…voor inspiratie, levenswijsheid en bezinning

Archive for the ‘Artikel’ Category

Een pruimenbloesem midden in de winter

Een pruimenbloesem midden in de winter. Taoïstische filosofie in het werk van Eihei Dōgen Michel Dijkstra

[Uit: Inleiding taoïstische filosofie, ISVW uitgevers (2015), pp. 147-163]

De dertiende-eeuwse Japanse denker Eihei Dōgen (1200–1253 n.Chr.), die de geschiedenis is ingegaan als een van de kopstukken van het zenboeddhisme of in ieder geval van de Sōtō-school binnen deze stroming, had een scherp oog voor natuurschoon. Zijn werk zit vol poëtische beschrijvingen van bergkleuren, riviergemurmel, dauwdruppels die aan grashalmen hangen en door de wind meegevoerde herfstbladeren. Binnen deze evocaties van de natuur neemt de pruimenbloesem (Jap. baike) een bijzondere plaats in. Omdat deze prunus[i] middenin de winter zijn bloembladeren ontvouwt en zijn bijzondere geur verspreidt terwijl de sneeuw nog op de grond ligt, vormt hij in de Japanse poëzie van oudsher een krachtig symbool voor permanente hoop en vernieuwing.

Dōgen voorziet de bloesemboom echter van een breder scala aan betekenissen dan de dichters en zenmeesters voor hem. Zo lijkt hij in het Pruimenbloesems-onderdeel van zijn eerste hoofdwerk Shōbōgenzō (‘Schatkamer van het oog van de correcte leer’) de prunusbloemen op te voeren als het brandpunt van de werkelijkheid:

De ‘oude pruimenboom’ waar het nu over gaat is aan niets gebonden: hij bloeit plotseling en draagt zijn vruchten op spontane wijze. Soms vormt hij de lente, soms vormt hij de winter. Soms vormt hij de wilde winden en de stormachtige regen. Soms is hij de hoofden van de monniken, die uit lappen bestaande pijen dragen, en soms is hij het oog van de aloude boeddha’s. Hij wordt gras en bomen, hij wordt zuiverheid en geur. Zijn wonderlijk snelle transformatie kent geen grenzen. Zelfs de grote aarde en de hoge hemel, de heldere zon en de zuivere maan ontlenen hun verdiensten aan de boom-verdiensten van de pruimenboom. Zij zijn altijd met elkaar verstrengeld geweest, zoals de ene rank met de andere rank.[ii]

Deze cryptische tekst roept veel vragen op. Dat de pruimenboom de lente aankondigt, valt nog te begrijpen, maar dat hij ook de winter bewerkstelligt, lijkt vergezocht. Nog curieuzer is de identiteit van de boom met de kaalgeschoren hoofden van zenboeddhistische monniken. En wat te denken van Dōgens opmerking dat de hele wereld op de prunus steunt?

Mijns inziens worden deze raadselachtige uitspraken verhelderd door ze met een taoïstische blik te lezen. In dit essay probeer ik Dōgens wijsgerig denken rondom de pruimenbloesem dan ook te belichten aan de hand van Laozi’s en Zhuangzi’s kerngedachten over de Weg (Dao) en het niet-doen (wu wei). Ik begin met een analyse van de bloemen als poëtisch beeld voor de intieme verhouding tussen het ene en het vele, die volgens Dōgen een belangrijk kenmerk van de verlichte visie op de werkelijkheid vormt. Vervolgens komt een aanvullende betekenislaag van de pruimenbloesem aan bod, namelijk als symbool van onophoudelijke, grenzeloze en spontane zelfregeneratie: in de ogen van de zenmeester het pulserend hart van de realiteit. Tenslotte besteed ik aandacht aan de wijze waarop Dōgen, geïnspireerd door zijn Chinese meester, de pruimenbloesems ter sprake brengt: een filosoferen dat herinnert aan Zhuangzi’s ‘spreken vanuit het vergeten van alle woorden’. Door binnen deze drie aspecten overeenkomsten en verschillen tussen Dōgen en het taoïsme in kaart te brengen, hoop ik aan te tonen dat de Chinese meesters de Japanner begrijpelijker maken en vice versa: wederzijdse verheldering.[iii] 

“Zijn transformatie kent geen grenzen.” De pruimenbloesem als symbool voor eenheid in veelheid (en andersom)

In het hierboven geciteerde fragment van Shōbōgenzō Baike lijkt de pruimenboom de meest uiteenlopende vormen aan te kunnen nemen, van alledaagse grashalmen tot het oog van de aloude boeddha’s. Dit laatste beeld is overigens eenvoudig te duiden vanuit het standaard-zenjargon: de prunus vormt namelijk een Chinees-Japans substituut van de bodhiboom, de vijgenboom of ficus religiosa waaronder Boeddha de verlichting bereikte. Het ligt dan ook voor de hand dat Dōgen de pruimenbloesem opvoert als de essentie (‘het oog’) van de boeddhistische leer. Grashalmen of tienduizend grassprietjes staan in klassieke zenteksten over het algemeen voor de veelheid van verschijnselen, een variant op het taoïstische tienduizend dingen. Naast de grassen en oogbal van de boeddha’s somt Dōgen een groot aantal andere beelden op, die hij met de prunus in verband brengt. Uit deze reeks komt de volgende gedachte naar voren: de pruimenbloesem heeft het vermogen om zich in alles te transformeren, hij is in zekere zin alle dingen.

Even verderop in het Baike-essay schrijft de zenmeester uitvoeriger over de alomvattendheid van de prunus. Op het moment dat hij zijn bloembladeren ontvouwt komt de wereld tevoorschijn en is de lente aangebroken. Op dit moment is één bloem aanwezig als het opengaan van vijf bladeren. De tijd van deze ene bloem is in staat om drie bloemen, vier bloemen, vijf bloemen te bevatten, hij bevat honderden bloemen, duizenden bloemen, myriaden bloemen (…) Miljarden landen binnen bloesems te vormen en in het land te bloeien zijn de gaven van de pruimenbloesems.[iv]

Een caleidoscopisch beeld, dat haast de kracht van surrealistische poëzie bevat. Maar Dōgen doet meer dan dichterlijk proza schrijven. Aan de hand van de pruimenbloesem reflecteert hij op een van de allergrootste vraagstukken uit de westerse en oosterse filosofie, namelijk de verhouding tussen eenheid en veelheid.

Met de frase dat “de wereld tevoorschijn komt als een bloem opengaat” geeft hij direct zijn eigen visie op deze kwestie weer: het ene en het vele zijn volgens hem niet los van elkaar te denken. Het bijzondere beeld van de enkele bloesem die miljarden landen bevat, waarin opnieuw bloesembomen bloeien die op hun beurt landen herbergen, enzovoorts ad infinitum, is echter geen eigen vinding van Dōgen. De zenmeester verwijst naar Indra’s net, een beroemd denkmodel van de vroegmiddeleeuwse Chinese Huayan (Bloemenkrans)-school dat een enorme invloed op de boeddhistische filosofie had. In een basistekst wordt deze metafoor als volgt gepresenteerd:

Het parelnet van Śakra wordt ook wel Indra’s net genoemd en bestaat uit juwelen. Deze juwelen schitteren en reflecteren elkaar, hun spiegelbeelden doordringen elkaar over en weer. In een enkel juweel verschijnen ze allemaal tegelijkertijd en je kunt dit waarnemen in ieder juweel. Er is waarlijk geen komen en gaan.

Als we ons in zuidwestelijke richting wenden en een van de juwelen oppakken om hem te bestuderen, dan zien we dat dit juweel de beelden van alle andere juwelen direct reflecteert. Ieder ander juweel zal hetzelfde doen. Iedere edelsteen zal de beelden van alle andere edelstenen simultaan reflecteren en alle andere juwelen doen dit ook. Deze spiegelbeelden worden herhaald en vermenigvuldigd op een onbegrensde wijze. Binnen de grenzen van een enkele edelsteen bevinden zich de grenzeloze herhaling en weerspiegeling van alle juwelen. Deze weerspiegelingen zijn helder en totaal ongehinderd.[v]

Binnen dit beeld wordt de identiteit van de individuele edelsteen volledig geconstitueerd door het netwerk van de andere juwelen. Andersom bevat een enkel juweel het geheel en vormt zo, als je alleen in één edelsteen kijkt, ‘de oorzaak’ of dragende instantie van het geheel. Omdat alle edelstenen volledig transparant en schitterend zijn, kunnen ze elkaar eindeloos weerspiegelen. Niets zit elkaar in de weg. In het filosofisch jargon van de Huayan-school wordt dit proces de wederzijdse doordringing en ondersteuning van alle fenomenen genoemd (Jap. ji-ji-mu-ge, letterlijk: ding-ding-geen-obstructie).

De wijsgerige boodschap van Indra’s net luidt dan ook dat geen enkel fenomeen uit de werkelijkheid zich in een isolement bevindt, maar dat alles onlosmakelijk met alles is verbonden. Uit dit beeld kun je bovendien drie hoofdkenmerken van de realiteit destilleren. Om te beginnen vormen alle dingen een eenheid in veelheid en vice versa. Verder zijn alle dingen fundamenteel open ten opzichte van elkaar en bestaat er dan ook niets wat een ondoordringbare, massieve kern of substantie bevat. Tenslotte is de werkelijkheid een proces dat uit de eindeloze reflectie van zijn eigen schittering bestaat. Bij dit luisterrijke beeld van de Huayan-school hoort echter een opmerking: hoewel de wederzijdse doordringing en ondersteuning van de fenomenen alomtegenwoordig is, kan de mens dit proces niet empirisch waarnemen. Je hebt, om Dōgen te parafraseren, een hart/geest nodig die door de beoefening veredeld is. Of: je moet diepgaand zitmeditatie (Jap. zazen) beoefenen.

Indra’s net vormt een sleutelmetafoor om Dōgens soms lastige gedachtegangen te volgen. In Shōbōgenzō Baike beschrijft hij de pruimenbloesem niet alleen in termen van dit Huayan-paradigma, maar vormt de prunus zelf ook een symbool van de eenheid in de veelheid. Een enkele bloem bestaat immers uit meerdere bladeren en de vele bloesems vormen samen het bloeien van een boom. Daarnaast lijkt Dōgen de bloesemblaadjes met de juwelen uit Indra’s net te vergelijken, die de hele realiteit weerspiegelen. In zijn tweede hoofdwerk, de Eihei Kōroku (‘Dōgens uitgebreide optekeningen’), hanteert hij deze symboliek expliciet. Onder andere in een passage met de veelzeggende titel ‘De wonderlijke geur van wijsheid en deugd middenin de sneeuw’: “In de sneeuw is een enkele tak van juwelen pruimenbloesems. Een wonderlijke geur dringt de neus binnen nog voordat het lente wordt.”[vi]

Een andere, aan bovenstaand discours verwante wijze waarop de pruimenboom als beeld voor eenheid in veelheid fungeert, is te vinden in de eerder geciteerde zin: “Op dit moment is één bloem aanwezig als het opengaan van vijf bladeren.” Deze frase vormt een verwijzing naar een gedicht dat wordt toegeschreven aan Bodhidharma, de quasimythologische stichter van het zenboeddhisme. Dōgen interpreteert ‘de ene pruimenbloesem’ als Bodhidharma en ‘de vijf bladeren’ als zijn eerste vijf opvolgers of zenpatriarchen. Het gegeven dat de bloembladeren samen de bloem vormen symboliseert Bodhidharma’s verlichtingsgeest die van patriarch op patriarch wordt overgedragen, maar steeds ‘een’ of hetzelfde blijft.

Binnen de context van Dōgen’s verzameld werk kan de prunus-filosofie dan weer geduid worden als een variant van zijn denken over Boeddhanatuur. Dit concept slaat in de klassieke Indiase en Chinese context op de potentie van levende wezens om verlicht te worden. Onder invloed van Kukai (774–835 n.Chr.), de grootste Japanse cultuurdrager aller tijden, breidt Dōgen de Boeddhanatuur uit tot alles wat bestaat. Bovendien ziet hij dit fenomeen niet als een te bereiken doel, maar zijn alle dingen zoals ze zich hier en nu voordoen Boeddhanatuur. Volgens de zenmeester is het echter niet voldoende om deze filosofische gedachte te begrijpen. De mens doorgrondt dit inzicht pas geheel in de beoefening van het boeddhisme, vooral zenmeditatie.

De onlosmakelijke eenheid van de tienduizend dingen en de door de prunus gesymboliseerde Boeddhanatuur keert terug in Dōgens beeld van de met elkaar vervlochten twijgen: “Zelfs de grote aarde en de hoge hemel (…) ontlenen hun verdiensten aan de pruimenboom. Zij zijn altijd met elkaar verstrengeld geweest, zoals de ene rank met de andere rank.” Vanzelfsprekend brengt de zenmeester de alomvattende Boeddhanatuur doorgaans ter sprake via de drie kenmerken van het Huayan-model: eenheid in veelheid en andersom, non-substantialiteit en dynamiek.

Toch is dit paradigma uit het Chinese boeddhisme niet de enige voedingsbodem van Dōgens denken over eenheid en veelheid. De beschrijving van Indra’s net leunt namelijk zwaar op de taoïstische wijsbegeerte. Zo vormt de alomtegenwoordige schittering van dit netwerk een echo van de opvatting dat Dao op alle punten in alle ruimten en alle tijden simultaan ‘gebeurt’. Daarnaast is de Weg volgens Laozi geen instantie die het verschil tussen de dingen opheft, maar ze juist met elkaar in verbinding brengt. Hetzelfde kan gezegd worden over de edelstenen van Indra’s net of de bloesemblaadjes van Dōgens pruimenboom: volgens deze metaforen is ieder ding uniek maar raakt hij tegelijkertijd aan alle andere dingen.

Interessant genoeg komt in hoofdstuk 73 van de Daodejing ook een net voor:

De netten van de Hemel zijn weids en groots.

De mazen zijn ruim, maar niets ontglipt eraan.[vii]

Net als in Indra’s net speelt het begrip ‘leegte’ een belangrijke rol in de netten van de Hemel. Er is echter een cruciaal verschil tussen beide metaforen. In het boeddhistische beeld maakt de leegte, zuiverheid of openheid van de individuele edelstenen de eindeloze weerspiegeling van het geheel mogelijk. De ruime mazen van het taoïstische net van de Hemel (het woord slaat trouwens op de natuur zelf en niet op een onzichtbare dimensie boven de wereld), geven juist ruimte aan ieder ding om zich te kunnen ontwikkelen. Dit net heeft dan ook niet de functie om de dingen gevangen te houden, maar faciliteert alles. Met andere woorden: Dao geeft de dingen zoveel ruimte als ze nodig hebben, zonder ze ooit te laten vallen. Deze gedachte bevat verwantschap met de omschrijving van de Weg als een voedende moeder uit de Daodejing. Wellicht alludeert Dōgen via de pruimenboom-metafoor op deze taoïstische gedachte. De boom schenkt zijn sap immers aan iedere bloesem, die door zijn individuele groeiproces groot of klein uitvalt.

Dit idee van de voedende kracht leidt als vanzelf naar een ander bijzonder kenmerk van de prunus met een sterke taoïstische bijklank. Hoewel deze boom de prachtigste bloesems laat uitkomen, is hij toch “niet in staat om hier trots op te zijn”.[viii] Dit herinnert aan de omschrijving van Dao die zich nergens op laat voorstaan en alle dingen spontaan voortbrengt, zonder ze te willen overheersen. Het bloeien van Dōgens pruimenbloesem kan denk ik dan ook gelezen worden als wei wu wei: het doen van het niet-doen. Juist omdat de boom geen trots kent, zijn de bloemen schitterend.

Tenslotte vormt de veelheid van pruimenbloesems een groot transformatieproces van het ontstaan en vergaan van knoppen en bloembladeren. Ook hier is het taoïstische denken niet ver weg. Dao wordt door Laozi en Zhuangzi namelijk omschreven als datgene wat de oneindige transformaties in de wereld om ons heen aandrijft. Dōgens opmerking dat de “wonderlijk snelle transformatie van de pruimenboom geen grenzen kent” vormt een variatie op deze gedachte. In het aan het begin geciteerde fragment stelt de zenmeester zelfs dat de prunus zich in alles kan veranderen, zonder met een van deze dingen samen te vallen. Transformatie, wu wei en het dragend voeden van alle dingen lijken de hoofdbestanddelen van deze imposante verschijning in de sneeuw te zijn.

Dōgen laat in Shōbōgenzō Baike de taoïstische filosofie dan ook schitteren in de gedaante van de winterprunus. Met dit beeld accentueert hij echter tegelijkertijd een aspect van deze Chinese filosofie dat in sommige basisteksten, bijvoorbeeld de Daodejing, een verborgen leven leidt: de oneindige vernieuwing van alles wat is.

“Vernieuwing die zichzelf van vernieuwing ontdoet.” De pruimenbloesem als symbool voor spontane zelfregeneratie

Terwijl de bloesems van de prunus onder Dōgens schrijfpenseel hoofdzakelijk als symbool voor de non-duale verhouding tussen eenheid en veelheid fungeren, duidt het contrast van de uitbundig bloeiende boom en de door sneeuw bedekte aarde een andere wijsgerige gedachte aan. Namelijk: de non-obstructie van leven en dood. Het nieuwe leven dat uit de takken voortkomt, wordt immers niet gehinderd door de sneeuw en andersom. Daarnaast illustreert de winterprunus de welbekende yin-yanggedachte, die ook in het taoïsme een belangrijke rol speelt. Zodra een toestand op zijn hoogtepunt is, in dit geval de winter, dient het tegendeel zich alweer aan, in dit geval de lente.

Dōgen schrijft in Shōbōgenzō Baike uitvoerig over deze lente-symboliek van de pruimenbloesem. Ook hier speelt het Huayan-paradigma een belangrijke rol. Met het bloeien van een prunus begint niet een lente, maar breken ontelbare lentes tegelijkertijd aan:

In de omhelzing van het bloeien van de pruimenboom, breken myriaden lentes vroeg aan. Myriaden lentes zijn een of twee deugden die een pruimenboom bevat. Slechts een lente is in staat om de tienduizend dingen te vernieuwen en de tienduizend dingen te transformeren tot de eerste ochtend van het nieuwe jaar. ‘Gunstig’ [Dōgen verwijst hier naar een gedicht dat hij uitlegt] betekent het correcte oog. De tienduizend dingen zijn niet alleen het verleden, het heden en de toekomst, maar ook voor en na de Koning van het Lege Tijdperk. Omdat het onmetelijke, onuitputtelijke heden, verleden en toekomst geheel nieuw zijn, ontdoet deze nieuwheid zich van nieuwheid.[ix]

Opvallend genoeg plaatst Dōgen het beeld van de tienduizend lentes als kenmerk van de pruimenboom direct in een bredere context. De boom heeft nog veel meer karakteristieken, die de mens met zijn beperkte denk- en kenvermogen onmogelijk kan doorgronden. Deze onmetelijkheid wordt nader uitgewerkt met de opmerking dat slechts een van de tienduizend lentes die de prunus herbergt in staat is om alles te vernieuwen. Dit vernieuwingsproces is bovendien niet alleen gaande op het moment waarop je toevallig de prunusbloesem in je achtertuin voor het eerst ziet uitkomen, maar op alle momenten in het heden, verleden en de toekomst tegelijkertijd. Dōgen verbreedt dit op zich al grandioze beeld met de opmerking dat deze regeneratie zelfs “voor en na de Koning van het Lege Tijdperk” plaatsvindt, wat zoveel betekent als voor het begin van de tijd en na het einde der tijden.

Met andere woorden: de hier genoemde vernieuwing valt samen met het stromen van alles en alle tijden. Vandaar ook Dōgens opmerking dat deze totale regeneratie een “nieuwheid is die zich van nieuwheid ontdoet”. Hij denkt vernieuwing namelijk niet als oppositie van het oude, maar als de stroom die zowel het oude als het nieuwe mogelijk maakt. Op die manier is de vernieuwing werkzaam in het leven en in de dood. Voor deze gedachte vormt de pruimenboom een adequaat beeld, omdat het verdorren van de oude bloesems het ontstaan van de nieuwe bloemen juist mogelijk maakt. Sterven en geboren worden vormen een eenheid. Dit proces, dat altijd en overal gaande is, noemt de zenmeester op poëtische wijze “het bloesemen van de werkelijkheid”.

Dōgens opvatting over vernieuwing als de bron van de tegenstelling tussen het oude en het nieuwe vormt opnieuw een weerspiegeling van het taoïstische denken. Zhuangzi benadrukt namelijk ook dat Dao niet samenvalt met leven en dood, maar deze fenomenen juist mogelijk maakt. Bijvoorbeeld in het beroemde verhaal over het sterven van zijn vrouw:

Zhuang Zi’s vrouw was gestorven. Toen Hui Zi hem kwam condoleren, zat Zhuang Zi juist op zijn hurken, trommelend op een kruik, te zingen. Hui Zi zei: ‘Dat je niet huilt om de dood van haar met wie je hebt samengeleefd, je kinderen hebt grootgebracht en oud geworden bent, gaat al ver genoeg, maar ga je niet over de schreef door ook nog trommelend op een kruik te zingen?!’

Zhuang Zi antwoordde: ‘Geenszins. Zou ik soms in staat zijn geweest géén verdriet te voelen toen ze nog maar net gestorven was? Me bezinnend op het begin van haar bestaan, kwam ik tot het inzicht dat zij oorspronkelijk geen leven bezat; niet slechts geen leven, maar ook geen vorm, niet slechts geen vorm, maar ook geen lucht. Vanuit een warrige mengeling vond er een verandering plaats en er was lucht. De lucht veranderde en er was vorm. De vorm veranderde en er was leven.

Vandaag was er weer een verandering en die leidde tot de dood. Deze opeenvolging van veranderingen is als de gang der vier seizoenen, lente, herfst, winter en zomer.

Zij ligt reeds in het Immense Huis. Dan toch nog luidruchtig bij haar te blijven huilen, zou ik als een gebrek aan voeling met het lot beschouwen. Daarom ben ik ermee gestopt.[x]

Door te begrijpen dat Dao leven en dood in eindeloze opeenvolging voortbrengt, kan Zhuangzi zich uiteindelijk verzoenen met de dood van zijn levensgezellin. Maar terwijl taoïstische verhalen als het bovenstaande vooral de nadruk leggen op het procesmatige van de afwisseling van leven en dood, benadrukt Dōgen juist het regeneratieve aspect. Op die manier brengt de Japanse zenmeester een sterk eigen accent in deze Chinese filosofie aan. Oneindige vernieuwing vormt het kloppend hart van de werkelijkheid.

Dōgens beeld van de lente als eigenschap van de pruimenbloesem krijgt overigens nog meer reliëf in het licht van zijn beroemde essay Shōbōgenzō Uji (‘Zijn-tijd’). In deze tekst gebruikt hij dezelfde voorjaars-metafoor voor het stromen van de tijd:

Denk niet dat dit stromen lijkt op de wind en de regen die van het oosten naar het westen bewegen. De hele wereld is niet onveranderlijk of onbeweeglijk. Zij stroomt. Stromen is zoals de lente. De lente met zijn ontelbare aspecten wordt stromen genoemd. Als de lente stroomt, is er niets buiten de lente.[xi]

Uit deze laatste zin blijkt nogmaals zeer scherp dat de lente-metafoor de kenmerken regeneratie en alomvattendheid verenigt. Op het moment dat de lente aanbreekt, beperkt dit proces zich niet tot je eigen straat, maar kun je overal de vogels horen zingen, de bloemen zien uitkomen en voelen dat de lucht warmer wordt. Een zich in alle richtingen uitbottende transformatie, die ieder ding vernieuwt en in deze regeneratie met alle andere dingen verbindt. Of, zoals Dōgen het in een andere tekst kernachtig zegt: “De tien windrichtingen zijn één vuist.”[xii] In meer discursieve taal: de werkelijkheid is een eenheid die wordt gevormd door het voortdurend vernieuwde samenwerken of harmoniëren van de onderdelen, zoals een vuist niets anders is dan het krachtig samenballen van de vingers.

Mogelijk heeft de zenmeester tijdens het schrijven van zijn traktaat over de pruimenbloesem ook aan de zogenaamde plaatjes van de os gedacht. Deze uit het twaalfde-eeuwse China stammende collectie van tien afbeeldingen illustreert de zenboeddhistische weg naar verlichting. Plaatje negen toont een bloesemboom die tegen een steile helling bloeit met uitzicht op een zachtjes stromende rivier. Traditioneel wordt deze afbeelding geduid als het terugkeren naar je ware, spontane en natuurlijke aard. Een proces dat de taoïsten het afgestemd zijn op Dao noemen. Vanuit het contact met deze bron kun je alle dingen vanuit het niet-doen volvoeren, net zoals de pruimenboom die uit zichzelf de bloesems voortbrengt.

Deze onthechte manier van handelen wordt fraai geïllustreerd met de laatste regel van een gedicht dat bij het tiende plaatje van de os hoort: “Voor mij komen dode bomen tot leven.” Volgens mij impliceert deze frase dat de mens, voor zover hij open en spontaan in de wereld staat, het bloesemen van de realiteit bevordert. Geheel in lijn met het Huayan-paradigma van Indra’s net ondersteunt en doordringt hij alles en iedereen dat op zijn pad komt. Concreet houdt dit in dat deze mens vanuit het inzicht dat alle fenomenen met elkaar verbonden zijn zoveel mogelijk compassievol gedrag vertoont. De kracht van dit mededogen is zo groot, dat het schijnbaar uitzichtloze situaties ineens van een bevrijdend perspectief kan voorzien: het dode hout komt tot leven. De verlichte of wijze mens houdt dan ook niets voor zichzelf, maar is volstrekt altruïstisch. In dit gedrag vindt hij zijn grootste vreugde. Deze verheven levenshouding herinnert aan Laozi’s dictum: “De wijze pot niet op./ Als hij wat hij heeft aan anderen geeft,/ dan heeft hij zelf nog meer.”[xiii]

Of de plaatjes van de os werkelijk een inspiratiebron voor Shōbōgenzō Baike hebben gevormd, valt te bezien. De zenmeester benadrukt in ieder geval dat hij de filosofische gedachten van dit stuk niet zelf verzonnen heeft, maar ze ontving:

Vertrouwen in frisse bloesems

  1. Dharma hal voordracht

Ik, Eihei, heb deze frase die correct aan mij is overgedragen: middenin de sneeuw bloesemt de pruim slechts op een enkele tak.

Veel middelmatige lieden en mensen van laag allooi horen dit, maar weinigen geloven erin. Mahāyāna bodhisattva’s vertrouwen zonder twijfel.[xiv]

Wie heeft Dōgen deze beknopte wijsbegeerte van de bloesemboom meegegeven? Voor degene die bekend is met zijn biografie, ligt het antwoord voor de hand: de Chinese meester Tiantong Rujing (1162–1228), onder wiens begeleiding hij de verlichting zou hebben gerealiseerd. Met de naam van deze geestelijke leidsman opent zich een derde betekenislaag in Dōgens poëtische essay.

Epiloog: de meester als pruimenbloesem. Dōgen en Rujing

Behalve als filosofische en religieuze reflectie op de prunus, is Shōbōgenzō Baike te lezen als Dōgens meest uitvoerige hommage aan Ruijing. In plaats van traditionele zenverhalen te becommentariëren, zoals hij doorgaans in zijn eerste hoofdwerk doet, neemt de Japanner Rujings gedichten over de pruimenbloesem als uitgangspunt voor zijn eigen denken. Op die manier is de tekst niets anders dan een bescheiden verheldering van het dichterlijke talent van ‘de aloude boeddha Tiantong’. Bovendien komt Dōgen superlatieven tekort in zijn lofzang op de Chinese meester: “Nu hij Song China heeft verlaten, is het donkerder dan een maanloze nacht. Waarom? Omdat er geen aloude boeddha is zoals Rujing – noch voor, noch na hem.” De Japanner benadrukt dat hij het als een bijzondere genade ervoer om de Chinese abt te ontmoeten, temeer omdat hij zichzelf als dwaas en onwetend beschouwde. Omdat deze ontmoeting zijn visie op de werkelijkheid definitief openbrak en vernieuwde, was Rujing voor Dōgen mijns inziens zoiets als het plotseling opbloeien van de pruimenbloesem in de winter.[xv]

Deze typische, middeleeuws-oosterse affectie van een leerling voor zijn meester is voor ons moderne westerlingen in veel gevallen lastig te begrijpen, laat staan na te voelen. Behalve, wellicht, als we deze genegenheid met een andere emotionele toestand vergelijken, zoals verliefdheid. Wie verliefd is, richt zijn aandacht weliswaar hoofdzakelijk op een fenomeen van de werkelijkheid, maar neemt hierdoor, op begenadigde momenten, tegelijkertijd de hele realiteit in een nieuw licht waar. Daarnaast kan het gebeuren dat in een gesprek met degene van wie je houdt alles wegvalt en dat de geliefde in zekere zin de wereld wordt. Zo gezien sluiten beide vormen van voelen fraai aan bij het Huayan-paradigma, waarin je het hele universum in een enkel fenomeen kunt terugvinden, dat tevens alles draagt.

De vraag dringt zich echter op wat Dōgen precies in Rujing aansprak. Een deel van het antwoord is volgens mij te vinden in zijn, hoogstwaarschijnlijk door ontroering en verbazing gemotiveerde opmerking dat hij het recht kreeg om ieder moment “bij de meester binnen te lopen en naar diens dharmawoorden te luisteren”. Deze uitspraak ligt in lijn met een andere opvatting uit de Shōbōgenzō, namelijk dat je een boeddha kunt herkennen aan zijn (of haar!) “vermogen om de Weg tot uitdrukking te brengen”. Hoewel deze articulatie van de Weg alle vormen van verbale en non-verbale communicatie omvat, schijnt het mij toe dat vooral Rujings woorden diepe indruk op Dōgen maakten. In Shōbōgenzō Baike voert hij diens gedichten immers op als juwelen, die hij met zijn eigen tekst hoogstens wil oppoetsen. Wat is dit spreken over de Weg?

Volgens mij niets anders dan de voortdurende verheldering van de non-duale verhouding tussen het ene en het vele en de spontane zelfregeneratie van de werkelijkheid waarvan, zoals hierboven werd geschetst, de pruimenbloesem het ultieme symbool vormt. Dit spreken, dat natuurlijk zelf ook onderdeel van de Weg is, dient de realiteit dan ook niet te fixeren, maar juist te openen. Het schept geen vaste betekenissen, maar laat de relativiteit van al het menselijk denken zien. Op die manier reflecteert dit spreken over de Weg de eenheid, non-substantialiteit en dynamiek van de realiteit. Het paradigma voor deze bijzondere manier van spreken is wederom te vinden in het taoïstische denken. Een van de mooiste passages van de Zhuangzi besluit namelijk met deze regels die, om Dōgen te parafraseren, woorden bevatten die ‘je nog nooit hebt gehoord’:

Het visnet bestaat omwille van de vis, en als de vis gevangen is, dan kun je het net vergeten. De konijnenstrik bestaat omwille van het konijn, en als het konijn gevangen is, dan kun je de strik vergeten. Woorden bestaan vanwege hun betekenis, en als je de betekenis begrepen hebt, dan kun je de woorden vergeten. Waar vind ik iemand die alle woorden is vergeten, zodat ik een woordje met hem kan spreken?[xvi]

Misschien was Rujing voor Dōgen zo’n persoon die alle woorden vergeten was en vanuit deze grenzeloze openheid sprak. Het is denkbaar dat de Japanner, terwijl hij naar de Chinese meester luisterde, het gevoel had dichtbij de bron te zitten waaruit alle betekenissen spontaan opborrelen en weer wegvloeien, zonder dat zijn kracht ooit uitgeput raakt.

Dat overigens ook Dōgen het vermogen bezat om de Weg feilloos via taal tot uitdrukking te brengen, bewijzen zijn vele lyrische gedichten. Zoals deze tekst, die niet over de pruimenboom, maar over de perzikbloesem gaat:

Verlicht worden door het zien van de perzikbloesems

De bloembladeren van de perzikbloesem

Die zich ontvouwen in de lentebries

Vegen alle twijfels weg

Te midden van de afleidingen van

Bladeren en takken.[xvii]
 

Geschreven in de winter van 2014 op 2015

 

[i] Het gaat hier om de winterbloeier Prunus mume (Jap. ume), die zijn bloembladeren op het kale hout opent.

[ii]Nishijima en Cross 1997, p. 172. Zie ook Tanahashi 2010, p. 581.

[iii] Ik ontleen deze term aan Sharma 2005.

[iv]Nishijima en Cross 1997, p. 172 en Tanahasi 2010, p. 584.

[v]De Bary 2008, p. 258. Nederlandse vertaling uit het Engels van de auteur.

[vi] Leighton & Okumura 2010, p. 319.

[vii] Schipper 2010, p. 169.

[viii]Nishijima en Cross 1997, p. 172 en Tanahasi 2010, p. 584.

[ix]Nishijima en Cross 1997, p. 178 en Tanahasi 2010, p. 586.

[x] Ransdorp 2007, pp. 207-208.

[xi]Tanahasi 2010, p. 108.

[xii] Tanahasi 2010, p. 591.

[xiii] Schipper 2010, p. 185.

[xiv] Leighton & Okumura 2010, p. 409.

[xv] De vergelijking tussen de prunus en een spirituele meester is niet ongangbaar in Dōgens werk. Opvallend genoeg vergelijkt de zendenker zichzelf met een oude pruimenboom in een gedicht dat hij schreef bij een van hem vervaardigd portret. Zoals ik eerder aangaf, identificeert hij Bodhidharma, de eerste Chinese patriarch van het zenboeddhisme, met de bloesem van deze boom. Zie Leighton & Okumura 2010, p. 353 en p. 601.

[xvi] Schipper 2007, p. 355.

[xvii] Vert. Heine 2012, p. 69. Nederlandse vertaling uit het Engels van de auteur.

Love and Death by Elias Amidon

Lying there, looking up at the doctor and your next of kin, you grow uncomfortable with their concerned faces. You close your eyes so they will think you need to rest. You hear them back out of the room and the soft click of the door. You can still hear them speaking out in the hall, most of the words indecipherable except for the doctor’s, who you distinctly hear say, “It won’t be long now.” (meer…)

Levensvraag: Hoe maak ik onderscheid tussen illusie en daadwerkelijke lotsverbondenheid?

Na een leven als moeder van drie opgroeiende kinderen sta ik stil bij wat er was. Wat er ontbrak. Twee jaar geleden bracht dat stilstaan me in een verwijtende verstikkende depressie. Beladen met schuld over mijn handelen. In mijn opvoeding kon ik niet de liefdevolle moeder zijn die ik voor ogen had toen ik de taak oppakte. Ondanks mijn jaren lange zoektocht naar anders, beter liever open, zag ik mezelf kritisch oordelend, verwijtend streng zijn. Dit zien was zo pijnlijk dat ik het steeds wegstopte en wegvluchtte in druk zijn, werk hobby’s. Nabijheid missend met alle mensen om me heen.

(meer…)

Het Leven gaat door

Toen hij zijn onderzoek naar bijnadoodervaringen aan The Lancet aanbood, kon Pim van Lommel niet vermoeden, dat hij later één van de meest besproken wetenschappers zou worden. Opeens wilde iedereen meer weten over die man die zijn onderzoek naar zo’n esoterisch onderwerp geplaatst wist te krijgen in zo’n toonaangevend medisch vakblad. Toch verbaast het hem niet dat zijn publicatie in 2001 zoveel stof heeft doen opwaaien. Niet eerder werd zo systematisch en uitgebreid onderzoek gedaan naar de ervaringen van mensen die klinisch dood waren verklaard en vervolgens weer terugkwamen in het leven. En niet eerder werd duidelijk hoe eenduidig hun ervaringen zijn en welke consequenties deze hebben voor ons denken over leven en dood. (meer…)

Voorjaarsmoeheid?

Deze week raasde de storm over het land. Nadat het weer opgeklaard was, hoorde ik veel mensen om mij heen klagen over moeheid. Toen ik nog in het duister tastte voor wat betreft gezondheid, werd ik ook regelmatig geplaagd door extreme moeheid. Tegenwoordig heb ik energie te over, daarom ga ik in deze nieuwsbrief met je delen hoe dat zo gekomen is.

Aan de vooravond van mijn zoektocht naar gezondheid, op mijn 18e, was ik aan het begin van de middag regelmatig in bed te vinden. Even bijkomen. Ik dacht hier laatst nog aan terug, wat een verschil het is met nu. In die tijd nam ik nog heel veel suiker. Vlak nadat je de suiker op hebt krijg je een enorme energieboost, maar als het is uitgewerkt volgt onherroepelijk de suikerdip. Het enige dat dan op korte termijn helpt is het nuttigen van een nieuwe suikerrijke snack. Dit mechanisme werkt diabetes en overgewicht in de hand en dat is waar ongelofelijk veel Nederlanders dan ook mee te kampen hebben. Het weglaten van bewerkte producten is een eerste stap naar meer energie.

Mijn energie is vooral vooruit gegaan toen ik brood liet staan. Het kunnen de gluten zijn, maar het kan ook de suiker in het brood zijn. Brood is eigenlijk niets anders dan zetmeel. Zetmeel is pure glucose, een supersnel opneembare suiker. Ik kan er met mijn pet niet bij dat het Voedingscentrum anno 2015 nog steeds met droge ogen kan beweren dat we niet zonder brood kunnen. Misschien zijn ze bang dat diëtisten dan zonder werk komen te zitten, want sinds ik brood laat staan ben ik 10 kilo lichter.

Een andere zaak is dat we aan het einde van de winter zonder twijfel door onze voorraad vitamine D heen zijn. Een tekort aan vitamine D kan het lichaam in de spaarstand zetten. Als je lichaam minder energie verbruikt kun je niet alleen dikker worden, maar ook vermoeider.

Onze cellen produceren ATP. ATP is een drager van energie, zodat we dit kunnen opslaan voor als we het nodig hebben. Als je spierweefsel kweekt door te bewegen, krijg je meer fabriekjes die ATP maken. Door energie te geven, ook al ben je vermoeid, krijg je dus op termijn meer energie ervoor terug. Als ik naar de sportschool ga kom ik er vaak energieker uit dan ik erin ging. Je zou het omgekeerde verwachten. In de winter gaan de meeste mensen passieve activiteiten opzoeken zoals puzzelen, een boek lezen, een film kijken etc. Dit zijn allemaal zaken waarbij weinig wordt bewogen, met aan het einde van de winter een verlaagde ATP-productie als gevolg. Meer bewegen kan dan helpen.

Volgens het boekje Vitamine B12-tekort van Hans Reijnen is een B12-tekort een grote veroorzaker van vermoeidheid. B12 is een vitamine die we lastig uit onze voeding kunnen halen. En als het al in onze voeding zit, dan kunnen we het vaak niet opnemen. Om vitamine B12 te kunnen opnemen hebben we maagzuur nodig. Veel mensen hebben een tekort aan maagzuur, met een tekort aan vitamine B12 als gevolg. Vitamine B12 is een cofactor bij talloze zaken in ons lichaam, waaronder de methylatie. Methylatie is een scheikundig proces, waarbij methylgroepen aan moleculen worden toegevoegd. Hierdoor worden vele processen opgestart, zodat ons lichaam naar behoren kan functioneren, zonder vermoeidheid. Hoe je een B12-tekort kunt herkennen heb ik in deze blog gezet. Onderaan deze blog vind je een B12-tekort zelftest.

De afgelopen week was Jan van Stiphout bij mij op bezoek. Hij heeft het fenomeen binnenshuis aarden naar Nederland gehaald. Doordat we op schoenen lopen en er tegelijkertijd steeds meer straling in de ether komt, kunnen we de spanning op het lichaam niet meer goed afvoeren. Dit heeft als gevolg dat het lichaam steeds meer antioxidanten tekort komt. Het lichaam heeft dan een teveel aan positieve ionen en een tekort aan negatieve. Negatieve ionen kunnen elektronen doneren en zijn daarmee antioxidanten. Een tekort aan antioxidanten kan je moe maken doordat er laaggradige ontstekingen kunnen optreden. Meestal zijn mensen in de zomer minder vaak ziek. We zijn dan meer buiten, wat als gevolg heeft dat we zelf vitamine D aanmaken door zonlicht. Een ander voordeel van meer buiten zijn is dat we dan natuurlijk geaard kunnen zijn. Door in het gras te liggen of in het water te zwemmen, zijn we in contact met de aarde. Ongemerkt heeft dit grote gevolgen voor het lichaam. Wat deze gevolgen precies zijn, laten Jan van Stiphout en ik zien in een fimpje op YouTube. Met behulp van een oscilloscoop en een multimeter demonsteren we de absurd hoge spanning van mijn ongeaarde lichaam, terwijl dit geaard een heel ander verhaal is. Als je wilt weten met hoeveel procent de spanning daalde kun je het filmpje hier op YouTube bekijken.

Juglen Zwaan
aHealthylife.nl

Fasen van meditatie

De belangrijkste fasen van de meditatieve praktijk, variërend van psychische absorptie, naar subtiele verlichting, naar causale transcendentie tot de ultieme non-duale omhelzing van Vorm en Leegte.

Meditatie zelf

V: Wij willen graag dat je de ervaringen van verschillende stadia van meditatie beschrijft. Maar vertel ons eerst over meditatie zelf – de verschillende soorten en hoe ze werken.

A: Het is onder de deskundigen  gebruikelijk meditatie te verdelen in twee grote categorieën, de zogenaamde ‘concentratie’ en ‘gewaarzijn’ (of ‘inzicht’) meditatie. Of: ‘geopend’ en ‘gesloten’.

Laten we zeggen dat je kijkt naar een muur waar honderden puntjes op geschilderd zijn. In concentratie meditatie kijk je slechts naar één punt, en je kijkt er zo gefocust naar dat je de andere punten niet eens ziet. Dit ontwikkelt je concentratievermogen.

In gewaarzijn training, of inzicht-meditatie probeer je zo gewaar te zijn van alle punten als je kunt zijn. Dit verhoogt je gevoeligheid, gewaarzijn, en wijsheid in die zin.

In concentratie-meditatie, richt je je aandacht op een object – een rots, een kaarsvlam, je ademhaling, een mantra, het hart, een gebed, en ga zo maar door. Door intens te concentreren op een enkel object, word jij als subject langzamerhand ‘geïdentificeerd’ met dat object. Je begint het subject/object dualisme, dat de basis is van al het lijden en illusie, te ondermijnen.

Geleidelijk aan worden steeds hogere rijken van bestaan​​, die leiden naar de uiteindelijke of non-duale dimensie, allemaal vanzelfsprekend voor je gemaakt.  Je overstijgt je  gewone zelf of ego, en vindt de hogere en subtielere dimensies van bestaan​​ – de spirituele en transcendentale.

Echter, je zou kunnen zeggen dat dit het bereiken is van de hogere dimensies door ‘brute kracht.’ En hoewel van concentratie-meditatie wordt gezegd dat het zeer belangrijk is, kan het op zich niet onze neigingen uitroeien die in de eerste plaats dualisme zelf creëren. In feite negeert het ze gewoon, probeert ze te omzeilen. Het richt zich op een punt en negeert alle andere.

Concentratie-meditatie kan ons zeker enkele van de hogere sferen tonen, maar het kan ons niet permanent installeren op die hogere gebieden. Daarvoor moet je naar alle puntjes kijken. Je moet alle ervaring  onderzoeken, met onthechting, niet-oordelend, vanuit gelijkmoedigheid en kristalhelder gewaarzijn.

V: Dat is dus inzicht- of gewaarzijn-meditatie.

A: Ja, dat klopt. De boeddhisten noemen concentratie-meditatie shamatha en gewaarzijn-meditatie vipassana of dhyana en prajna. De eerste leidt tot samadhi, of een-puntige concentratie, de tweede tot satori, of transcendentaal gewaarzijn en wijsheid. Het punt van ieder van deze meditatiepraktijken – en er zijn andere, zoals visualisatie, koan, contemplatieve meditatie, enzovoorts – het punt is dat ze eigenlijk allemaal twee belangrijke dingen doen.

In de eerste plaats helpen ze om de discursieve, rationeel-existentiële geest tot rust te brengen, de geest die de hele tijd moet denken, de geest die de hele tijd moet kletsen tegen zichzelf en alles moet verbaliseren. Het helpt ons de ‘monkey mind’ tot rust te brengen. En zodra de monkey mind wat tot rust is gekomen, laat het de subtielere en hogere dimensies van bewustzijn te voorschijn komen – zoals het psychische, het subtiele, het causale, en de ultieme of non-duale. Dat is de essentie van echte meditatie. Het is gewoon een manier om te blijven evolueren, om onze groei en ontwikkeling voort te zetten.

 

HET PSYCHISCHE NIVEAU

V: Kun je een beschrijving geven van de niveaus van meditatie, en hoe ze worden ervaren? Wat gebeurt er eigenlijk in elke fase?

A: Als je meditatie beoefent is een van de eerste dingen die je beseft dat je geest – en je leven, wat dat betreft – wordt gedomineerd door grotendeels onbewust verbaal gebabbel. Je bent altijd tegen jezelf aan het praten. En dus zijn veel mensen, als ze beginnen te mediteren, verbaasd over hoeveel rommel er door hun gewaarzijn heen stroomt. Ze zien dat gedachten, beelden, fantasieën, opvattingen, ideeën, concepten hun gewaarzijn vrijwel domineren. Ze realiseren zich dat deze denkbeelden een veel grotere invloed op hun leven hebben dan ze ooit gedacht hadden.

In ieder geval zijn de eerste meditatie-ervaringen alsof je in de bioscoop zit. Je zit en kijkt naar al die fantasieën en concepten die langskomen voor je gewaarzijn. Maar het hele punt is dat je je uiteindelijk van hen gewaar wordt. Je kijkt onpartijdig naar ze  en zonder oordeel. Je ziet ze alleen voorbijgaan, net zoals je kijkt naar de wolken die in de lucht drijven. Ze komen, ze gaan. Geen lof, geen veroordeling, geen oordeel – alleen beschouwen. Als je je gedachten beoordeelt, als je in ze verstrikt raakt, dan kun je ze niet overstijgen. Je kunt dan geen hogere of subtielere dimensies van je eigen wezen vinden. Dus je zit in meditatie, en je bent gewoon ‘getuige’ van wat er gaande is in je geest. Je laat de monkey mind doen wat het wil, en jij blijft eenvoudig kijken.

En wat er gebeurt, omdat je onpartijdig getuige bent van deze gedachten, fantasieën, begrippen en beelden, is dat je begint vrij te worden van hun onbewuste invloed. Je kijkt naar ze, dus je gebruikt ze niet om naar de wereld te kijken. Daarom word je, tot op zekere hoogte, vrij van ze. En word je vrij van de gescheiden-zelf notie die van hen afhankelijk was. Met andere woorden, je begint vrij van je ego te worden. Dit is de eerste spirituele dimensie, waar het conventionele ego ‘sterft’ en hogere structuren van het bewustzijn worden ‘opgewekt’. Je gevoel van identiteit begint zich natuurlijk uit te breiden en de kosmos te omarmen, of de hele natuur. Je stijgt uit boven je geïsoleerde geest en lichaam, wat eventueel het vinden van een grotere identiteit kan omvatten, zoals de natuur of de kosmos –‘kosmisch bewustzijn’, zoals R.M. Bucke het noemde. Het is een zeer concrete en onmiskenbare ervaring.

En, dat hoef ik je niet te vertellen, dit is een buitengewone opluchting! Dit is het begin van transcendentie, van het vinden van je weg terug naar huis. Je realiseert je dat je één bent met de structuur van het heelal, eeuwig. Je angst voor de dood begint af te nemen, en je begint het open en transparante karakter van je eigen wezen op een concrete en tastbare manier te voelen.

Gevoelens van dankbaarheid en toewijding ontstaan ​​in je  – toewijding aan de Geest, in de vorm van  Christus of Boeddha, of Krishna; of toewijding aan je actuele spirituele meester; zelfs toewijding in het algemeen, en zeker toewijding aan alle andere levende wezens. De bodhisattva gelofte, in welke vorm dan ook, komt voort uit het diepst van je wezen, op een zeer krachtige manier. Je beseft dat je gewoon alles moet doen wat je kunt om alle levende wezens te helpen, en om de reden, zoals Schopenhauer zei, dat je je realiseert dat we allemaal hetzelfde non-duale Zelf of Geest of Absolute delen. Dit alles begint voor de hand te liggend – net zo vanzelfsprekend als regen op het dak. Het is echt en het is concreet.

 

HET SUBTIELE NIVEAU

V: Dus wat over de volgende algemene fase, het subtiele niveau?

A: Als je identiteit begint de geïsoleerde en individuele lichaam-geest te overstijgen, dan krijg je de intuïtie dat er een Zijnsgrond of echte Goddelijkheid is, voorbij het ​​ego, en voorbij een beroep op mythische god-figuren of rationalistisch sciëntisme of existentiële moed. Deze Godheidvorm kan daadwerkelijk gevoeld worden. Hoe meer je je ontwikkelt voorbij de geïsoleerde en existentiële lichaam-geest, hoe meer je  ontwikkelt in de richting van de Geest, die op het subtiele niveau vaak wordt ervaren als Godheid Vorm  of archetypische Zelf. Daarmee bedoel ik, bijvoorbeeld, een zeer concrete helderheid en schittering van gewaarzijn.

Het punt is dat je iets vóórbij de natuur ziet, voorbij het existentiële, voorbij het psychische, zelfs voorbij kosmische identiteit. Je begint de verborgen of esoterische dimensie te zien, de dimensie buiten de gewone kosmos, de dimensie die de natuur overstijgt. Je ziet het Licht, en soms straalt dit Licht letterlijk als het licht van duizend zonnen. Het overweldigt je, bekrachtigt je, geeft je energie, herschept je, doordrenkt je.

Dit is wat wetenschappers de ‘numineuze’ aard van de subtiele geest hebben genoemd. Numineus en licht. Dit is, geloof ik, waarom heiligen universeel worden afgebeeld met halo van licht rond hun hoofd. Dat is eigenlijk wat ze zien. Goddelijk Licht.

Mijn favoriete lectuur van Dante:

Mijn blik fixerend op het eeuwige licht zag ik in haar diepte,

Gebonden met liefde samen in één volume,

De verspreide bladeren van het hele universum.

Binnen het lichtgevende diepgaande bestaan van dat Verheven Licht

Zag ik drie cirkels van drie kleuren, toch van één dimensie

En bij de tweede leek de eerste gereflecteerd,

Als regenboog is door regenboog, en de derde Leek vuur

dat gelijkelijk uit beide wordt uitgeademd.

Dat is niet louter poëzie. Dit is een bijna wiskundige beschrijving van een soort ervaring van het subtiele niveau. Hoe dan ook, je kunt dit niveau ook ervaren als een ontdekking van je eigen hogere zelf, je ziel, de Heilige Geest. ‘Hij die zichzelf kent, kent God,’ zei de heilige Clement.

V: En de werkelijke ervaring zelf?

A: De werkelijke ervaring varieert. Hier is een voorbeeld: Stel dat je wandelt in de binnenstad, kijkend in de etalages. Je kijkt naar een deel van de koopwaar, en ineens zie je een vage afbeelding dansen voor je ogen, het beeld van een persoon. Opeens realiseer je je dat het je eigen reflectie in de etalage is. Plotseling herken je jezelf. Je herkent je Zelf, je hogere Zelf. Ineens herken je wie je bent. En wie je bent is –  een lichtgevende vonk van het goddelijke. Maar het heeft die schok van herkenning -‘O, dat! ”

Het is een zeer concrete realisatie, en brengt meestal veel gelach of veel tranen. De subtiele Godheidvorm of Licht of Hoger Zelf – dat zijn allemaal slechts archetypen van je eigen Wezen. Je maakt kennis, via meditatieve ontwikkeling, met het begin van een directe ontmoeting met de Geest, met je eigen essentie. Het verschijnt dus als licht, als een wezen van licht, als nada als shabd als helderheid, numinositeit, enzovoort.

En soms verschijnt het als een eenvoudig en helder gewaarzijn van wat is – heel eenvoudig, heel duidelijk. Het punt is dat het zich bewust is van alle punten op de muur. Het is duidelijk gewaar van wat er van moment tot moment gebeurt, daarmee het moment overstijgend. Het overstijgt deze wereld, en begint deel te nemen in het Goddelijke. Het heeft een heilig zicht, hoe het ook wordt uitgedrukt.

Dat is het subtiele – een persoonlijke ontmoeting met het Goddelijke. Je neemt echt deel aan Goddelijkheid, en in het gewaarzijn en de wijsheid van Goddelijkheid. Het is een beoefening. Het kan worden gedaan. Het is gedaan, vele malen!

 

HET CAUSALE NIVEAU

V: Dat is heel duidelijk. Dus hoe zit het met het volgende niveau, het causale?

A: Je zit daar, gewoon getuige zijnde van alles wat opkomt in de geest of in je actuele ervaring. Je probeert om gelijkelijk getuige te zijn van alle puntjes op de muur van je gewaarzijn. Als je er bedreven in bent geworden zullen uiteindelijk rationele en existentiële stippen afsterven​​, en psychische punten beginnen in beeld te komen. Dan, na een tijdje, word je beter in het getuige zijn, dus beginnen subtielere objecten of punten te verschijnen.

Deze omvatten licht en hoorbare illuminaties en subtiele Godheidvormen enzovoorts. Als je doorgaat met simpel waarnemen – wat je helpt te desidentificeren van lagere en grovere vormen, en je gewaar wordt van de hogere en subtielere vormen — dan zullen zelfs subtiele objecten of subtiele stippen niet meer opkomen​​. Je treedt een diepzinnige staat van non-manifestatie binnen, die wordt ervaren als, laten we zeggen, een herfstnacht met een volle maan.

Het  heeft allemaal een vreemde en mooie numinositeit, maar het is een ‘stille’ of ‘zwarte’ numinositeit. Je kunt niet echt iets zien  behalve een soort van zilverachtige volheid, die alle  ruimte vult. Maar omdat je niet echt een bepaald object ziet, is het  ook een soort van Radicale Leegte. Zoals Zen zegt: “stop het geluid van die beek.”

​​Dit staat op diverse manieren bekend als Shunyata, als de Wolk van Ontweten, Goddelijke Onwetendheid, Radicaal Mysterie, nirguna (‘niet-kwalificeerbaar’) Brahman, en ga zo maar door. Briljante vormloosheid, zonder objecten om er iets aan af te doen.

Het wordt duidelijk dat je absoluut een bent met deze Volheid, die alle werelden en alle niveaus en alle tijd en alle geschiedenis overstijgt. Je bent perfect vol, en daarom ben je volkomen leeg. “Het is alle dingen en het is geen dingen,” zei de christelijke mysticus Boethius. Ontzag maakt plaats voor zekerheid. Dat is wie je bent, voorafgaand aan alle manifestatie, voorafgaand aan alle werelden. Met andere woorden, het is zien wie of wat je tijdloos, vormloos bent.

Dat is een voorbeeld van het causale niveau; dat is jnana samadhi, nirvikalpa samadhi, en ga zo maar door. De ziel, of het gevoel van afgescheiden-zelf verdwijnt, en God of afgescheiden

Godheid vorm verdwijnt, omdat beide — de ziel en God —ineenstorten in vormloze Godheid.

Zowel de ziel als God verdwijnen in de Allerhoogste Identiteit.

 

HET NON-DUALE NIVEAU

V: Dus dan rest nog het non-duale niveau .

A: In het vorige causale niveau, ben je zo opgenomen in de ongemanifesteerde dimensie dat je  misschien de manifeste wereld niet eens opmerkt. Je bent de Leegte aan het ontdekken, en dus negeer je Vorm.. Maar op het ultieme of non-duale niveau integreer je beiden. Je ziet dat Leegte lijkt op, of zichzelf manifesteert als, Vorm, en dat de essentie van Vorm Leegte is. Meer concreet, jij bent alle dingen die zich voordoen. Alle manifestatie komt op, van moment tot moment, als een spel van Leegte. Als het causale was als een stralende maanverlichte nacht, dan is dit  als een stralende herfstdag.

Wat verschijnt als harde of solide objecten ‘daar buiten’ zijn feitelijk transparante en doorschijnende manifestaties van je eigen Wezen of Is-heid. Ze zijn geen belemmeringen voor God, alleen uitingen van God. Zij zijn dus leeg in de zin dat ze geen obstructie of belemmering. zijn. Ze zijn een vrije uiting van het Goddelijke. Zoals de Mahamudra traditie het beknopt stelt: ‘Alles is geest. Geest is leeg. Leegte is vrijelijk-manifesteren. Vrijelijk-manifesteren is zelfbevrijdend.’

De vrijheid die je op het causale niveau vond — de vrijheid van Volheid en Leegte — die vrijheid is gevonden om uit te breiden naar  alle dingen, zelfs naar deze “gevallen” wereld van zonde en samsara. Daarom worden alle dingen zelf-bevrijd. En deze buitengewone vrijheid, of afwezigheid van beperking, of totale verlossing — deze heldere stralende herfstdag — dit is wat je daadwerkelijk ervaart op dit punt. Maar ‘ervaring’ is hier helemaal het verkeerde woord. Dit is de realisatie van de niet-ervaarbare natuur van Geest. Ervaringen komen en gaan. Ze hebben allemaal een begin in de tijd, en een eind in de tijd. Zelfs subtiele ervaringen komen en gaan. Ze zijn allemaal prachtig, heerlijk, buitengewoon. En ze komen en ze gaan.

Maar deze non-duale ‘staat’ is niet zelf gewoon een andere ervaring. Het is eenvoudig de opening of open plek waarin alle ervaringen opkomen en gaan. Het is de heldere herfsthemel waardoor de wolken komen en gaan — het is zelf niet een andere wolk, een andere ervaring, een ander object, een andere manifestatie. Deze realisatie is die van de volslagen vruchteloosheid van ervaring, de volslagen futiliteit van het proberen om verlossing of de bevrijding te ervaren. Alle ervaringen verliezen volledig hun smaak — deze passerende wolken.

Jij bent niet degene die bevrijding ervaart; jij bent de open plek, de opening, de leegte, waarin  elke ervaring komt en gaat,  zoals reflecties in de spiegel. En jij bent de spiegel, de spiegel geest, maar geen enkele ervaren reflectie. Toch ben je niet apart van de reflecties, achterover leunend en toekijkend. Jij bent alles wat van moment tot moment opkomt. Je kunt de hele kosmos in een slok doorslikken, het is zo klein, en je kunt de hele hemel proeven zonder een vin te verroeren.

Dit is de reden waarom, in Zen, wordt gezegd dat je  de Grote Samadhi niet kunt binnengaan, het is feitelijk de opening of open plek die altijd aanwezig is en waarin alle ervaring — en alle manifestatie — van moment tot moment opkomt. Het lijkt alsof je deze staat “binnen gaat”, behalve dat  eenmaal daar je je realiseert dat er nooit een tijd was dat deze toestand niet volledig aanwezig en volledig herkend was — ‘de poortloze poort.’ En dus begrijp je diepgaand dat jij nooit deze staat bent binnengegaan; noch zijn de Boeddha’s, verleden of toekomst, ooit deze toestand binnengaan.

In Dzogchen is dit de herkenning van de ware natuur van de geest. Alle dingen, in alle werelden, zijn zelf-bevrijd op het moment dat ze  zich voordoen.

Alle dingen zijn als zonlicht op het water van een vijver. Alles glinstert. Het is allemaal leeg.

Het is allemaal licht. Het is allemaal vol, en het is allemaal voldaan. En de wereld gaat  zijn gewone gang, en niemand merkt er iets van.

 

Essay uit The Collected Works of Ken Wilber: Volume IV

Vertaling Ramo de Boer © 2014   www.mindconsult.nu

 

Vragen en opmerkingen:

Ramo de Boer

info@mindconsult.nu

www.mindconsult.nu

030-6704409

Verscheurd van liefdesverdriet

Ha Felix
Heb je een advies voor mij.
Ik ben verscheurd van liefdesverdriet
Hoe kan ik hier verder mee.
Ik hoor graag van je, vriendelijke groet, Els van Noord

Beste Els,
Liefdesverdriet is een pijnlijk levensgegeven, maar kan ook een grote zegen blijken. Het is een opener van ons hart. We zijn vervuld van verlangen – een verlangen, dat als zoveel verlangens in ons leven, leidraad kan zijn, want het gaat over de liefde.
Maar misschien zal het verlangen nooit zijn vervulling kennen zoals wij ons dat voorstellen. Als we ons alleen op die wens tot vervulling richten dan proeven we de liefde niet en zal er waarschijnlijk verbittering opkomen.Wonderlijk, dat liefdesverdriet altijd zo op het scherp van de snede ligt. Het kan ons doen opbloeien – met liefde is niks verkeerds en met verdriet al evenmin – en ons breken. In dat laatste geval willen we bijna altijd iets of iemand in de concreetheid hebben of we willen de pijn, het verdriet niet dragen. Dan kan er dus niet zijn wat er is: de liefde en het verlangen die ons hart vullen en tegelijkertijd de pijn van de afgescheidenheid.

Zo kan de extatische mysticus lijden als hij het contact met de Ene niet meer ervaart, maar dat lijden is hem honderd keer liever dan te leven zonder de momenten van afgescheidenheid – en ook die van eenheid.

Ik heb dus weinig meer dan het advies toe te laten wat is, wat in je leeft. Als we onze gevoelens niet manipuleren, en niet omgeven met beelden, maar ze er gewoon laten zijn, dan zijn ze zuivere schepping in het moment.

Wens je van harte alle goeds toe, Felix

Ha Felix
dankjewel voor je reactie.
Ik heb het nu een aantal keer gelezen.
Ik vind het best moeilijk te begrijpen, of toe te laten wat er staat.
Ik heb liever een toverdrankje en weg is de pijn!!
Vooral de laatste zin snap ik niet.
Het toelaten zonder beelden van verwachting is erg moeilijk.
Ook omdat hij nu (al) een ander heeft.

Ik ga mijn best doen.

Dankjewel

Vriendelijke groet, Els

Hoi Els,
Toverdrankjes gaan voorbij de beleving. Die wil je hebben als je alleen mooie gevoelens wilt hebben. Als je de wereld wilt beleven zoals die zich nu eenmaal ontvouwt – in al zijn facetten – dan zit daar onder andere liefdesverdriet bij en pijn.
Het leven ontvouwt zich altijd anders dan de beelden die wij erover vormen. Als jouw beeld is ‘ik wil bij hem zijn en alleen dan kan ik me gelukkig voelen’ dan wil je daarin iets pakken dat blijkbaar niet voor jou bestemd is. Het is voor jou nu moeilijk voor te stellen, maar misschien ontmoet je iemand die beter bij je aansluit.
Dus het verdriet mag er gewoon zijn, maar als je de beelden loslaat en ‘het pakken’ dan komen weer nieuwe zaken en mensen op je pad.
Als het nog nodig is Google dan op Roel van Duijn. Hij heeft een boek geschreven over liefdesverdriet en hij heeft een praktijk die zich daarop richt.
Allerbeste, Felix

Een vraag over macht en liefde

Beste Hanneke, Ik heb een vraag. Ik ben 37. De afgelopen jaren ben ik vrijer geworden in fantaseren over macht hebben en ondergaan. Het wekt geweldige lust in me op. Tot een paar maanden geleden. Ik fantaseerde over een paar mannen die mij verwenden, en langzaam ging in mijn fantasie de behoefte om liefgehad te worden een rol spelen. De mannen begonnen mijn lichaam zacht te verwennen en één vroeg mij op een gegeven moment, wat ik het allerliefste zou willen. Toen (leek het of mijn geweten zich erin drong en) besefte ik ineens dat ik niets liever wilde dan met mijn eigen man (vriend) vrijen en hem liefhebben. De mannen in mijn fantasie vroegen wat ik dan nog bij hen deed en stimuleerden mij liefdevol om naar mijn vriend te gaan. Daar hield de fantasie op. Het was een zachte schok, omdat ik tot dan toe nooit onvoorwaardelijk van mijn vriend heb gehouden. Het was ook frustrerend om de lustbeleving met deze mannen op te geven, maar mijn relatie voelde belangrijker. De grote schok is, dat onze relatie dit niet heeft overleefd. Mijn vriend kan mijn emotionele behoeftes niet volgen, waardoor echte intimiteit niet mogelijk is. Daarbij kon ik zijn seksuele wensen, die veel verder gaan dan de mijne, niet bijhouden noch hem vrij laten. Nu heb ik ons beiden bevrijd door het uit te maken. Mijn vriend is nu uitgebreid zijn lusten aan het leven, ik blijf in ontreddering, depressief en met verlies van mijn schaamteloze lustfantasieën achter. Lust is voor mij nu het monster dat ons uit elkaar gedreven heeft. Terwijl er ook weinig ruimte was voor liefde. Intussen zijn we allebei ook nog vreselijk verdrietig maar komen we niet over de kloof heen. Kun jij een licht werpen op wat er met mij is gebeurd in die ene fantasie en hoe ik nu verder kan?

 

***

 

Mijn antwoord hierop is:

Beste Paradijsje,

Je vraagt me licht te werpen op  wat er is gebeurd in die ene fantasie en hoe je nu verder kunt.

Dit is mijn antwoord.

Je hebt jezelf  dus eigenlijk de das omgedaan door voor de liefde te kiezen. De vraag in je fantasie was: ‘wat wil jij het allerliefste?’ En toen ‘leek het of je geweten zich erin drong’ en besefte je: ‘wat ik het allerliefste wil is met mijn eigen man vrijen en hem liefhebben’.

Ik vind dat eigenlijk heel mooi. Het gaat je niet meer om de macht, het gaat je om de liefde.

Alleen, dit blijkt niet de wens van je man, en nu zijn jullie uit elkaar gegaan.

Dat is droevig en moeilijk, maar ik raad je aan om je af te blijven stemmen op de wens om lief te hebben. Die ontspringt in jezelf, die is levend en creatief.

Afscheid is pijnlijk, maar het hoeft de wens niet te doven. Houd moed ook al ben je verdrietig, en heb lief wat er nu in je leven is. Dat is de beste remedie tegen depressie. En begrijp ook dat het wel even wennen zal zijn, dat je zult moeten afkicken van het lustvolle bestaan, waarin je als het ware macht had over het leven.

Liefde en macht gaan niet samen. Bij liefde hoort bijvoorbeeld ook dat je verlegen wordt als het erom gaat voor je wensen uit te komen, en in lustfantasieën ben je niet verlegen.

Treur niet langer, blijkbaar ben je overgestapt naar de werkelijkheid.

En niet te vergeten – anders zou dit iets te plechtig kunnen worden: liefde en lust gaan heel goed samen. Als je de gehechtheid aan de machtsfantasie loslaat, zul je merken dat de lust zich voegt bij de liefde. En dat vraagt tijd.

Liefde is niet heilig, liefde is instaan voor wat je het liefste wilt en het lekkerste vindt. Heel spannend en heel intiem.

Ik wens je veel geluk.

Hanneke

Overspel – onderspel (II)

Er bestaan veel sprookjes waarin ‘Hans’ (de vrijmoedige, open, hulpvaardige geest) leert hoe hij moet omgaan met de dualiteit. In het sprookje de Wondernachtegaal geeft een duif die door Hans is gered hem als dank de aanwijzing dat hij de wondernachtegaal zal vinden in een hof.

Hij moet de hof betreden door een poort met twee deuren waarvan er een open staat en de ander dicht. Hij moet de open deur dicht doen en de dichte open en dan naar binnen gaan. Vervolgens is er in het hof een bron met bedorven water waarvan hij moet drinken en uitroepen hoe lekker dat water wel is. Dan zal hij een wonderschone vrouw zien liggen die slaapt. Hij moet haar wakker kussen en haar toevoegen dat ze oerlelijk is (ook een manier om wakker te worden voor een vrouw). Hans krijgt in dit sprookje duidelijk het inzicht aangereikt dat de dingen niet altijd zijn wat ze lijken en dat hij moet leren doorzien dat de dualiteit ook een illusie is.

Op een subtieler niveau zal Hans door deze ervaringen gaan aanvoelen dat er evenwicht is in het leven op aarde en dat het leven altijd weer streeft naar harmonie. Het zijn precies die zaken die in ons relatieleven zo buitengewoon zinvol zijn om te onderkennen. Op heel veel manieren speelt dit natuurlijke spel van polariteiten en ons bewuste of onbewuste streven naar harmonie daarin een belangrijke rol. Zo kunnen we vallen op onze geliefde omdat die een nog niet geactiveerd of onbewust deel van onze eigen psyche juist wel heeft ontwikkeld. Wij herkennen dan in de ander iets van onszelf. Maar het kan in de loop van onze relatie zomaar zijn dat we ons juist daaraan gaan ergeren – tenminste als we niet zo wijs zijn geweest om dat minder bewuste of onderontwikkelde deel in onszelf te activeren. In plaats daarvan gaan we polariseren met onze geliefde.

We kunnen bijvoorbeeld onszelf aangeleerd hebben om ons niet volledig uit te spreken en niet op de voorgrond te treden, maar ten diepste kunnen we die wens wel hebben. Onze partner is juist daarin vaardig en ‘vanzelfsprekend’. We kunnen dan als we niet oplettend zijn de ander gaan verwijten dat die zich telkens in gezelschap zo op de voorgrond plaatst en onze eigen ‘bescheidenheid’ gaan promoten als het enig juiste gedrag.

Het spel der evenwichten en balans kan ook werkzaam zijn bij het aangaan van relaties buiten onze eigen relatie. Dat thema van ‘de affaire’ duikt elke maand wel een keer op in een damesblad. Het wordt daar vaak omgeven met de flinterdunne mores dat het iedereen wel een keer overkomt en dus verexcuseerbaar is. Wat ik bij mij tijdens relatiesessies zie als er ontrouw heeft plaats gevonden is diep verdriet, een geschonden vertrouwensband (zeker als het al een tijd gaande is), wantrouwen en een kwetsing die maar moeilijk weer te herstellen lijkt.

Overspel is over het algemeen een symptoom van de ‘ongezondheid’ van de relatie en in die zin kan het bevrijdend zijn dat de ziekte manifest wordt. Er kan ook een relatiecrisis ontstaan die achteraf  een hele heilzame blijkt te zijn geweest.
De overspelige krijgt vaak het nodige over zich heen van vrienden en familie (als er open kaart wordt gespeeld) en die wordt over het algemeen ook als een schuldige van de relatiecrisis aangemerkt. Maar ook in deze situatie  kun je de ‘polaire’ vraag stellen aan de niet-overspelige partner of die misschien onderspelig is geweest. Of er sprake is geweest van langdurige terugtrekking uit de relatie of het bewust of onbewust ‘vergeten’ van intimiteit.  Ik heb gelukkig regelmatig meegemaakt dat na een eerste verbazing over deze vraag naar onderspeligheid er een bevrijdend en inzicht scheppend gesprek ontstond. Het wel en wee binnen de relatie werd weer een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid en niet de zoektocht naar de schuldige.

Bisschop Desmond Tutu ziet 4 stappen die kunnen leiden tot herstel van een relatie waar schending heeft plaats gevonden. De eerste is dat er volledige erkenning is van het aangedane. Ik voeg daaraan toe, een erkenning zonder daaraan een verklaring te koppelen (ja, ik deed het, maar het komt omdat jij…). De fout wordt ten diepste erkend en toegegeven en er is oprecht berouw. Dan volgt als tweede dat er echt ruimte moet zijn voor ‘het verhaal’ van de geschondene en de emoties die zijn opgewekt. Iemand die een trauma heeft doorgemaakt moet soms vele malen zijn verhaal kwijt. De derde stap is die van vergiffenis vragen en vergeving schenken. Dit is een bijzonder belangrijke stap die ieder zal beamen die de bevrijdende werking kent van deze stap na grote en kleine schendingen. En de laatste stap is die van herstel van de relatie en dat vraagt dan ook het werkelijk voorbij gaan aan het achterliggende en weer in vertrouwen samen zijn. Dat laatste blijkt in de praktijk vaak een lastige opgave.

Onderspel doet zich op heel veel manieren voor en vraagt wat meer uitleg. Met name vrouwen kunnen geneigd zijn om seks te ‘vergeten’. De seksuele impuls of behoefte kan makkelijker ‘ondergronds’ gaan. Het is niet voor niks dat in sprookjes de ridder zich vaak eerst door een dicht braambos moet hakken om bij de ‘slapende’ vrouw terecht te komen, waarna hij haar pas door een kus weer kan wekken. Seks wordt ook vaak als machtsmiddel ingezet en dat is echt spelen met vuur. Mannen kunnen als reactie daarop met hun opspelende verlangens andere ontladende wegen gaan zoeken. Afsluiten of afweren kan het begin zijn van veel gedoe en een negatieve spiraal van verwijdering inzetten.

Mannen kunnen op hun beurt onderspelig worden in hun preoccupatie met hun werk of hun zorgen. Sowieso zijn het af en toe van die trekpaarden met oogbeschermers op. Blik vooruit en blijven gaan. Volle agenda’s, ook nog sporten en met vrienden op stap. Allemaal mogelijk onderspel in een liefdesrelatie.

Een meer mystieke benadering van de dualiteit in ons relatieleven en een mooie meditatietekst om mee te eindigen staat in Tot Zover, inspiraties van Hans Korteweg: ‘De tegenstelling van man en vrouw komt aan de orde in iedere wordingsgeschiedenis van de individuele mens. De grote strijd is de noodzakelijke voorbode van het heilig huwelijk. Ieder mens, of deze nu man of vrouw is, ontmoet de ander, het andere geslacht, als de ongewenste tegenstander. Slechts indien de mens de Ongewenste en het ongewenste leert te ervaren als de realiteit waarvan hij, tezamen met het totaal andere, deel uitmaakt, kan hij toetreden tot de grote broederschap van het leven. (…)’

Hartelijke groet, Felix Erkelens

tekening Albert Hennipman (De Ruimte ontwerpers: http://bit.ly/WaIGXL)

Gehechtheid

Een wereld zonder gehechtheid is onleefbaar. Stel je voor, dat een moeder zich niet zou hechten aan haar kind, dat kinderen zich niet zouden hechten aan hun ouders, dat geliefden zich niet zouden hechten aan elkaar, dat een mens zich niet zou hechten aan zijn lijf, zijn kracht, zijn status, zijn huis en haard. Een wereld van onthechting zou een onmenselijke wereld zijn. Toch wordt gehechtheid vaak als een probleem ervaren, niet in de laatste plaats door mensen die zich bezighouden met religie, levensbeschouwing en geestelijke groei. Gehechtheid beperkt mijn innerlijke vrijheid, verstoort mijn geestelijke rust, verduistert mijn immanente helderheid. Ze is als een blok aan mijn been en ze beperkt mijn blikveld. Gehechtheid is iets smoezeligs waar ik vanaf moet komen om geestelijk te kunnen groeien.
            Het is nog erger dan dat. Gehechtheid doet pijn. Ik weet dat hetgeen waaraan ik me hecht me eens zal ontvallen. En als het me ontvalt, dan is het leed niet te overzien. Dan kan ik mijn geestelijke groei wel op de lange baan schuiven. Tenzij ik geloof dat geestelijke groei ligt in mijn lijden.
            De angst voor de pijn die aan gehechtheid kleeft, kan een kruideniersmentaliteit bij me losmaken. Ik ga rekenen met mijn leven. Ik denk: ‘Als ik me nu niet hecht, heb ik er later ook niet zo’n last van en ik kan me ongestoord wijden aan mijn geestelijke ontwikkeling. Mezelf hechten aan iets of iemand is vergeefse moeite. Het verschaft een tijdelijk geluk en ik verkies het eeuwige boven het vergankelijke.’
            Stel dat ik deze kruideniersmentaliteit volg en onthechting in praktijk breng, hoe denk ik dan de laatste barrière te slechten: het onthechten van mijn gehechtheid aan onthechting?
            En stel dat dit me lukt, kijk, waar kom ik dan terecht?
            Wat mij betreft is een onthecht bestaan een bestaan dat zich hecht tot aan de pijngrens. Een bestaan dat het breekbare innig omarmt, investeert in kortstondig geluk, zijn energie verspilt aan nutteloze, begerenswaardige zaken en dat de open wond draagt als het door het noodlot wordt geslagen. Een onthecht leven is een leven dat zwelgt in zijn tijdelijke bezit en krijst als een baby als dit bezit hem wordt ontnomen. Het is een leven dat niet is te onderscheiden van dat van talloos veel miljoenen; het oogt helemaal niet spiritueel. En dat klopt, want het hecht zich niet aan spirituele idealen en ideeën over spiritualiteit. Het leeft zijn leven zoals het is, een leven van taaie gehechtheid, diep ingesleten patronen, massieve fixaties en onverbiddelijke neurosen.
            Wat mij betreft volgt onthechting op de zwaar bevochte realisatie dat je leven goed is zoals het is. Niets meer aan doen. Alles zo laten. En geniet ervan.
Maurice Knegtel