamakavatara 1 (16)). Er wordt gegeven. Bodhi stroomt en stroomt over, zonder een spoor na te laten.

Het alchemistische stookproces

In de daoistische traditie van de Chinese Innerlijke Alchemie is het stookproces de kern: een praktijk die herkenning van de volkomen werkelijkheid mogelijk maakt. Wat mij zo aanspreekt in deze traditie is de direct herkenbare waarheid van de noodzaak om moeite te doen teneinde het moeiteloze te bereiken. Over directe, onmiddellijke realisatie wordt heel duidelijk gesteld dat het mogelijk is, maar dat er maar heel weinig mensen zijn bij wie dat gebeurt: het is voor de meeste mensen niet weggelegd. Voor mij ook niet, het zij zo. Blijft over wat in de alchemie ‘de weg van de lagere deugd’ wordt genoemd. Die weg wordt beschreven in alchemistische termen, en om die weg te volgen moet een bepaalde inspanning worden geleverd om het moeiteloze ‘niet-handelen’ te bereiken.

Dat de dualiteit niet de laatste werkelijkheid is kan ik begrijpen, en ik kan ook oprecht geloven dat ze voor eens en voor altijd kan worden overstegen, omdat van tijd tot tijd de dualistische ervaring inderdaad wegvalt. Maar het punt is dat daarmee de dualistische kijk en ervaring nog niet definitief en voorgoed zijn verdwenen. Steeds weer doemen situaties op waarin het voor even of voor langere tijd vergeten wordt, steeds zijn er situaties waarin lijden ontstaat als gevolg van de gespletenheid die zich voordoet. Ineens is er onenigheid of frustratie over dit of dat, in een oogwenk komt het op vanuit het niets, en voor je het weet is de verwarring compleet: ik tegenover een vijandige of vreemde ander, ik alleen in een wereld waarin ik ronddwaal. Dan is er niets meer over van mooie ideeën over heelheid en eenheid; dat alles is ineens vervangen door boosheid, frustratie, verontwaardiging of erger. En het helpt echt niet om te doen alsof het niet zo is, je van die ervaring af te keren en tegen jezelf te zeggen dat alles één is: dat is namelijk op dat moment niet de waarheid die je ervaart, en dus een leugen……De waarheid is dat eenheid, zolang jij jezelf en de wereld (het andere) als twee ervaart, eenheid niet kan bestaan. Tijdelijke harmonie is mogelijk, maar eenheid is pas daar als jij én je wereld zijn verdwenen.

Het oprechte verlangen naar duurzame, onverwoestbare eenheid wordt in de alchemie de ‘Ware intentie’ genoemd. Niet toevallig natuurlijk, want alle intenties zijn in wezen afsplitsingen van deze ene echte intentie: de Dao bereiken, de dualiteit overstijgen. En alle andere intenties zijn onwaar in die zin, dat ze onherroepelijk dood lopen, want zolang de splitsing tussen ik en de wereld in het bewustzijn bestaat, zijn duurzame vrede en vrijheid onmogelijk.

Hierover vertelt Zhuang Zi het beroemde verhaal over de vissen, die op de bodem van een opgedroogde bron trachten te overleven:

“Wanneer de bron opdroogt, blijven de vissen met elkaar op de bodem. Dan blazen ze op elkaar met hun adem, ze bevochtigen elkaar met hun speeksel, maar toch weegt dat niet op tegen het elkaar kunnen vergeten in het water van de rivieren en de meren.”

Wat een treurige toestand is dat! En toch is dat precies de situatie waarin we verkeren,  wanneer we de eenheid zijn vergeten, en met elkaar proberen ‘er het beste van te maken’.

Maar wie de Ware intentie durft te volgen, neemt hier geen genoegen mee, en gaat in plaats daarvan op onderzoek uit. Die zegt tegen zichzelf: OK, eenheid is de eerste en de laatste werkelijkheid, dat begrijp ik, en dat weet ik, maar nu dus even niet. Wat is er aan de hand? Dan worden er oprechte vragen gesteld: hoe ben ik de eenheid uit het zicht verloren? Hoe is dat gegaan, en hoe is dat begonnen? Wat in mij heeft dat mogelijk gemaakt? Wat waren mijn motieven, mijn verwachtingen, mijn gevoelens? In hoeverre is de Ware intentie uit het zicht verdwenen?
Zo’n eerlijk onderzoek, waarin de aandacht vol gericht wordt op de ervaren tweespalt, is een voorbeeld van het stookproces. De alchemist kijkt daarmee in het donker om het licht terug te vinden.

Het stookproces is in wezen met aandacht ‘erbij blijven’ wanneer de dualistische beleving spanning en ongemak oproept, in het besef van het feit dat de eenheid uit het zicht is geraakt. Dat is eerlijk naar jezelf, en ook grondig, want pas als het zicht op de eenheid weer is hersteld, is het stookproces ten einde. In de alchemistische metafoor is dan het elixer tot stand gebracht: innerlijke heelheid en vrede zijn teruggekeerd. Dat tot stand brengen van het elixer is beeldspraak voor een werkelijkheid: de polariteit die gevangen zette blijkt een zelfgeschapen verwarring, waarin het eigen zicht werd vertroebeld. Voorbeelden daarvan zijn verwachtingen, of ideeën over hoe je moet zijn, of over wat slecht is of goed. Zodra de onjuiste aannames over jezelf, de ander of de situatie worden doorzien, verdwijnt de beklemming die daardoor werd ervaren en ontstaat opluchting, ontspanning, ruimte en is er vrede met wat er gaande is. Zelfbeeld en wereldbeeld zijn losgelaten of lossen op, en je weet nu: zo is het, en niet anders. Je verzet is verdwenen, en het stookproces is klaar.

Nu zou je kunnen denken dat het hier om een mentaal proces gaat: stel de goede vragen, spoor de foute ideeën op, klaar is Kees! Maar zo is het niet. Allereerst spelen allerlei gevoelens mee, die hun eigen bestaansrecht hebben, en die niet altijd redelijk of verklaarbaar hoeven zijn. Ze zijn er gewoon, punt. En veel van onze gedachten, meningen en beelden vloeien voort uit onze gevoelsmatige instelling en eigen-aardigheid. Bovendien laten onze diepste gedachten en gevoelens zich niet zo gemakkelijk betrappen, en al helemaal niet als ze voor onszelf geheel of gedeeltelijk geheim zijn, of in ieder geval onbewust. Het stookproces is daarom ook een energetisch proces dat een natuurlijke loop kan hebben. Het begint met de spanning die ontstaat tussen de diep gevoelde innerlijke waarheid en de door het ik geconstrueerde werkelijkheid. Die innerlijke waarheid laat zich niet uitpuzzelen, of opvissen, maar moet doordringen in het bewustzijn, en dat gebeurt onder invloed van de ontstane spanning.

Vandaar het beeld van de smeltkroes, de alchemistische retort, waaronder een vuur wordt gestookt: door aandacht te geven aan wat dwars zit zal de spanning oplopen, en dat moet ook! Als je de spanning uit de weg gaat, komt de waarheid niet tevoorschijn. Want de geconditioneerde geest is sterk: ze verzet zich, en geeft vastgeroeste opvattingen en instellingen niet zomaar prijs. Maar de spanning mag ook weer niet te veel oplopen, want dan kun je het niet aan en breek je: voortijdig spuien, de zaak eens even oplossen, uit je slof schieten, of erger. In beide gevallen mislukt het stookproces totaal, komt de waarheid niet tevoorschijn. Dan moet opnieuw worden begonnen als de kwestie weer opkomt.

Je moet jezelf (de alchemistische retort) dus heel houden, terwijl je een gezonde spanningsboog volgt. Je volgt de spanning zoals die op enig moment is, zonder ze op te voeren of juist af te voeren. En dat is moeilijk, want conditionering is op het energetische vlak nou juist gericht op het reguleren van spanning. Opruiende gedachten als ‘dat pik ik niet’, of ‘zijn ze nou helemaal gek geworden’ trekken ons zomaar uit ons centrum, terwijl aan de andere kant met sussende gedachten als ‘ach, wat maakt het uit’ of ‘ik kan er toch niks aan doen’ de spanning snel weglekt. Het stoken van het vuur -het hanteren van de spanningsboog- is een precair proces: een fout is vlug gemaakt, waarna de eenheid uit het zicht blijft.

De beeldspraak van het stookproces wordt in de alchemistische geschriften gebruikt om in incidentele situaties het zicht op eenheid te herstellen, maar ook voor het levenswerk waarmee dit zicht voorgoed onverwoestbaar wordt gemaakt. In dat laatste geval wordt gesproken van de geboorte van het spirituele embryo. Dan is de weg van de lagere deugd, de weg van handelen, ten einde en kan de weg van niet-handelen beginnen: de weg van de gerealiseerde, de wijze, in de wereld van de dualiteit.

 

Het zwaard van wijsheid*

 

Uit het niets borrelt daar omhoog

een bel van woede,

machteloos

over onrecht, misdaad ook,

in een wereld

waarin niemand mij ziet staan.

 

Is de aanleiding vaak klein

de beroering meestal niet:

hoge golven rijzen op,

mezelf ben ik kwijt,

in een wereld die vijandig vreemd is,

aan een oproerig boze geest

 

Ga ik mee,

ben ik verloren,

in steeds diezelfde droom verzonken.

Hef ik echter het zwaard van wijsheid

dan verschijnt direct het echte:

eenheid die eeuwig leeft.

 

Waar wordt het ijzer voor dat zwaard gevonden?

Wie smeedt de onverwoestbare kling?

Waar brandt een vuur met zoveel macht

dat het eeuwig ijzer wordt gesmolten?

Als het klaar is, flitst het als de bliksem,

en veegt demonen aan de kant.

 

Richt het, en hoge bergen vallen uiteen,

drie werelden van Duivelsprinsen

worden ontmanteld,

en zijn voorgoed ten einde.

 

* vrij naar het gedicht van Li Daochun in de Zhongheji: “Het Zwaard van Wijsheid”.

 

 

 

Het pad van de bodhisattva

De Madhyamakavatara, ‘Het betreden van de Middenweg’ van de Indiase filosoof Candrakirti (600 – 650 n.C.), geeft een commentaar op het beroemdste werk van zijn grote voorganger Nagarjuna (150 – 250 n.C.), die vanwege zijn belang voor de ontwikkeling van het boeddhisme wel ‘de tweede Boeddha’ wordt genoemd. Nagarjuna’s Mulamadhyamakakarika, ‘De fundamentele verzen van de Middenweg’ geldt als een van de belangrijkste werken binnen het boeddhisme en de Indiase filosofie. Candrakirti schrijft in zijn commentaar op dit monumentale werk over de Desabhumika, de ’tien stadia van het pad van de bodhisattva’.

Het Sanskriet woord bhumi betekent letterlijk ‘grond’ en het wordt vaak vertaald met ‘stadium’. Ik vertaal het echter met ‘veld’. Ik volg Candrakirti in zijn duiding van de velden van het pad van de bodhisattva en stem deze vervolgens af op de wensen en noden van de moderne, westerse beoefenaar. Regelmatig zal ik Candrakirti citeren, de cijfers achter het citaat verwijzen naar het hoofdstuk waaruit het komt en de regel waarin het is terug te vinden. De vertalingen zijn van mijn hand.

Voordat we Candrakirti volgen in zijn beschrijving van het pad van de bodhisattva, moeten we eerst ophelderen wat we kunnen verstaan onder ‘bodhisattva’ en wat er wordt bedoeld met ‘pad’. Ik vaar hier op mijn eigen kompas.

Bodhisattva betekent letterlijk: ‘aanwezigheid (bodhi) zijnde (sattva)’, of het ‘lichaam van aanwezigheid’. Ik vertaal het met ‘incarnerende aanwezigheid’. Dit betekent dat het onbeperkte in het beperkte huist, het grenzeloze in het begrensde, het doodloze in het eindige, het ongeconditioneerde in het door en door karmisch bepaalde, het volmaakt vrije in het streng afhankelijke en gehechte. De bodhisattva is een paradoxaal dubbelwezen, een God-mens, een heuse avatar. Wanneer de bodhisattva zich niet als zodanig herinnert, als een levende paradox, dan blijft zijn leven beperkt tot een begrensd, eindig, door en door karmisch bepaald, volstrekt afhankelijk en gehecht bestaan. Leidend in zijn leven is dan de angst. Zijn bevrijding vindt hij alleen in een waarachtig herkennen van zichzelf. In en door die herkenning kan hij pas echt worden geboren en bekrachtigd als deze vrije, zeer concrete ongeboren vleesjas.

Die herkenning vindt plaats in verschillende velden op het pad van de bodhisattva. In elk veld wordt een aspect van de incarnatie van aanwezigheid aangeduid en onderhouden, opdat de bodhisattva zichzelf, gaandeweg van veld tot veld, van aspect tot aspect en van beoefening tot beoefening herinnert. De herinnering van de verschillende aspecten van de paradox die hij leeft, is tegelijkertijd de uitdrukking van deze aspecten en de verwezenlijking ervan. Als de bodhisattva zich bijvoorbeeld zijn grenzeloosheid herinnert, drukt hij dit uit in een diep gevoelde ervaring van overvloed en verwerkelijkt hij dit in een geste van onvoorwaardelijk geven. Zo wordt de bodhisattva meer en meer zichzelf. Het goddelijke incarneert daadwerkelijk in het weerbarstige vlees.

Candrakirti ziet de velden als een organische en noodzakelijke orde in de tijd. Het pad begint met een ‘ommekeer’, een ‘inkeer’ of een ‘eerste herkenning’ en gaat via ‘onomkeerbaar’ in het achtste veld, naar de ‘bekrachtiging’ van de God-mens in zijn paradoxale totaliteit in het tiende veld. Elk veld biedt een specifieke mogelijkheid tot onderhoud EN een realisatie van een bepaald aspect van de ‘incarnerende aanwezigheid’.

Je kunt de velden ook zien als gebieden van beoefening binnen de context van de gegeven situatie. Vraagt de situatie om loslaten, dan beoefen je onvoorwaardelijk geven. Vraagt de situatie van je om te wachten en uit te houden, dan beoefen je geduld. Hier worden de velden praktisch toepasbaar in dagelijkse situaties die ons met klem om ons antwoord vragen.

Vijf karakteristieken van Succesvolle Introverten

Door Sylvia Löhken, auteur van Stille mensen, waardevolle krachten

Wat is macht?
Mensen met macht drukken hun stempel op hun omgeving.  Mensen associëren deze macht vaak met begrippen als ‘assertief’, ‘snel-handelend’, of ‘dominant’. Echter, het soort macht dat gepaard gaat met dominantie heeft zijn gebreken, hoe charismatisch en onderhoudend de leidinggevende persoon ook moge zijn. 

De (relatieve) wijsheid van besluiten door een groep
Neem bijvoorbeeld een vergadering. Assertieve en dominante personen zullen snel en vastberaden optreden, waardoor ze meer aandacht krijgen, en belangrijker nog, ze zullen de nabespreking beïnvloeden: wat ze ook zeggen, het zal worden beschouwd als iets om rekening mee te houden.

Er hangt een prijskaartje aan de uitwerking van de ‘eerste sprekers’:  het eerste idee, hoe overtuigend en aantrekkelijk dat idee ook mocht klinken, is niet altijd het beste idee, laat recent onderzoek zien. Rustige personen zijn vaak niet gemotiveerd om andere ideeën aan te dragen, zelfs als die beter lijken te zijn (ook als die gecheckt en vergeleken zijn, en gestaafd zijn door degelijk onderzoek). Met andere woorden: een snelle, gedreven, uiting kan de kwaliteit van het resultaat in gevaar brengen.

De andere macht
Gelukkig bestaat er ook een tweede soort macht die de impulsieve aard van de dominante macht, die zich richt op direct resultaat, balanceert: ‘stille macht’. Deze minder nadrukkelijke vorm van invloed is verbonden met andere attributen – attributen die misschien niet erg indrukwekkend lijken, maar die in staat zijn om een positief, langdurig effect te creëren.

Dit zijn vijf karakteristieken van Succesvolle Introverten:

  1. Introverte mensen zijn in staat uitdagende taken langer te blijven volhouden. Ze blijven het proberen als ze het de moeite waard vinden. Dit klinkt misschien niet overweldigend sexy – maar het maakt het cruciale verschil uit tussen een goed resultaat en een fantastisch resultaat. 
  1. Introverten luisteren en observeren nauwkeurig. Ze evalueren minutieus wat ze van anderen waarnemen. Het beeld dat ze zich daardoor vormen is veel uitgebreider dan van mensen die het druk hebben met zichzelf. Introverten zijn daardoor in staat om waardevolle informatie te integreren in hun plannen en acties. Ze zoeken de juiste informatie. En niet de meest zelf-bewuste informatie. 
  1. Introverten kunnen zich goed in anderen verplaatsen en behoeften en perspectieven begrijpen die afwijken van de hunne. Dit is een cruciaal voordeel in de omgang met anderen. 
  1. Introverten streven er voortdurend naar om inzichten te krijgen in, en te doen wat zij denken dat goed is – zelfs als dat afwijkt van wat de meeste andere mensen vinden. Net zo belangrijk: ze geven een beetje speelruimte aan degenen die verslag aan hen uitbrengen, als het erop aankomt verantwoordelijkheid en beslissingen te nemen. Introverten zijn ook in staat om anderen te laten schitteren. Dit maakt hen tot een populaire baas – vooral ambitieuze strebers vinden het prettig om deel uit te maken van het team van een introverte. 
  1. Tijd voor zichzelf. Introverten zijn ervan overtuigd dat grote prestaties meestal niet het resultaat zijn van een groepsbeslissing of een brainstormproces. Als ze een zeer belangrijke beslissing moeten nemen trekken introverten zich terug en concentreren ze zich op hun taak, zonder afleidingen en zonder de daarbij de noodzakelijke algemeen geldende argumenten in overweging te nemen. 

De eigenschappen die introverten zo succesvol maken kunnen worden waargenomen bij veel introverte leiders. Als je zelf introvert bent, doe dan wat Dolly Parton aanbeveelt: ‘Zoek uit wat je bent – en wees consequent’.

 

Dr. Sylvia C. Löhken geeft lezingen en is coach – en introvert. Met tien jaar ervaring op verschillende werkterreinen, (onderzoek, bestuurlijke functies in de wetenschap, een management functie in Japan), helpt ze zowel introverten als extraverten om hun doelen te bereiken, elk met hun eigen voordelen.

 

 

 

 

 

 

Natuurlijke oplossingen

Beste mensen,

De afgelopen week stond in de krant dat artsen van een ziekenhuis in Tilburg een patiënt klachtenvrij hebben gekregen na een behandeling met manukahoning. De patiënt kampte al lange tijd met een darminfectie, die niet met antibiotica te behandelen was. Het is geweldig dat deze artsen kiezen voor de natuurlijke weg, maar aan de andere kant vreemd dat dit een unicum is. Hierover schreef arts Remko Kuipers deze week een interessante column, die door de medische tijdschriften werd geweigerd.

Remko schrijft in zijn column dat hij als arts veel geld verdient aan zieke mensen. Dat dit ook geldt voor de farmaceutische industrie, de apotheker, de zorgverzekeraars en de overheid. Al die partijen hebben stuk voor stuk belang bij zieke mensen. Hoe eerder en langer iemand ziek is, hoe meer er wordt verdiend.

In de media wordt alleen maar gesproken over dat het zo goed met ons gaat, we worden namelijk ouder dan ooit. Maar de media zwijgen over het feit dat we steeds jonger ziek worden en rondlopen met chronische klachten. Zo is de gezonde levensverwachting voor vrouwen de laatste jaren gedaald van 54 naar 42 jaar.

Ziekenhuizen zijn economische instellingen en de marktwerking doet precies wat het moet doen. Je zou zeggen dat alle partijen daadwerkelijk de medemensen gezond willen maken, maar er zitten volgens Remko heel wat addertjes onder het gras. De huidige geneeskunde is gebaseerd op protocollen die weer gebaseerd zijn op richtlijnen. De richtlijnen worden opgesteld door medisch specialisten. Deze medisch specialisten baseren zich op hun beurt weer op onderzoeken die worden gesubsidieerd door de farmaceutische industrie. En deze industrie, Big Pharma, weigert om onderzoek naar preventieve maatregelen te doen, want dat zou hun businessmodel omverwerpen. Zo is de cirkel weer rond.

Preventie zou niet bewezen zijn en wordt hiermee verwezen naar het domein van de kwakzalvers. Maar Big Pharma heeft nog een slimme truc achter de hand: artsen worden door de overheid via de zorgverzekeraars gecontroleerd aan de hand van prestatie-indicatoren. Remko Kuipers vermoedt dat dit het werk is van slimme lobbyisten, want zo wordt de kwaliteit van een arts afgerekend op de hoeveelheid medicijnen die hij of zij voorschrijft. Als een arts alleen preventieve maatregelen voorschrijft in plaats van medicijnen om de cholesterol te verlagen, dan gaat dat de verzekeringsbanken in als een strafpunt via een lagere financiële vergoeding. Het beste wat een arts kan doen is een leefstijladvies combineren met een medicijn.

Deze week was Richard de Leth bij mij op bezoek. Hij heeft geneeskunde gestudeerd aan de VU in Amsterdam. We hebben samen een filmpje opgenomen over de vraag of medicijnen nu werkelijk altijd nodig zijn:

Remko Kuipers zegt in zijn column wel dat ook burgers goed naar zichzelf mogen kijken. Veel mensen kiezen graag voor de makkelijke weg: weinig bewegen, slecht eten en klachten oplossen met een pilletje. Onze maatschappij is hier ook op ingericht. Wie patat en pizza eet is minder geld kwijt dan iemand die kiest voor salade en groenten. Mensen die leven op groenten, fruit, noten en vette vis betalen wel mee aan de rekening van mensen ‘die van het leven genieten’.

Volgens Remko zou het verstandig zijn als we gezond gedrag zouden belonen en ongezond gezond gedrag ter discussie zouden stellen.

De verandering zal niet komen vanuit het huidige maatschappelijke systeem, dus dat betekent dat we het heft in eigen hand zullen moeten nemen. Onderzoek voor jezelf en breng in praktijk wat je hebt geleerd. De huidige inrichting van het zorgsysteem maakt ons alleen maar zieker. Misschien dat er ooit een zorgverzekeraar is die het aandurft om een gezonde leefstijl te belonen. Als dit zich dan op de lange termijn bewezen terugbetaalt, is de weg vrij om Big Pharma de mond te snoeren…

Gezonde week,
Juglen Zwaan
aHealthylife.nl

Sneeuwwitje en de zeven chakra’s

Niet veel mensen beseffen dat de verhaaltjes voor het slapen gaan, die we als kind kregen voorgelezen, ons eigenlijk wakker willen maken. Sneeuwwitje, Assepoester, Doornroosje en Roodkapje, al die eeuwenoude sprookjes zijn metaforen voor een spiritueel ontwaken. De arme wees met de boze stiefmoeder, de prins en de prinses zonder koninkrijk, het verdwaalde kind in het donkere bos, dat zijn wij. En al deze verhalen willen ons leren wat de weg terug is naar ons eigenlijke thuis, naar God.

Door Anne-Marie Wegh

Nog minder mensen realiseren zich dat de symboliek in deze sprookjes veelal verwijst naar de kundalini-energie, de mysterieuze bron van oerkracht die ‘sluimert’ in ons bekken, en die heden ten dage vooral wordt geassocieerd met oosterse tradities. Maar ook in onze westerse mythes, legendes en oude volksvertellingen, zit vaak kundalini-symboliek verborgen. Laten we, als voorbeeld, kijken naar een sprookje dat iedereen kent: Sneeuwwitje. Haar naam verwijst naar de werking van de kundalini-energie: een zuivering van de mens op het niveau van lichaam, geest en emoties. Alleen met een rein hart kunnen wij door de poorten van het Koninkrijk van God.

De boze stiefmoeder

Als Sneeuwwitje wordt geboren, sterft haar moeder, de koningin. Haar vader hertrouwt met een valse vrouw die jaloers is op de schoonheid van Sneeuwwitje. Ze beraamt een plan om haar te doden. De ‘boze stiefmoeder’ komt in veel sprookjes voor. Zij staat voor ‘de materie’, die onze echte ‘moeder’ niet is. Interessant in dit verband is dat het woord materie ook is afgeleid is van mater, het Latijnse woord voor moeder. Onze echte thuis is in de goddelijke dimensies. De mens die incarneert op aarde is als een ‘weeskind’, in de macht van een ‘stiefmoeder’ die haar eigen (egoïstische) agenda erop nahoudt.

De zeven dwergen

De valse koningin geeft een jager de opdracht om Sneeuwwitje te doden. Hij kan dit echter niet over zijn hart verkrijgen en hij laat haar achter in het donkere bos. Moederziel alleen doolt zij rond, totdat zij het huisje vindt van de zeven dwergen:

Daar opeens zag ze een klein huisje; ze wilde erin gaan om uit te rusten. Alles in ’t huisje was klein, maar sierlijk en keurig; het is niet te zeggen hoe keurig. En er stond een wit gedekt tafeltje, met zeven kleine bordjes, en bij elk bordje een klein lepeltje, en zeven mesjes, en vorkjes en ook zeven bekertjes. Tegen de wand stonden er zeven bedjes naast elkaar, opgemaakt met sneeuwwit beddengoed. En omdat Sneeuwwitje hongerig en dorstig was, at ze van alle zeven bordjes een beetje groente en een beetje brood en dronk uit ieder bekertje een teugje wijn, want ze wilde niet van één alles wegnemen. Daarna – ze was zo moe – probeerde ze een bedje, maar geen van de bedjes paste, het ene te lang en het andere te kort, maar eindelijk, het zevende paste; daarin bleef ze liggen, deed haar gebedje en sliep in.

De zeven dwergen staan voor de zeven belangrijkste chakra’s van ons lichaam. Sneeuwwitje die eet van alle zeven bordjes en bekertjes is een beeld van de kundalini-energie die door onze wervelkolom langs deze zeven chakra’s stroomt. De ronde vorm van borden en bekers correspondeert prachtig met de ‘wiel-vorm’ van chakra’s. Dan laat het sprookje zien hoe de kundalini zich terugtrekt in het bekken, bij het onderste chakra. Dit is het zevende bedje waarin Sneeuwwitje gaat slapen.

Ze mag bij de dwergen blijven wonen en in ruil daarvoor maakt zij hun huisje schoon (kundalini-zuivering), als zij overdag de bergen in gaan om goud (lees: God) te delven. Maar lang duurt haar rust niet. De valse koningin hoort dat Sneeuwwitje nog leeft en gaat op pad om haar alsnog te doden. Het verhaal leert ons nu dat ijdelheid – een van de eigenschappen van het ego – de kundalini ‘slapend’ houdt. Wie gericht is op zichzelf en op de verlokkingen van de materie, krijgt geen toegang tot het goddelijke.

De giftige appel

Verkleed als een verkoopster verleidt de koningin Sneeuwwitje om een ceintuur van haar te kopen, die ze vervolgens zo strak vastsnoert (‘slank willen zijn’) dat haar de adem wordt benomen en zij ‘als dood’ ter aarde stort. De dwergen brengen haar bij thuiskomst echter weer tot leven door de ceintuur los te maken. Daarna probeert de koningin het met een giftige kam (‘mooi willen zijn’), die Sneeuwwitje bewusteloos doet neervallen. Ook nu lukt het de dwergen weer om het meisje bij kennis te brengen. De derde keer slaagt de valse stiefmoeder wel in haar opzet met een giftige appel: ‘Van buiten was hij prachtig, geelwit met rode wangen. Wie ernaar keek, kreeg er trek in. Maar wie er een klein stukje van zou eten – die moest sterven.’ De appel verwijst naar het Bijbelverhaal van Adam en Eva. Deze ‘verboden vrucht’ symboliseert de zintuiglijke verleidingen van ‘de wereld’. Adam en Eva worden na het eten ervan verdreven uit het paradijs (lees: de verbinding met het goddelijke wordt verbroken). 

De glazen kist

De dwergen leggen de (schijn)dode Sneeuwwitje in een glazen kist: ‘Zo lag Sneeuwwitje lange, lange tijd in de kist en ze veranderde niet, maar het leek of ze sliep.’ Het goddelijke leidt in de meeste mensen weliswaar een slapend bestaan, maar kan nooit sterven, zegt dit beeld. In ons bekken, bij het heilig been, wacht de kundalini geduldig tot de spirituele zoeker er klaar voor is om een langdurige weg van zuivering en heling te gaan. Zij ontwaakt vanzelf in eenieder die een op God gericht leven leidt, ongeacht zijn of haar religieuze overtuiging of cultuur, om te helpen de juiste voorwaarden te scheppen voor het ‘heilige huwelijk’: een versmelting van het innerlijk mannelijke en vrouwelijke, waarna een vereniging van de mens met zijn Schepper plaatsvindt.

In het sprookje verschijnt een prins op het toneel, die verliefd wordt op Sneeuwwitje. Deze gebeurtenis symboliseert het begin van de fase van kundalini-ontwaken. Hij neemt haar mee, met kist en al: ‘De prins liet de kist nu door zijn dienaren op hun schouders wegdragen. En toen gebeurde het, dat zij struikelden over een boomstronk, en door de schok schoot het giftige stuk appel dat Sneeuwwitje had afgebeten, uit haar keel.’ De boomstronk symboliseert de wervelkolom waardoor de kundalini naar boven stroomt, naar het kruinchakra. De glazen kist waarin Sneeuwwitje ligt verbeeldt een ‘transparant’ ego, dat door de kundalini-energie is uitgezuiverd.

De prins vraagt opgetogen de wakker geworden Sneeuwwitje ten huwelijk: “Ik heb je lief, meer dan alles op de wereld, kom mee naar ’t slot van mijn vader, dan zul je mijn vrouw worden.” Het slot van de vader (de Vader) van de prins, symboliseert het Koninkrijk van God: de verblijfplaats van de mens die het goddelijke meer lief heeft dan ‘alles op de wereld’.

De roodgloeiende pantoffels

Prachtig, tenslotte, is de symboliek van het lot van de valse koningin. Als zij verschijnt op het huwelijk van Sneeuwwitje en de prins, staat haar een zeer onaangename verrassing te wachten: Maar er waren al ijzeren pantoffels op een kolenvuur gezet en die werden met tangen binnengedragen. Ze moest in de roodgloeiende schoenen gaan staan en zolang dansen, tot ze dood ter aarde viel.

De dansende koningin is een metafoor voor innerlijke kundalini-activiteit. De werking van deze energie wordt vaker uitgebeeld als een dans. De moedergodin Kali uit het hindoeïsme, bijvoorbeeld, die ook de kundalini symboliseert, wordt meestal dansend afgebeeld. Om haar hals hangt een ketting van bloederige, afgehakte hoofden. Trofeeën van alle ego’s die zij al heeft vernietigd met haar rondzwaaiende armen en benen.

De roodgloeiende pantoffels die de koningin moet dragen, verwijzen naar de zuiverende werking van het kundalini-vuur. Haar dood staat voor de dood van het ego, dat gericht is op de materie, een gebeurtenis die onlosmakelijk is verbonden met het heilige huwelijk.

Alchemie

Het sprookje van Sneeuwwitje roept ons op om de weg van de innerlijke transformatie te gaan. De weg van de alchemist die eenzaam en volhardend in zijn laboratorium probeert lood om te zetten in goud. Een metafoor voor het spirituele groeiproces waarbij het aardse in de mens wordt getransformeerd naar het goddelijke. Het sprookje verwijst subtiel naar de traditie van de alchemie met de beschrijving van Sneeuwwitje: een huid wit als sneeuw, lippen rood als bloed, en haren zwart als ebbenhout.

Negredo (zwart), albedo (wit) en rubedo (rood), zijn de drie fases in het alchemische proces. Negredo, de eerste fase, is als de wereld zijn glans heeft verloren en een afbraakproces begint van de ‘oude mens’. Deze fase wordt in het sprookje verbeeld door Sneeuwwitje die angstig ronddoolt in het donkere bos, op zoek naar een nieuw thuis. Albedo is de fase van uitzuivering. Dit proces wordt gesymboliseerd door Sneeuwwitje die het huis van de zeven dwergen (chakra’s) schoonmaakt, als zij in de bergen zijn om goud te zoeken. In de laatste fase, rubedo, vindt de versmelting van de tegenstellingen plaats, verbeeld in het sprookje door het huwelijk van Sneeuwwitje met de prins.

Spiegeltje, spiegeltje, aan de wand…

Wat dit sprookje ons wil zeggen, via de toverspiegel van de boze koningin, is: maak je niet druk over je buitenkant, richt je liever op je binnenwereld, want wat daarin ligt verborgen is duizendmaal mooier dan al het andere op aarde!

Anne-Marie Wegh is auteur van het boek Kundalini-ontwaken.

www.anne-marie.eu