…voor inspiratie, levenswijsheid en bezinning

Archive for the ‘Artikel’ Category

Wie ben ik?

Uit: Ramana Upanishad, Ramana Maharshi

Vertaler: Philip Renard

Iedereen verlangt ernaar om altijd gelukkig te zijn, zonder door lijden te worden gekweld, en iedereen houdt het meeste van zichzelf – vanwege de omstandigheid dat geluk ieders aangeboren aard is, en ‘houden van’ veroorzaakt wordt door geluk. Vandaar dat het voor het verwezenlijken van dit inherente en onaangetaste geluk, dat iedereen iedere nacht ervaart als het denken in de diepe slaap is stilgelegd, essentieel is zichzelf te kennen. Voor dit kennen is onderzoek in de vorm ‘Wie ben ik?’ de beste weg.

Wie ben ik?

Ik ben niet dit fysieke lichaam, niet de vijf zintuigen, niet de vijf instrumenten van handeling, en niet de vijf vitale krachten. Zelfs het denkvermogen (manas) ben ik niet, noch de onwetendheid van de diepe slaap, waarin slechts de subtiele, latente geneigdheden blijven bestaan, zonder dat zintuiglijke objecten worden waargenomen of enige handeling wordt verricht.

Na dit alles vanuit het besef ‘dit ben ik niet, en dit ben ik niet’ afgewezen te hebben, blijk ik het Kennen zelf te zijn dat dan als zodanig overblijft, dit Bewustzijn zelf.

De aard van dit Kennen is Zijn, Bewustzijn, Gelukzaligheid (Sat-Chit-Ananda).

Als het denken, dat het instrument is van alle objectieve kennis en van alle handelingen, tot rust komt, houdt het waarnemen van de wereld der objecten als werkelijkheid op.

Tenzij de illusoire waarneming van de slang eindigt, die in de schemering geprojecteerd wordt op een stuk touw, zal het touw, dat de werkelijke basis vormt waarop geprojecteerd wordt, niet waargenomen worden.

Evenzo zal, indien de waarneming van de objectieve wereld als iets echts niet eindigt, het ‘in-zien’ van de ware aard van het Zelf, dat de werkelijke basis vormt waarop geprojecteerd wordt, niet mogelijk zijn.

Wat ‘denkvermogen’ (manas) wordt genoemd, is een wonderbaarlijk vermogen (shakti) van het Zelf, dat gedachten projecteert.

Als we alle gedachten stilleggen blijkt dat er niet zoiets als een ‘denkvermogen’ overblijft – de gedachten zelf vormen dus het denkvermogen. Ook is er buiten het denken niet zoiets als een objectieve wereld. In de diepe droomloze slaap zijn er geen gedachten, en ook geen wereld. In de wakende en dromende toestand zijn de gedachten er wel, en dan is de wereld er ook. Zoals een spin de draden van zijn web uit zichzelf tevoorschijn brengt en deze later weer in zich terugtrekt, zo projecteert het denkvermogen de wereld vanuit zichzelf, en absorbeert die daarna weer in zichzelf. Wanneer het denken zich vanuit het Zelf ontplooit, verschijnt de wereld, en hierdoor raakt de identificatie met het Zelf versluierd. Vandaar dat als de wereld verschijnt, en werkelijk schijnt te zijn, het Zelf niet wordt ervaren, en als het Zelf wel wordt ervaren, stralend aanwezig, de wereld niet langer als werkelijk wordt ervaren. Door aanhoudend te vragen naar het wezen van het denkvermogen, verandert het denkvermogen in Dat waaruit het ‘ik’ opkomt, en dat is het Zelf, iemands ware natuur.

Het denkvermogen kan alleen bestaan in voortdurende afhankelijkheid van iets tastbaars, iets uit de fysieke wereld – het kent geen onafhankelijk bestaan. Dit denkvermogen is datgene wat ook wel ‘subtiel lichaam’, ‘individuele levenskern’ of ‘ik’ (aham) wordt genoemd. Datgene wat in het fysieke lichaam opkomt als ‘ik’ is het denkvermogen. Als je onderzoekt waar in het lichaam de ‘ik’-gedachte in eerste instantie verrijst, dan zul je ontdekken dat dat in het Hart (Hridaya) is. Dat is de bron, de geboorteplaats van het denken en voelen. Als je onophoudelijk denkt ‘ik, ik’, met je aandacht geheel daarop gebundeld, zul je naar dezelfde plaats geleid worden. Van alle gedachten die in ons opkomen is de ‘ik’-gedachte de allereerste—de oergedachte. Pas wanneer deze geboren wordt, ontstaan alle andere opwellingen. Met andere woorden: pas wanneer de eerste persoon, ‘ik’, opgekomen is, verschijnen de tweede en derde persoon (‘jij’, ‘hij’, ‘zij’ enzovoort). Zonder de eerste persoon zullen de tweede en derde niet kunnen bestaan.

Aangezien een gedachte alleen maar kan opkomen na het opkomen van de ‘ik’-gedachte, en het denkvermogen niets anders is dan een bundel gedachten, zal het denkvermogen alleen maar tot zwijgen worden gebracht door het onderzoek ‘Wie ben ik?’ De gedachte ‘Wie ben ik?’, die de andere gedachten doet oplossen, lost uiteindelijk zelf op, net zoals een stok die gebruikt wordt om een brandstapel op te poken uiteindelijk zelf verteerd wordt door het vuur.

Als tijdens het onderzoek gedachten opkomen, wat je weer gericht doet zijn op objecten, volg dan deze gedachten niet verder, maar vraag je in plaats daarvan af: ‘In wie kwam deze gedachte op?’ Blijf waakzaam, hoe veel gedachten er ook maar opkomen, en onderzoek onmiddellijk na het opkomen van een gedachte in wie deze is opgekomen. Je zult merken dat het antwoord luidt: ‘In mij’. Als je dan de vraag stelt: ‘Wie ben ik?’, zal het denkvermogen (oftewel aandacht zelf) terugkeren van het object naar zijn eigen oorsprong. Aangezien er dan niet meer iemand is die de gedachte aandacht schenkt, lost de gedachte op. Als je op deze manier meer en meer oefent, en volhardt in dit Zelf-onderzoek, zal het vermogen van het denken om in zijn eigen Bron te verblijven, toenemen. Als het denken, het subtiele lichaam, door de hersenen en de zintuigen naar buiten geprojecteerd wordt, verschijnt datgene wat aangeduid wordt met ‘naam en vorm’, de grofstoffelijke wereld. Als het denken in het Hart blijft, zijn eigen Bron, verdwijnen naam en vorm. Het gegrondvest blijven van het denken in het Hart, erdoor geabsorbeerd zodat het niet steeds weer naar buiten wordt gericht, wordt wel ‘Zelfgerichtheid’ of ‘introversie’ genoemd. En als het zich uit het Hart losmaakt en zich naar buiten richt, wordt dat ‘objectgerichtheid’ genoemd. Als het denken geabsorbeerd blijft door het Hart, dan zal langzamerhand de oergedachte ‘ik’ (die de wortel is van de hele menigte van gedachten) uitdoven, en wat dan overblijft is louter Bewustzijn, het Zelf, dat tijdens alle staten van het denken continu stralend aanwezig is. Deze ‘staat’, waarin zelfs niet het kleinste spoor van de ‘ik’-gedachte meer te vinden is, is het aanschouwen van het werkelijk Eigene, het ‘Wezenlijke in eigen wezen’.

En dit is wat Stilte genoemd wordt. Het stil zijn op deze manier, onafscheidelijk versmolten met het Wezenlijke, wordt aangeduid met ‘In-zien’, oftewel het ‘zien met het oog van Inzicht’. Dit stil zijn betekent dat het denken zwijgt en tot rust komt in het Zelf. Iets anders dan dit, bijvoorbeeld psychische vermogens (zoals gedachtelezen, telepathie, helderziendheid enzovoort), kan nooit In-zicht zijn.

Wat je ook doet, doe het zonder ego-motief. Als je zo kunt handelen, zal alles wat zich aandient de aard hebben van de Allerhoogste (Shiva).

Het enige dat werkelijkheid heeft is het Zelf. De wereld, het individu en God zijn projecties of illusoire verschijningen in het Zelf—vergelijkbaar met de schijn van zilver op parelmoer. Deze drie (de wereld, het individu en God) verschijnen tegelijk en verdwijnen tegelijk. In de grond is het dat essentiële wezen van het Zelf, dat gezien wordt als wereld, ik en God: het Zelf is de wereld, het Zelf ben ik, en het Zelf is God. Alles wat bestaat is de manifestatie van het Allerhoogste Zelf.

Om het denken tot rust te brengen is er geen betere methode dan Zelf-onderzoek. Weliswaar kan het denken ook met andere methodes stilgelegd worden, maar het zal dan opnieuw opkomen. Bijvoorbeeld door het beheersen van de ademhaling, de techniek die pranayama wordt genoemd, kan het denken ook beheerst worden, maar het zal slechts stil blijven gedurende de tijd dat de adem en de vitale levenskracht tot rust gebracht zijn. Zodra de controle over de adem weer losgelaten wordt zal het denken eveneens losraken, en het zal weer alle kanten op zwerven, gedreven door de kracht van de erin aanwezige subtiele geneigdheden.

De bron van het denken en van het prana (de adem en de levenskrachten) is één en dezelfde. Het denken of denkvermogen (manas) is in feite niets anders dan de menigvuldigheid van gedachten. De gedachte ‘ik’ is de allereerste gedachte die opkomt in het denkvermogen; dit is het ego. En op de plaats waar de ‘ik’-gedachte opkomt, komt ook de ademhaling op. Vandaar dat als het denken tot stilstand komt, de adem en levenskrachten ook tot stilstand komen, en als de adem tot stilstand komt, het denken ook stil wordt.

Toch blijven in de toestand van diepe slaap (sushupti) de levenskrachten wel degelijk functioneren, ook al is het denken geheel stil. Dit is door de goddelijke wetten zo bepaald, om het lichaam te beschermen en om ieder mogelijk misverstand uit te sluiten over de vraag of een slapend persoon dood is of levend. De vitaliteit die in de ademhaling aanwezig is, wordt door het denken als een soort bewaker achtergelaten. Zonder zo’n beschermingsmaatregel van de natuur zouden slapende lichamen wel eens gecremeerd kunnen worden!

Als daarentegen het denken stilvalt in de waaktoestand, bijvoorbeeld tijdens samadhi, valt de ademhaling wel stil. De adem en de levenskrachten (prana) worden wel aangeduid als de grove vorm of manifestatie van het denkvermogen. Tot het moment van sterven ondersteunt het denkvermogen de adem en de levenskrachten, en zorgt ervoor dat deze in het lichaam blijven – zodra het lichaam sterft neemt het denkvermogen de levenskrachten met zich mee. Omdat het denkvermogen verfijnder en omvattender is dan de adem en de levenskrachten, is adembeheersing (pranayama) dus slechts een hulpmiddel om het denken te beheersen (manonigraha); het is niet in staat om het denken voorgoed uit te doven (mano-nasha). Op dezelfde manier zijn methodes als het mediteren op een van de gestaltes van God (murti-dhyana), het herhalen van heilige woorden en namen (mantra-japa en nama-japa) en het volgen van een streng dieet alleen maar middelen om het denken tijdelijk tot rust te brengen. Door te mediteren op God of door mantra’s te herhalen, wordt het denken eenpuntig gericht. Zoals de rusteloze slurf van een olifant rustig gehouden wordt door hem een ijzeren ketting te laten vasthouden (waardoor hij geen andere voorwerpen kan grijpen), zo zal ook het rusteloze denken dat getraind wordt om een naam of een gestalte van God vast te houden, uitsluitend aandacht hebben voor die naam of vorm. Zodra het denken uitwaaiert in talloze gedachten wordt elke gedachte op zich zwak en effectloos. Als het denken daarentegen tot rust gebracht wordt en tot eenpuntig-gerichtheid en kracht komt, zal Zelf-onderzoek (Atmavich ara) gemakkelijk worden.

Van alle beperkende maatregelen is die wat dieet betreft het best. Door je eten te beperken tot sattvisch voedsel, in kleine hoeveelheden, zal de sattvische kwaliteit van je denkvermogen toenemen, wat een hulp zal zijn voor het Zelf-onderzoek.

Ontelbare geneigdheden (vasana’s), die het denken gericht houden op objecten, komen in snelle opeenvolging op, als golven in de branding. Toch zullen deze geneigdheden door een geleidelijke intensivering van Zelf-meditatie (Svarupa-dhyana) stilvallen, en dan voorgoed uitdoven.

Zonder enige ruimte te geven aan gedachten van twijfel, zoals ‘Is het mogelijk om al deze geneigdheden uit te doven, en als louter Zelf (Atma-svarupa) te vertoeven?’, moet je standvastig zijn in je meditatie op het Zelf. Hoeveel vergissingen of zondes je ook hebt begaan, je moet niet blijven jammeren in de trant van ‘Ach, wat ben ik een zondaar—hoe kan ik ooit verlost worden?’, maar juist de gedachte dat je een zondaar bent volledig loslaten, en je geheel toeleggen op de meditatie op het Zelf. Dan zul je beslist verlost worden.

Zolang er nog geneigdheden (vasana’s) in het denken zijn die het in de richting van objecten drijven, is het nodig door te gaan met het onderzoek, met de vraag ‘Wie ben ik?’. Zodra gedachten opkomen, moet je ze allemaal door middel van dit onderzoek vernietigen, en wel op hetzelfde moment, precies op die plaats, de plaats van hun oorsprong. Geen aandacht geven aan ‘al het andere’ (dat wil zeggen aan elk willekeurig object, dat namelijk neerkomt op ‘tweede persoon’ of ‘derde persoon’) is onthechtheid (vairagya) of verlangenloosheid (nirasha). Het onverzettelijk vasthouden aan het diepste ‘zijn’ van het Zelf (Atmasvar upa) is Inzicht (Jñana). In feite zijn verlangenloosheid en Inzicht een en hetzelfde: verlangenloosheid is afzien van aandacht voor objecten, en Inzicht is het niet-verschijnen van objecten.

Onthechtheid (vairagya) is dus het volledig tenietdoen van gedachten zodra ze opkomen, op de plaats waar ze ontspringen. Zoals een parelduiker met stenen om zijn middel gebonden in zee duikt en de parel van de bodem pakt, zo moet iedereen vanuit onthechtheid diep in zichzelf duiken, en de parel van het Zelf verwerven.

Alleen door je onafgebroken toe te leggen op het herinneren van je ware natuur (svarupa), de aandacht uitsluitend houdend bij ‘ik’, zul je de werkelijkheid ervan beleven, dat wil zeggen het Zelf verwerkelijken. Afleidende gedachten zijn als vijanden in een belegerd fort: zolang zij erin zijn zullen ze pogingen doen eruit te breken. Als je ze meteen vernietigt zodra ze naar buiten komen, zal het fort veroverd worden. God en de Goeroe zullen de weg naar bevrijding slechts aanwijzen; zij zullen het individu niet uit zichzelf naar de staat van bevrijding voeren. God en de Goeroe zijn in werkelijkheid niet verschillend. Net zoals de prooi tussen de kaken van de tijger geen ontsnappen kent, zo zal degene die eenmaal binnen het Genade-blikveld van de Goeroe is gekomen, beslist bevrijd worden en nooit in de steek gelaten. Wel moet de leerling de weg die hem door de Goeroe wordt gewezen, zonder twijfel gaan.

Degene die zich helemaal overgeeft aan het Zelf, dat God is, is de ware toegewijde. Zichzelf overgeven aan God betekent onafgebroken als het Zelf vertoeven (Atmanishtha), zonder ook maar de minste ruimte te geven aan enige gedachte die afwijkt van de aandacht voor het Zelf (Atma-chintana). Geef je hele last aan God, want Hij draagt alles. In feite is de Kracht van de Allerhoogste (Parameshvara Shakti) datgene wat alle dingen doet gebeuren. Waarom zouden wij ons dan constant zorgen maken en ons afvragen: ‘Moet ik dit nou doen of niet?’, in plaats van ons volledig aan deze Kracht over te geven? Als we in de trein zitten en beseffen dat hij alle gewicht draagt, waarom zouden we onze bagage dan nog op onze schouders80 blijven dragen, in plaats van deze naast ons neer te leggen?

Wat ‘geluk’ (sukha) wordt genoemd is in feite de eigen aard van het Zelf (Atmasvar upa) – geluk en het Zelf zijn niet verschillend van elkaar. Zelf-geluk (Atma-sukha) is het enige dat bestaat, het enige geluk dat werkelijk is. In geen enkele van de ontelbare dingen van de wereld is enig geluk te vinden. Uitsluitend door gebrekkig onderscheid (aviveka) denken we dat geluk voortkomt uit deze dingen. Wanneer het denken zich op objecten richt, is juist lijden het gevolg. Het is in feite zo dat zodra onze verlangens vervuld worden, ons denken terugkeert naar zijn bron en dan alleen maar het geluk van het Zelf (Atmasukha) ervaart. Hetzelfde ervaren we in de diepe slaap, tijdens samadhi en als we flauwvallen. Telkens wanneer iets dat we graag willen hebben verkregen is, of iets dat in de weg zit weggenomen wordt, keert het denken zich naar binnen en ervaart louter het geluk van het Zelf. Zo slingert het denken eindeloos heen en weer—dan weer uit het Zelf naar buiten gaand, en dan weer erin terugkerend.

In de brandende zon is het ondraaglijk heet, maar in de schaduw van een boom is het prettig vertoeven. Iemand die buiten in de zon heeft gelopen zoekt de schaduw op, en hij is blij als hij de koelte ervan ondervindt. Na een tijdje in de schaduw te hebben gezeten gaat hij weer weg, de zon in, maar dat wordt opnieuw ondraaglijk, en dus keert hij weer in de schaduw terug. Zo wordt hij onophoudelijk heen en weer geslingerd. Dit is het gedrag van iemand zonder onderscheidingsvermogen (avivekı). Iemand die wel onderscheid kan maken (vivekı) zal de schaduw nooit verlaten. Op dezelfde manier zwerft de aandacht van degeen die de waarheid kent (jñanı) nooit weg van het Absolute (Brahman). De onwetende (ajñanı) daarentegen ervaart allerlei pijn en verdriet bij het naar buiten gaan in de wereld der verschijnselen, afgewisseld door een kort moment van geluk bij een tijdelijke terugkeer tot Brahman.

Deze wereld der verschijnselen is in feite niets anders dan een beeld in het denken. Als de wereld verdwijnt, dat wil zeggen als je vrij bent van gedachten, ervaar je gelukzaligheid (ananda), terwijl je, als de wereld verschijnt, angst en zorgen ervaart.

De zon gaat op zonder enig verlangen, intentie of inspanning. Louter door de aanwezigheid van de straling van de zon is het mogelijk dat een vergrootglas vuur maakt, dat de lotus bloeit, dat water verdampt en dat mensen dingen kunnen doen. In de buurt van een magneet gaat een kompasnaald bewegen. Precies zo is het louter dankzij de aanwezigheid van God (Ishvara) dat de individuen (jıva’s), die onderworpen zijn aan de drievoud van ontstaan, onderhoud en ondergang, hun handelingen overeenkomstig hun karma verrichten, en na hun handelingen rusten. Maar God heeft zelf geen enkele intentie, en Zijn werkzaamheid is onaangetast door welk karma dan ook. Dit komt overeen met de zon die in het geheel niet aangetast wordt door de gebeurtenissen op de wereld, en met de allesomvattende ruimte (akasha) die totaal niet geraakt wordt door goede of slechte eigenschappen van de overige elementen, aarde, water, lucht en vuur.

Alle teksten zeggen dat je om tot bevrijding (mukti) te komen het denken en voelen stil moet laten vallen. Als je eenmaal weet dat het tot rust brengen van het denken en voelen (mano-nigraha) de uiteindelijke boodschap van de teksten is, zal het duidelijk zijn dat eindeloos doorgaan met het lezen van boeken niet nuttig is. Om het denken en voelen tot rust te brengen is het alleen maar nodig om jezelf te vragen: ‘Wie ben ik?’ – hoe zou je dit met boeken kunnen doen?

Je kunt jezelf alleen maar kennen met je eigen ‘oog van het Kennen’ (Jñanakan). Of heb je soms een spiegel nodig om te beseffen dat je er bent?

Wat je als ‘jezelf’ ervaart ligt binnen de vijf omhulsels (kosha’s), terwijl teksten daarbuiten zijn. Omdat het Zelf alleen gekend kan worden door alle omhulsels, dat wil zeggen alle lagen van de persoonlijkheid, te herkennen en eraan voorbij te gaan, is een zoeken naar jezelf in boeken nutteloos.

Alleen door te onderzoeken wie die ‘ik’ is die zich gebonden voelt, en door je ware aard (svarupa) te realiseren, is er bevrijding (mukti).

Zelf-onderzoek (Atma-vichara) betekent dat de aandacht onafgebroken in het Zelf verblijft; meditatie (dhyana) is beseffen dat je het Absolute (Brahman) bent, dat wil zeggen Zijn, Bewustzijn, Gelukzaligheid (Sat-Chit-Ananda).

Je zult op een gegeven moment alles wat je geleerd hebt helemaal moeten vergeten. Net zoals je er niets aan hebt om de vuilnis die je hebt verzameld, nog eens aan een analyserend onderzoek te onderwerpen, is het voor het kennen van jezelf van geen enkel nut om al de beginselen of categorieën (tattva’s) te gaan tellen en hun kenmerken te onderzoeken. Deze beginselen zijn omhulsels die het Zelf versluieren, en ze moeten opzijgeschoven worden. Je moet de hele wereld die aan je verschijnt beschouwen als een droom.

Er is geen verschil tussen de toestand van de droom en die van het wakker-zijn, behalve dat de droomtoestand korter duurt. Alle gebeurtenissen in de droom lijken tijdens het dromen net zo echt te zijn als de gebeurtenissen in de waaktoestand echt lijken tijdens het wakker-zijn. Het is alleen zo dat in de droom het denkvermogen een ander ‘lichaam’, een andere vorm aanneemt. Gedachten aan de ene kant en dat wat ‘naam en vorm’ (nama-rupa) genoemd wordt, de wereld der verschijnselen, aan de andere kant, ontstaan gelijktijdig –zowel tijdens het wakker-zijn als tijdens de droom.

Het geheel van denken en voelen is op zich niet goed of slecht. Wel zijn de erin werkzame geneigdheden verschillend, namelijk die met een gunstige invloed en die met een ongunstige. Als het denken de invloed ondergaat van gunstige geneigdheden wordt het ‘goed’ genoemd, en ‘slecht’ als het door ongunstige wordt beïnvloed. Hoe slecht een bepaalde neiging ook lijkt te zijn, je moet deze niet haten of verachten, en zo moet je ook een andere die goed lijkt niet speciaal koesteren. Laat zowel voorkeur als afkeer los, iedere goedkeuring of afkeuring. Je moet je aandacht niet te veel richten op de verschijnselen en gebeurtenissen in de wereld, en je zo min mogelijk bemoeien met andermans zaken. Alles wat je aan anderen geeft, geef je eigenlijk aan jezelf – als dit werkelijk tot je doordringt, zou je dan een ander nog iets kunnen weigeren?

Als het ik opkomt, komt al het andere op; als het stilvalt, valt alles stil.

Hoe groter de nederigheid is waarmee we ons opstellen, hoe beter het voor ons is. Als het denken is stilgevallen, maakt het dan nog wat uit waar je je bevindt?

 

 

Teisho Intensive 2017 (3): Dogens Genjo Koan

Omdat alles boeddha dharma is, is er illusie en realisatie, beoefening, geboorte en dood en zijn er boeddha’s en levende wezens.  Omdat alles onbepaald is, is er geen illusie, geen realisatie, geen boeddha, geen levend wezen, geen geboorte en geen dood.  De weg van de boeddha is, fundamenteel, voorbijgaan aan het vele en het ene, dus is er geboorte en dood, illusie en realisatie en zijn er levende wezens en boeddha’s.  En toch, in gehechtheid vallen de bloesems en in afkeer verspreidt zich het onkruid.

We lezen hier in feite vier perspectieven van ontwaken. Geen regel is meer of minder waard dan de ander. De Genjo Koan is voor alles een perspectivistische tekst. Het gaat van sluier naar sluier, van waarheid naar waarheid, van illusie naar illusie.

Omdat alles boeddha dharma is, is er illusie en realisatie, beoefening, geboorte en dood en zijn er boeddha’s en levende wezens.

Alles is boeddha dharma. Wat is boeddha? Het staat voor ontwaakt zijn. Denk aan bodhiboom, boom van ontwaken. Wat betekent ontwaakt concreet? Wakker, aanwezig zijn. Wat is die aanwezigheid? Waar is die aanwezigheid? Het Hartsoetra verwijst er in heldere bewoordingen naar: Hiér, Shariputra is vorm leegte etc. Hier. Waar? HIER! Dharma’s zijn alle dingen. Alle dingen vormen deze aanwezigheid. Dogen zegt: Wanneer je vormen ziet en geluiden hoort met heel je lichaam en geest dan zie je de dingen onmiddellijk.

Adem uit de onderbuik, zit in je lichaam, let op! (Maurice slaat de bel) De vraag is, waar klinkt de bel? Is de bel buiten of binnen? Denk er niet over na. Het is HIER! Alles is de werkelijkheid van mijn, van jouw aanwezigheid: de bel, vogel, kaars, wierook, er is ook weerstand, het beheerderskoppel, tulpen, geboorte, dood, klein kind, ouderdom, bloemen, stadsbus, angsten, pijn, vreugde, boeddha’s, levende wezens, ziekte, liefde, haat. Alles is de werkelijkheid van jouw aanwezigheid.

Luister met heel je lichaam en geest nog eens naar de bel. (Maurice slaat de bel). Wat is dit? We zijn zo gewend en gehecht er een naam aan te hangen dat we genoegen nemen met aanduidingen. Wat is dit ‘’pling’’? (Stilte) Hier hebben we te maken met een fundamentele verlegenheid. Want in feite weten we het niet! We hebben geen idee! We hebben geen flauw idee waar we vandaan komen, waar we heen gaan, wat we zien, waar we het over hebben, wat we horen. Zoals Lin Chi zei: Zen is voor domme ezels.

Omdat alles onbepaald is, is er geen illusie, geen realisatie, geen boeddha, geen levend wezen, geen geboorte en geen dood.

En wat is er nog meer niet? Er is geen Martin, geen Lydia, enz. Er is ook geen weerstand. Hoe kan dat? Wanneer is er geen weerstand? Ben eens je weerstand. Er wordt heel veel weerstand opgeroepen, maar als je er één mee bent, als je intiem bent met je weerstand, dan is er alleen maar weerstand. En daarmee geen weerstand. Geen pijn. Steek je vinger eens tussen de deur en er is alleen ‘’Au’’. Het is precies dat! Er is geen ‘’ik’’, geen stress, geen werkdruk, geen liefde, geen vakantie. Vreemd hé! Het voelt heel leeg en tegelijk heel vol. Het is geen leegte in de zin van een nihilistisch niets. Het is vervuld van alle leven en tegelijk onbepaald. Je zou kunnen zeggen, dit is in de diepste zin de mystieke ervaring, weidse leegte, niets heiligs (bodhidharma). Geen geboorte, geen ouderdom, geen dood, geen opheffing, geen Weg, geen neus, geen oor, geen denkorgaan. Het Hartsoetra. Geen zon, geen maan, geen sterren.

De weg van de boeddha is, fundamenteel, voorbijgaan aan het vele en het ene, dus is er geboorte en dood, illusie en realisatie en zijn er levende wezens en boeddha’s.

Wat is dit? (Maurice slaat de bel). Het is duidelijk ‘’pling’’. Het is aan de ene kant ‘’pling’ en tegelijkertijd weten we niet wat het is, maar het is wel ‘’pling’’. De vinger tussen de deur brengt een ‘’Au’’ teweeg, we weten niet wat het is maar het is ‘’Au’’. Nog wonderlijker is het als je naar je lichaam gaat, het gebeurt hier. Als je dit lichaam op het kussen zet en je laat het een tijd sudderen ontstaat het gevoel dat ‘’dit’’ niet te bepalen is, dat alle grenzen wegvallen. Alles zit in deze aanwezigheid. Het is niet te bepalen waar dit begint of waar het eindigt. Het is volstrekt open, een open veld, er is niets uitgesloten van jou op dit moment zegt Dogen. Maar tegelijkertijd is die eindeloze ruimte waarin niets is uitgesloten, precies dit. Die eindeloze ruimte is heel duidelijk begrensd, bepaald, geconditioneerd, IS geboorte, dood, boeddha’s, levende wezens, weerstand, illusies, liefde en haat.

Een gezegde in zen luidt: Voor ik aan zen ging doen waren rivieren rivieren en bergen en bergen. Toen ik met zen bezig was waren rivieren geen rivieren meer en bergen geen bergen. Nu ik jaren geleden met zen ben gestopt zijn rivieren weer rivieren en bergen weer bergen.

Er is alleen maar precies ‘’dit’’. Ik kan niet zeggen wat het is. Vorm IS openheid, het is identiek! Deze vorm, dit lichaam, zo vergankelijk als het is, met zijn geboorte, met zijn beperking is tegelijk eindeloze openheid. Zoiets kun je alleen op het spoor komen door op het kussen te zitten en alleen maar te zijn. Alles wat we erover zeggen is het net niet. In feite staan we met de mond vol tanden. Fundamentele verlegenheid en tegelijk functioneren we volledig en staan we misschien wel voller in het leven dan ooit tevoren. Er is een verschil of je leeft te midden van concepten of dat je langzaam maar zeker intiemer wordt met HIER, waardoor je niet langer zogenaamd geluiden hoort maar ‘’pietepiete’’, je het tjilpen van de vogel bént. Je hoort niet de bel maar je bént ‘’boing’’. Het zit veel dichter op de huid. Alles zit in feite op de huid.

Als kind had ik die ervaring dat alles zo dicht op de huid zat, dat het zozeer met alle macht binnenkwam, dat ik verdedigingswerken moesten bouwen om de zaak hanteer te maken en waar nodig buiten te houden. Het ego dat zo ontstaat is ook nodig om te overleven. Maar het effect is dat alles een naam krijgt en substantie krijgt. De bel is massief, de stok is van hout. Maurice wordt in dat perspectief echt. En ik ga ook heel hard bewijzen dat ik er echt ben. Ik heb heel veel geld op mijn spaarrekening, dat voedt mijn ego. En ik ben een heel goed spreker en schrijver, heb je al die boeken gezien? Die heb IK geschreven, mijn naam staat erop. Zo werken we ons een slag in de rondte om een identiteit te krijgen en op te houden en binnen en buiten goed te scheiden.

De Genjokoan drukt uit dat dit leven een paradox is, duidelijk geconditioneerd, duidelijk afhankelijk, duidelijk geboren, duidelijk tekortschietend. En tegelijkertijd volkomen onbepaald, ongeboren. Wanneer je dit zenpad gaat, waar kom je dan uiteindelijk op uit? Wat heb je dan gewonnen als je uitkomt bij ‘’pietepiete’’ en ‘’boing’’, wat hebben we dan gewonnen? Ja, bevrijding uit de dualiteit, bewustzijn daarvan. Maar er is nog een andere, hele grote waarheid namelijk: dit is HET! Er is niets anders dan dit. Hier hebben we het mee te doen. De hele wonderlijke realiteit is HIER. Alles waarnaar je ooit hebt gezocht, zit onder je neus. Het is precies wat je nu hoort, ziet, denkt. Er is niets anders dan dat. Er is verder geen hoop, het is de bekrachtiging van je totale bestaan.

En toch, in gehechtheid vallen de bloesems en in afkeer verspreidt zich het onkruid.

Dit is zeer poëtisch uitgedrukt. Dogen zegt hiermee: En toch hecht ik me met heel mijn leven aan mijn kind, mijn partner, mijn familie enz. We maken zo’n lange tocht en uiteindelijk zijn we gewoon menselijk. En in afkeer het onkruid zich verspreidt. Niets menselijks is mij vreemd. We hebben een karmische constitutie – we leven samen met een man of vrouw, een kind, hond enz. Daar hechten we ons aan. Rond hechting bestaat een enorme illusie. Men denkt werkelijk onthecht te kunnen raken. Maar wat is onthechting? Stel je voor dat je echt onthecht wilt raken. Wat kun je dan laten vallen? Alles wat je je maar kan bedenken: luxe artikelen, huis, vrouw of man, vriendschap, de meeste voeding, liefde, je eigen leven, iemand zijn. En wat is dan het laatste dat je moet laten vallen? De gehechtheid aan onthechting! En wat gebeurt als je dat laat vallen? Dan ben je gehecht tot aan je kruin aan alles. Volledig gehecht. Je zit aan het leven vast, in alles. Je komt niet los.

In de Zen Cirkel die op 25 september in Utrecht begint, staat Dogens meesterwerk Uji (Zijn Tijd) centraal. Voor meer informatie en opgave zie in de agenda van deze website.

Teisho Intensive 2017 (2): Zen en lichaamswerk

Het lichaamswerk brengt ons meer in het lichaam. Dat bevordert het heel fysiek zitten in zazen (zitmeditatie). De Japanse manier voor zazen is een wijze die men ook gebruikt bij bepaalde sporten en waarbij je de spieren in de onderbuik aanspant, daar waar je chi zit. Dat aanspannen gebeurt ook bij het uitademen waardoor je zit met een bolle buik. Het effect is dat je met heel je lichaam werkelijk zit. In de zendo van Dogen was dit de sleutel tot zazen. Zonder echt lichaamswerk is het moeilijker te realiseren. Het lichaam zit, je zit met het lichaam. En toch wordt het niet genoemd door Dogen. Waarom niet? Het was namelijk heel vanzelfsprekend. In de eeuwen van het Chinese ch’an werkten de monniken op het land. Men deed ’s ochtends en ’s avonds laat zazen. Daar kreeg Dogen zijn echte scholing.

Terug in Japan waren veel zenstudenten, met name in de Rinzai scholen, Samoerai, Japanse krijgers. De martiale kunsten waren dan ook intiem verbonden met zenkloosters. Dogen schrijft vrij uitvoerig over de innerlijke houding, van de oren en de kruin tot de voetzolen, maar noemt de energiehuishouding amper. Het onderwijs daarover wordt in de praktijk overgedragen, van leraar op student. Het is heel fundamenteel onderricht. Mijn leraar Genpo stelde dit ook heel duidelijk: je leert zazen niet uit boekjes. Je krijgt door de jaren heen de instructie in en ervaring met hoe je houding en je ademhaling is en hoe je je buikspieren aanspant. Je zit vanuit je hara wat als een rode draad door het onderwijs loopt.

Binnen mijn zengroepen besteed ik er in elke bijeenkomst bij de aanvang van elke meditatie aandacht aan. Je zit met een rechte rug, op het puntje van je kussen of stoel, kantelt je bekken, de buik komt naar voren, je hangt in de onderbuik en vandaar uit bouw je je houding op. Zo heb ik het zelf altijd in de introductiecursus overgebracht. De energie, de aandacht zit in je onderbuik. De Japanse zenleraar Hakuin schrijft er in de 17e eeuw overigens wel over. Hij omschreef het alsof je zit op een bal van lucht, van energie. Vechtsporters gebruiken dit in hun beweging en houding omdat het een ongelimiteerde fysieke kracht genereert en een balans.

Het is de sleutel tot zazen. Bij kinhin (loopmeditatie) doe je hetzelfde, je gaat naar je onderbuik, spant de spieren aan en je loopt vanuit je onderbuik. Dan kun je het doortrekken naar alle aspecten van de zen-context, bijvoorbeeld tijdens het reciteren van de soetra’s. Luister maar eens naar de opnames van reciterende monniken in de zenkloosters, het klinkt als een diep monotoon gebrom, het stemgeluid komt van diep uit de onderbuik. De dikke boeddhabuik geldt niet voor niets als een symbool voor de poort tot bevrijding. In ons lichaamswerk staan we wel eens in een kring. Je houdt de hand op de onderrug van degene naast je. Het stemgeluid komt vanuit de onderbuik, dat helpt bij het aarden. Zowel bij zitten, chanten, loopmeditatie en bij het werken, is de onderbuik het kardinale punt. Het brengt je hier, maakt dat je aanwezig bent.

Teisho Intensive 2017 (1): Dogen Zenji

In januari 2017 stond de Izen Intensive te Eerbeek geheel in het teken van de Japanse zen meester Dogen Zenji (1200 – 1253) en zijn Genjo Koan uit 1233, ‘Het leven van de uiteindelijke werkelijkheid’. Eerwaarde Ben Claessens heeft de teisho’s of voordrachten die ik op de avonden tijdens deze intensive uitsprak opgenomen en uitgetypt.

Dogen’s naam staat voor ‘Inzicht in de Weg’. Deze retraite gebeurt in zijn geest. Het meeste van wat we hier doen gaat terug naar deze grote zenleraar: de setting van een sesshin, de wijze waarop we zazen doen, de service. Ceremonies zoals shuke tokudo staan in zijn traditie. Dogen is de grondlegger van de eerste zelfstandige Zenschool in Japan.

Dogen werd geboren in 1200 in Kyoto, de toenmalige keizerlijke hoofdstad van Japan. Zijn jonge jaren zijn deels in mist gehuld. We weten bijvoorbeeld niet precies wie zijn vader was. Er zijn verschillende teksten over. Mogelijk was hij een buitenechtelijk kind van de keizer. Wat we weten is dat zijn moeder hem aan het Keizerlijk Hof van Kyoto opvoedt. Op 7-jarige leeftijd slaat het noodlot toe, zijn moeder overlijdt. Zijn moeder, aldus de overlevering, vraagt hem op haar sterfbed monnik te worden. Hij schrijft erover. Bij het sterfbed ziet hij het wierookstokje opbranden, een symbool van vergankelijkheid dat in hem vragen over het leven en een verlangen naar inzicht wakker roept.

De oudere broer van zijn moeder neemt de voogdij op. Dogen voelt zich er niet thuis. Op 12-jarige leeftijd verhuist hij naar een jongere broer van zijn moeder, een kluizenaar aan de voet van de berg Hiei. Hij leert er het Tendai boeddhisme kennen, een van de eerste boeddhistische scholen in Japan die in de 6e eeuw van China naar Japan kwam. Het was destijds een tamelijk militante sekte. De verschillende Tendai tempels stonden elkaar geregeld naar het leven. Op onderdelen gaat de school terug tot het Lotus soetra. In deze school vinden we ook de herkomst van zogenaamde marathonmonniken die duizend dagen van elk een marathon van 60 km moesten lopen en dit onder strikte regels. Het kent een esoterische traditie, vormen waarin werd gechant, en we zien er invloeden van de oud Chinese Ossenkop zenschool. Van de oprichter daarvan kennen we een koan:

Tot zijn verlichting kwamen de vogels hem altijd voedsel brengen. Na zijn verlichting hielden de vogels daarmee op.

Dogen maakte kennis met het Lotus soetra dat stelt: alle wezens zijn boeddhanatuur. Het intrigeerde hem zeer. Als dat zo is, waarom is het nodig boeddhisme te praktiseren? Die vraag blijft hem bij. Hij wordt tot monnik gewijd als hij 13 jaar is. Hij begint zijn reis. Hij belandt bij de tempel Kennin-ji en Myosen, zenleraar en een opvolger van Eisai, de Rinzaileraar die zen naar Japan bracht. In 1223 besluit hij met Myosen naar China te gaan.
Na twee jaren van omzwervingen komen ze terecht bij Tiantong Rujing met wie het klikt en bij wie Dogen in training gaat. Rujing laat zijn monniken lange tijd zazen beoefenen. Een van de monniken valt in slaap tijdens zazen. Rujing brult: ‘Waarom slaap je? Weet je niet dat zazen het afwerpen van lichaam en geest is?’ Bij die woorden valt bij Dogen het kwartje.

Die ervaring van het wegvallen van lichaam en geest is een typische zenervaring. Wat is het wegvallen van lichaam en geest? Het is heel dichtbij en heel concreet. Hij is die uitroep op dat moment. Dogen was volkomen ontwaakt. Hij ging direct naar de kamer van de abt en offerde wierook. De meester vroeg waarom hij wierook offerde. Dogen antwoordde: ‘Lichaam en geest zijn weggevallen.’ De abt bevestigt het. Waarop Dogen zegt: ‘Maar dit is slechts tijdelijk. U moet me niet zonder reden bekrachtigen.’ Rujing zegt: ‘Ik bekrachtig je niet zonder reden.’ Dogen: ‘Waarom bekrachtig je me niet zonder reden?’ Rujing: ‘Lichaam en geest zijn weggevallen.’ De meester boog en zegt: ‘’ Zelfs wegvallen is weggevallen.’

Dogen stelt zijn vraag aan Rujing over de bekrachtiging omdat hij bevestiging zoekt. Hij twijfelt over wat er was gebeurd. Als je in een moment van ontwaken echt aanwezig bent, realiseer je je niet echt wat er gebeurd is, je bent immers echt aanwezig. Dogen kan dit derhalve niet zelf vaststellen. Hij heeft daarvoor de leraar nodig. Hij schrijft hierover in zijn latere werk Genjokoan. Als boeddha’s werkelijk boeddha’s zijn, werkelijk aanwezig zijn, merken ze niet noodzakelijkerwijs op dat ze boeddha’s, dat ze aanwezig zijn. De interactie tussen leraar en leerling is essentieel om het ontwaken vast te stellen.

In 1227 keert hij terug naar Japan. Daar schrijft hij de Fukanzazengi – ‘De Aanbevelingen voor het Beoefenen van Zazen’, een van oorsprong Chinese tekst. Drie jaar later gaat hij van de tempel Kennin-ji naar Kyoto waar hij een oude tempel renoveert, de eerste Soto tempel in Japan. Daar begint hij te werken aan de Shobogenzo, een klassieke en beroemde zentekst, ‘De Schatkamer van het Ware Inzicht in de Dharma’. Hij zal er 20 jaar over doen. In die tijd kende Japan behalve zen en Tendai diverse boeddhistische tradities zoals Nichiren, de Zuivere Land traditie. De protesten en de dreiging van Tendai nopen hem in 1245 de wijk te nemen naar het noorden van Japan waar hij begint aan de bouw van wat het beroemde Eiheij Soto zenklooster zal worden. Een ziekte brengt hem terug naar Kyoto waar hij op 28 augustus 1253 overlijdt.

Enkele lijnen uit zijn leven zijn:

Waarom is de zenpraktijk nodig als we al boeddhanatuur zijn?

Een tweede rode draad: de paradox van het wegvallen van lichaam en geest. Dit lichaam, deze omgrensde vorm is tegelijkertijd een niet te bepalen, onbegrensde openheid. Van deze sterfelijke vorm is in de tijd niet te bepalen waar het begint of eindigt. Het is doodloos, ongeboren. Het is tegelijk strikt bepaald en volkomen open. Het is volledig afhankelijk en volkomen vrij. Het is door en door vergankelijk en tegelijk ongeboren. Weerstand is een solide wand waar je op stuk loopt, tot het moment dat je de wand wordt en de hele zaak open gaat. Die vorm is tegelijkertijd openheid.

Een derde lijn is de precisie wat de vorm betreft. Dogen beschrijft heel precies hoe je zit en oefent. Hij beschrijft later ook het leven in een klooster in alle details. Een geritualiseerd leven. Geen handeling is zomaar, elke handeling is een geleide handeling. Het doel is het wegvallen van lichaam en geest in die handeling, het laten ontwaken van de student. Het gaat om overgave, je losmaken en laten dragen. Door telkens de handeling te doen op een voorgeschreven wijze kan zich op zeker moment de ware aanwezigheid openbaren. Zo wordt (en is) een dagelijkse handeling een verlichte handeling waarin alles samenvalt als zijnde de ene ervaring. Je oefent en oefent en oefent totdat je ophoudt met oefenen en je in feite enkel doet wat je hebt te doen. Alles gebeurt in één lichaam. Het is een kosmische ervaring. Het is een grote uitdaging voor het ego dat zich verzet. Maar als je doorheen het verzet het ritueel uitvoert ontstaat grote intimiteit.

Ik heb in een jazzband gespeeld en daarbij enkele ervaringen gehad waarin we elkaar moeiteloos vonden. Je bent zo intiem met elkaar, je voelt elkaar blindelings aan. Het is vooral je eigen wil die tot weerstand leidt. De weerstand zit ‘m vooral in het oefenen en bespelen van je instrument. Maar de weerstand is ook de energie die in de handeling zit waarin alles openbreekt. (Wordt vervolgd.)

 

Op maandag 25 september begint de nieuwe Zen Cirkel in Utrecht. Ook daar staat Dogen Zenji centraal, dit maal met zijn tekst over zijn en tijd, Uji. Als je erbij wilt zijn, check dan de gegevens in de agenda op deze site en schrijf je in!

De volle maan en maansverduistering van 7 augustus 2017

De volle Graanmaan geeft aan dat de eerste giften van de Aarde zichtbaar zijn en kunnen worden geoogst. Het thema ‘overvloed en bestemming’ kun je herkennen in het gerijpte graan op het land, maar sta ook stil bij de vruchten van jouw eigen arbeid en groei. Zoals de natuur het proces van groei en rijping heeft doorlopen, zo kun je die ook in jezelf herkennen. Welk proces heb je doorlopen de afgelopen periode? Welke eerste vruchten kun je daardoor nu plukken?

De volle maan staat in Waterman, wat nieuwe inzichten geeft in gevoelens en emoties Ineens kan iets op zijn plek vallen, kun je jouw originaliteit waarderen, besef je dat je invloed hebt op je eigen lot of hoe je jouw bestemming kunt bijstellen. De Zon schijnt licht op de Maan vanuit het sterrenbeeld Leeuw, waardoor eigenheid en creativiteit nog eens een extra boost krijgen.
Er is deze avond ook een maansverduistering: als de Zon, de Aarde en de Maan op één lijn staan, komt de Maan in de schaduw van de Aarde te staan. Het zonlicht schijnt op de Aarde en bereikt de Maan maar gedeeltelijk. De invloed van een maansverduistering speelt zich in eerste instantie af in het onderbewuste. In het begin kan het dus juist meer onduidelijkheid geven over je gevoel, want daar valt als het ware de schaduw deels overheen. Maar gedurende het komende half jaar kun je actuele thema’s uitwerken, emoties bijstellen en oude emotionele bagage van het afgelopen half jaar opschonen.
Mars staat recht tegenover de Maan en dat kan ongeduldig maken en sneller irritatie geven. Impulsief actie (Mars) ondernemen op je gevoel (Maan) kan leiden tot discussies of ruzies. Het is constructiever om je energie te gebruiken om een project of werkzaamheden af te ronden, zodat je daarna een tevreden gevoel hebt.
Jupiter vergroot ieder gevoel van optimisme en kan succes brengen. Maar Pluto staat vierkant Jupiter, wat de maansverduistering neurotisch kan kleuren. Pas dus op voor machtsmisbruik en fanatisme (zowel in jezelf als in je omgeving).

De maansverduistering is tussen 17.48 en 22.53 uur. De Maan komt bij ons echter pas om 21.10 uur op, dus kunnen we alleen het einde van de eclips zien.

Petra Stam

http://www.petrastam.nl/

Voorbij gehechtheid en verslaving

Wat een genoegen is het toch om ouder te worden en om die vernauwende omcirkeling van het ‘ik’ steeds minder te voelen. De tijd dat de persoonlijkheid zich intern en extern wenste af te tekenen ligt in hoge mate achter me. Daarmee ook het meten, vergelijken, opzien, neerzien, opblazen, voegen en de verkrampend-kritische zelfschouwing. Het interne team van cameramensen, geschiedschrijvers, boekhouders, juryleden, rechters en trendwatchers is opgeheven. Heerlijk wel!
Toen dat team nog actief was leefde ik in gehechtheid aan beelden: zelfbeelden, toekomstbeelden, denkbeelden en natuurlijk angstbeelden. Angst voor de ontmaskering van de constructie, angst voor het innerlijk niets-zijn.

Is daarmee ook de zelfbeoordeling helemaal weg? Nee, maar die is wel ‘natuurlijker’ geworden, liefdevol, open oordelend en niet meer veroordelend. Als hij opkomt dan valt er wat bewust te worden, dan wordt er aandacht gevraagd en mogelijk aanpassing. Waar het dan meestal over gaat is een aanpassing in de praktijk, om bewust vaardig te handelen – een boeddhistisch begrip waar je doet wat nodig is, met de middelen die je hebt, met wie je bent. Je gaat zo intelligent mogelijk om met je zelfkennis en je inzicht in de situatie.

Maar wat is nu die verandering van de gehechte en verkrampte man naar de open mens van nu die niet meer dwangmatig iets nodig heeft om zich goed te voelen? Is de enige aanwijzing die ik kan geven ‘word nog maar wat ouder’?

Als ik die overgang wil begrijpen dan kijk ik als eerste naar het effect dat mijn leraren op mij hebben gehad. Ik heb kunnen oefenen, spelen, mislukken, opkrabbelen binnen de context van training, liefdevolle geestelijke begeleiding en inspiratieve aanwezigheid. Ook hier geldt, net als bij de opvoeding van kinderen, dat het levende voorbeeld de meest wezenlijke leerweg biedt. Een vrije, onthechte leraar of begeleider is zo’n levend voorbeeld.
En wat heb ik verlangd naar bevrijding! Wat heb ik er mijn best voor gedaan – maar ik begrijp heel goed waar Jeff Foster het over heeft als hij stelt dat de hoop op bevrijding ook beperking met zich mee brengt, namelijk een hechting van het voelen-denken (Het idee dat DIT alles is wat er is, dat dit moment de enige betekenis van het leven is, dat dit moment alles is wat we hebben, is erg uitdagend voor een geest die is opgesloten in de hoop op een toekomstige bevrijding – Jeff Foster).

Een ander weten dat mij voorbij hechting en verslaving heeft gebracht is de primaire acceptatie van het leven zoals het zich aandient, de dood, het menselijk tekort, mijn eigen tekortkomingen en angsten, van het lot. Het schept op een diep niveau een enorme openheid als we  niet meteen het ongewenste weg duwen, niet alles scheiden in goed en slecht, dit wel – dat niet. De werking van acceptatie gaat voor ons ‘leven’ als we onze mentale activiteit ontspannen in het zich voortdurend ontvouwende levensmysterie.
Ik heb geleerd om de donkere wolken die zich in mijn geest konden samen pakken, zich te laten samen pakken, zoals dat zich in de natuur ook voltrekt. Dat ik verveling niet direct hoefde uit te bannen, ziekte of ongemak niet meteen wilde genezen. Dat open moment, die toelating, is de bron van onthechting – het is het feitelijk samen vallen met wat is, met wat gegeven wordt.

Voorlopig eindig ik met zelf-vertrouwen als een bestanddeel dat ons kan ondersteunen om voorbij gehechtheid en verslaving te komen. Wat schijnbaar in tegenstelling is tot wat ik hiervoor schrijf over aanvaarding: zelfvertrouwen groeit niet uitsluitend in het yin van het toelaten. Het yang van schifting, afwerping en scheiding maakt er net zo goed onderdeel van uit. Strijd, confrontatie, actieve onthechting, actieve ontslaving, met inzet niet luisteren naar de stem van de angst, doortastend demonen ontmaskeren, met passie en inzet de stem van het hoogste weten volgen – het vraagt iets wat we vaak diep uit onszelf moeten halen. Aan deze strijd om tot actieve zelfexpressie te komen kleven vaak allerlei gevoelens en gedachten, dat we ons ongeliefd maken en als lastig gezien worden. Of dat we te hard zijn voor onszelf (als mensen zoiets zeggen als ‘ik ben zó hard voor mezelf’, denk ik wel eens ‘nou, er mag best wel een tandje bij’).

In het open moment kan de dwanggedachte, de kwade aandrift, angst of zelfkritiek opkomen – die zien/horen/voelen we (aanvaarding!), we herkennen hem (het is bijna altijd een oude bekende) en even vlot wijzen we hem af, ‘fuck off’ – kastje open, poppetje gezien, kastje dicht!
‘Ja, maar, het lukt me niet’ – dat is precies wat ik bedoel: sommige ongewenste gasten moet je telkens weer de deur wijzen. Er is geen methode, geen weg, geen psychologische truc: de oefening ligt in het doen: de deur wijzen.

Yin en yang…aanvaarding – actie, vaardig handelen.

Een ritme is geboren: open aanvaarding – actie….

(Het voorgaande is een lichte bewerking van een artikel dat eerder op de oude website is verschenen naar aanleiding van het thema Gehechtheid en verslaving)

Voor wie geïnteresseerd is in het proces van ontslaving; zie http://www.ontslaving.nl/

Een spiritueel moment

De wil van God

Er is nogal wat aan de hand in de wereld. Op het journaal zien we de gruwelijke burgeroorlogen in Syrië, Zuid-Soedan en Afghanistan langskomen, natuurrampen (al dan niet als gevolg van de klimaatverandering), terroristische aanslagen, milieurampen en verkeersongelukken met vele doden. De paradox is dat we bang zijn voor de dood, maar dat een gebeurtenis pas op het journaal komt als er minstens een paar doden bij zijn gevallen. We gruwen ervan, maar we willen het wel zien en horen. Op de camping in Frankrijk hebben we geen tv, maar daar kunnen we altijd nog terugvallen op een spannende detective over een moordenaar die de dood een handje helpt.

Om onze fascinatie voor ellende, pijn en dood een beetje te compenseren, gaan we er op gezette tijden met zijn allen de strijd mee aan. Op bescheiden wijze, dat wel. We maken een bedrag over op een gironummer of gooien een duit in een collectebus. Toen er deze week een collectant aanbelde voor een donatie, stond ik een tijdje te aarzelen. Het was een gênant moment. De collectant keek me vriendelijk en hoopvol aan, maar ik kwam niet in beweging. De intentie om te geven was er (althans, die kwam als gedachte langs), maar er gebeurde niets. Eigenlijk had ik willen zeggen: ‘Ik wacht op een impuls om te geven, maar die komt niet.’ Zo’n uitspraak valt echter zo buiten de sociaal aanvaarde kaders dat hij hoogstwaarschijnlijk niet of verkeerd begrepen zou worden. De collectant zou denken dat hij met een malloot van doen had. Uiteindelijk schudde ik ‘nee’ met mijn hoofd terwijl ik er een schuldig gezicht bij trok. Teleurgesteld draaide de collectant zich om en ging hij op weg naar de buren.

Ramesh Balsekar, de Indiase spirituele leraar, raadde zijn leerlingen aan om in de omgang met anderen gewoon te doen alsof de vrije wil bestaat, maar tegelijkertijd beter te weten. Hij illustreerde dat keer op keer aan de hand van een uitspraak van Boeddha: “Gebeurtenissen vinden plaats, handelingen worden uitgevoerd, maar er ligt geen individuele doener aan ten grondslag.”

Onze zogenaamde vrije wil is nooit iets anders dan de wil van God. Om dat te zien hoef je noch gelovig te zijn, noch aan een hedendaagse universiteit gestudeerd te hebben. Bijna tweeduizend jaar geleden schreef de Romeinse keizer Marcus Aurelius al: “Alles wat harmonie is voor u, o Universum, is ook in harmonie met mij. Niets wat op het juiste moment komt voor u, is te vroeg of te laat voor mij. Alles is vrucht voor mij wat uw seizoenen voortbrengen, o Natuur. Alle dingen komen uit u voort, kennen hun bestaan in u, en keren terug tot u.”

Maar de christelijke mysticus Meester Eckhart voegde daar nog een essentieel inzicht aan toe: “Zolang jullie nog de wil hebben”, schreef hij in Over de armoede van geest, “om de wil van God te vervullen, en ergens nog iets te begeren – al is het de eeuwigheid, al is het God – zijn jullie niet werkelijk arm.” Armoede van geest betekende voor Eckhart werkelijk vrij zijn van ieder verlangen en zo bewust samenvallen met de wil van God. Het betekende voor hem ook zuiver van geest zijn, vrij van het ego dat claimt over vrije wil te beschikken.

Maar of dat gezien en begrepen wordt of niet, maakt voor de wil van God niets uit. Alles wat gebeurt is de wil van God. Dat is wat mij betreft bij wijze van spreken. Je zou evengoed kunnen zeggen dat alles spontaan gebeurt zonder dat daar een intentie, plan of logica achter zit, en zonder dat er iets of iemand is die het laat gebeuren, en dat maakt ons volkomen vrij om te doen wat we doen. We lijden niet door de dingen die gebeuren, maar door de angst, twijfel en zorgen die het denken er aan vasthangt. “Als je loopt”, zei zenmeester Unmon tegen zijn leerlingen, “loop dan alleen maar. Als je zit, zit dan alleen maar. Wat je ook doet, wiebel niet.”

Twijfel niet, maar doe, is wat Unmon tegen zijn leerlingen zegt. Doe wat je hart je ingeeft, ongeacht de mening van anderen, ongeacht je eigen mening, je twijfels en zorgen, ongeacht het resultaat. Leef en kijk niet om. Probeer de wereld te verbeteren, probeer iets te doen aan oorlog en geweld, of blijf thuis zitten en lees een boek. Geef de collectant een donatie, of knik nee en doe de deur dicht. Leef naar de wil van God, dat wil zeggen, zie dat de dingen niet door jou gebeuren, dat ze doelloos en onpersoonlijk zijn, en accepteer hoe ze gaan, ook al was het niet wat je voor ogen had. Dat is wat de zesde zen-patriarch in lang vervlogen tijden aan zijn leerlingen meegaf toen hij beschreef wat je van de verlichte mens kunt verwachten:

 

Kalm en verheven staat hij boven rechtvaardigheid;

nobel en onbewogen doet hij niemand kwaad;

vredig en rustig ziet en hoort hij niets;

evenwichtig en gebalanceerd verblijft zijn geest nergens.

 

The Mysticism of Music

What is music? What happens when music touches us? If we could somehow float above planet Earth and hear the abundance and diversity of music rising up from around the globe — monks chanting in cloisters, rappers hip-hopping in Detroit, mothers humming lullabies in China, string quartets performing in Vienna, distant lovers singing of their longing — what would we be witnessing? What is it that enchants us in the mingling of sounds? What is happening that moves us so?

I am not sure these questions have reliable answers. Of course, we might say music comforts us, or calms us, or excites us, or inspires us, but we still wouldn’t be any nearer to answering what music is, or what is behind the mystery of its capacity to touch us in so many ways.

My purpose here is not to dream up answers to these questions about music’s mystery, but to suggest another way of experiencing what is behind the questions. In aid of this purpose I would like to point to another mystery, what the great 13th century sufi mystic Ibn ‘Arabi called “the Breath of the Merciful.” This is a mystery on the scale of the cosmos and its origins. Yet its awesome majesty can be experienced within the intimate mystery of music itself.

The Breath of the Merciful

The Breath of the Merciful is understood as the cosmic dynamic that vitalizes the many in the One. It is the ever-present ‘Breathing’ that makes it possible for this infinite universe of duality to come into being while never being other than the nondual essence of the One. Seeing the nature of this dynamic gives us a chance to intuitively understand how there can simultaneously be the one indivisible essence of the Real and the endless proliferation of phenomena. This understanding, if it occurs, is not conceptual and is not simply a metaphysical nicety. ‘Getting’ the relation between the relative and the absolute is at the heart of all experiences of spiritual awakening.

There is a well-known Tradition of the sayings of the Prophet Mohammed in which God says, “I was a Hidden Treasure and I longed to be known, so I created the Cosmos.” This saying reveals that the essence of God (the Hidden Treasure) contains within it a fundamental yearning for self-realization. The essence longs to know the essence. It is this longing that pervades all of existence. It is what calls you to read this sentence, to appreciate a spring morning, to love someone, or to want to know God.

Ibn ‘Arabi suggests this primordial longing is “relieved” by a vast cosmic Mercy — the Breath of the Merciful. We can imagine this cosmic dynamic has two aspects — an exhalation and an inhalation. Through the infinite generosity of the Merciful Breath, the cosmos flows into actuality. This is the divine exhalation that brings the universe into being each instant. It is the very principle of creation manifesting the potentialities latent “within” the Oneness of Being. Through the birthing of polarities and multiplicity, of otherness, the Breath makes possible relationship, and thus knowledge and love. Now the primal longing of the Hidden Treasure has a direction in which to flow.

And yet, as we know all too well, the dimensions of duality can be a trap in which otherness is experienced as the only reality. Separation rules. As seemingly separate entities we thirst for connection, but with what? As the Buddha said, our thirst, our craving, becomes the cause of suffering.

Here we may sense how the Breath of the Merciful continues in its Mercy by drawing the existence of the many back to union with the essence. This is the divine inhalation, of return to unity, of homecoming. In one sense this inhalation occurs every moment as the entire cosmos passes away to make room for the new. In another sense, the divine inhalation is expressed in the call to awakening, to realization of the Hidden Treasure. The conscious recognition of our true identity is the consummation of cosmic longing.

Yet while this return to Unity is a movement of love, it also destroys otherness, and therefore the possibility of relationship. Union with the Beloved annihilates the lover. Here we see the universal paradox of Becoming and Being, and the necessary tension between otherness and non-otherness that makes possible divine self-realization.

To summarize, the two aspects of the Breath of the Merciful represent, on the one hand, the creation of the cosmos through the divine exhalation, and on the other hand, the resolution of the separation implicit in the polarities of the cosmos through the divine inhalation.

We can appreciate the paradoxical nature of this view by recognizing that the image of the Breath is not sequential like the breath of animals, but instead the two aspects of the Merciful Breath are eternally co-existent, the exhalation including the inhalation, and vice versa. Thus we can glimpse the many in the One and the One in the many, and the contradictory simultaneity of time and the timeless, of the created and the uncreated, of the other and the not-other.

The Mystery of Music

With this admittedly condensed and abstract introduction to Ibn ‘Arabi’s concept of the Breath of the Merciful, let us return to our contemplation of the nature of music. Holding for a moment in our awareness this recognition of the function of the divine Breath, we can perhaps allow for the possibility that as we create or listen to music we are actually witnessing the creation of the cosmos.

For example, before a melody or rhythm begins there is silence. Then the first sound appears. From where does it come? Where was it before it manifested its sound? We may notice how the first sound, and the second, and the third, and so on, are each given freely into the moment. They appear out of silence, out of not-being. We may also notice how the note that will be played in a few moments doesn’t yet exist… and suddenly it is here! What gives it existence?

We can only say it is birthed from the infinite potential of the void. And then, what happens? It vanishes! Where does it go? It returns back into the emptiness of silence, into not-being. Yes it may linger a moment or two in memory as its fleeting presence touches the fleeting presence of the sounds that follow, but silence precedes it and silence finishes it.

If we listen closely to the coming-into-and-passing-out-of-being of each sound we can recognize that here is the very creation and renewal of the cosmos. What we are calling the Breath of the Merciful makes possible the arrival of each sound out of nowhere. And equally miraculous the Breath resolves this coming-into-being of the sound by instantly drawing it back beyond being, into pure essence.

When we listen to or create music that is fresh and living, we are struck by how what is played or sung is both unexpected and inevitable. Each curl of melody, each unresolved chord or playful syncopation replicates the longing of the Hidden Treasure to be known. The melody rises, gathers, soars, and calls for its resolution.

Could it be possible that music in its most authentic function replicates the primal cosmic drama of creation by its own creation of the beautiful thing, the beautiful sound (the exhalation), and then the re-absorption of that thing-sound into no-thingness (the inhalation), touching our heart as it does so with this gift of the play between existence and non-existence? Or is it even more than that? As our heart is touched by the beautiful thing, does it not make possible the cosmically longed-for event of the Hidden Treasure becoming known?

And what is this “knowing” anyway? Can the Hidden Treasure be known as a thing is known? Or do we not open to the essence of the Hidden Treasure by letting go of knowing altogether, just as we let go of each note in music so that its essence will be revealed? As the 2nd century Buddhist master Nagarjuna commented, “Nirvana is the letting go of what arises and passes.” In some way this is what happens when music awakens us.

The text content of this post was previously published on Open Path/Sufi Way website as The Mysticism of Music.

Wijzer dan wijzelf

Een zwoele avond in de tuin. De langste dag nadert, de planten en bloemen geuren en de vogels laten zich uitbundig horen. Onze kat laat het onaangedaan over zich heenkomen en speurt meedogenloos naar een potentiële prooi. Even is nergens een dissonant te bekennen. Alles is een uiting van het ene dat leeft. Hoe helder maakt het zich nu kenbaar. Tegelijkertijd is er ook het besef dat we eigenlijk horende doof en ziende blind zijn. En is dat eens niet het geval, dan moeten we zoeken naar woorden die logica en intellect omzeilen; woorden die uitdrukken wat we voelen en weten buiten iedere ratio om; woorden die meer uitdrukken dan we weten, die wijzer zijn dan wijzelf en de waarheid beter tot uitdrukking brengen dan we zelf ooit zouden kunnen.

Ook in de stilte van deze avond wordt het bestaan zo sterk en anders gevoeld dat ik op zoek ga naar woorden, maar ik vind ze niet. Wat er in me opkomt is die prachtige regel van William Blake:

Voor mij is de zon geen gouden schijf ter grootte van een shilling,

maar een eindeloze heerschare heilige engelen die ‘Halleluja’ zingt.

De vogels in mijn tuin als heilige engelen die het mysterie van het bestaan bezingen. Misschien zat de Engelse dichter Coleridge een paar eeuwen geleden net als ik ’s avonds naar de maan te kijken toen hij schreef:

Het maanlicht gedompeld in stilheid,

de roerloze windvaan.

Zoals de geest van Coleridge ondergedompeld werd in stilheid, baadde in het maanlicht en even roerloos werd als de windvaan op het dak van zijn huis, zo viel het denken van een groepje monniken stil toen ze terecht werden gewezen door Enô, de zesde zenpatriarch. Die dag wapperde er een vlag op het dak van het klooster. Een van de monniken zei: “De wind beweegt.” Een andere zei: “De vlag beweegt.” De groep monniken raakte in discussie en kwam er niet meer uit. Toen greep Enô in. “De wind beweegt niet”, zei hij, “en ook de vlag beweegt niet. Wat beweegt is jullie geest.”

Zelfs een wapperende vlag kan verwijzen naar de stilheid in onszelf, maar slechts dan als het denken stilvalt en de innerlijke leegte gevoeld en ervaren wordt, als we ten volle doordrongen raken van het onvermijdelijke der dingen, van de zo-heid van het bestaan. Die zo-heid is oneindig neutraal, en dus niet rechtvaardig of onrechtvaardig, schitterend of afschuwelijk, liefdevol of harteloos. “Alleen het denken maakt dat ervan”, zoals Shakespeare in een van zijn stukken opmerkte.

Laat ik het niet bijzonderder maken dan het is. We kennen allemaal momenten waarin we de dingen in hun eenheid ervaren, waarin het onderscheid tussen het Ene en het vele wegvalt en alleen het mysterie overblijft. Rutger Kopland, de dichter der gewone dingen,  inspireerde het tot de volgende regels:

niet weten

van het geritsel, de geuren, het duister

onder de bomen, het geschreeuw

in de verte, de verdwijnende

sporen, van niets weten

wat het betekent.

Er van doordrongen zijn dat je van niets weet wat het betekent, dat alles een ondoorgrondelijk mysterie is waar geen naam of eigenschap zich aan hecht: het kan zomaar gebeuren, in een flits van inzicht, voordat alles weer in de duisternis van de woordenwereld verdwijnt. Alles zal daarna anders zijn, ook al is er niets gebeurd.