…voor inspiratie, levenswijsheid en bezinning

Posts Tagged ‘leraar’

Over commitment tussen leraar en leerling

Teisho uitgesproken op 1 december 2018 voor de Zen Cirkel Lelystad door Maurice Genko Knegtel Roshi. Deel 2.

Roshi: Wat zoek je in een leraar? Is het verlangen, de vraag sterk genoeg om weerstanden te overwinnen? Ik kwam als academisch geschoold filosoof en voormalig lid van de kraakbeweging als student bij Genpo Roshi. Ik ben altijd zeer kritisch geweest naar mijn leraar en toch hebben we een intieme band met elkaar. Genpo was geen wetenschapper, hij was een sportman, een waterpolospeler op Olympisch niveau. Ik had een passie: ik wilde zien wat dit leven is, wie ik ben. Ik zocht een leraar in wie ik vertrouwen kon hebben, die mij kon helpen mijn blinde vlekken te ontdekken. Advaita vedanta, de Tibetanen noch de filosofie konden mij de antwoorden geven waarnaar ik zocht. Genpo is zo ongeveer het tegenovergestelde van mij, maar voor mijn zenweg was hij de ideale match. Hij was direct, werkte zonder omwegen, kon spiritueel bij mij binnenkomen, mij uitdagen.

Het is aan anderen nauwelijks uit te leggen wat je in zen nou precies doet, wat je hier vanmiddag hebt zitten doen. Het kan zeer ondersteunend zijn met mensen samen te komen die hetzelfde doen, zodat je niet alleen met deze diamant rondloopt. Dat vraagt een commitment aan de groep. Als we kijken naar gradaties, dan is de mate van commitment aan een leer of een groep nog wat anders dan het commitment aan een leraar. Een leraar kan je confronteren, dingen vragen, spiegelen. Een leraar kan bepaalde knoppen indrukken die niet prettig zijn. Het is de meest lastige vorm van commitment.

Student: Je moet ook durven leerling te zijn.

Roshi: Precies. Het betekent dat je je committeert aan elke kant van jezelf, kanten die je zelf liever niet ziet. Het echte committeren aan jezelf is onwijs moeilijk. Dat is waarom deze tradities zijn ontstaan, met deze leer, deze vormen van beoefening, met een leraar en beoefening in een groep. Daarin heb je bepaalde gradaties die je teruggeven wat je niet kunt of wilt onder ogen komen. Het echte committeren is het committeren aan jezelf. En daar hoort ook bij het inzicht krijgen in het sjoemelen dat je voortdurend doet. Sommigen zeggen: ik heb het leven als leraar. Dat is mooi, totdat het echt spannend wordt, en je iets tegenkomt wat je  toch liever niet onder ogen wilt komen. Dan wordt het sjoemelen. Een leraar houdt je strak.

Student: Het is ook een jezelf herinneren.

Roshi: Dat is de kern van dit pad, jezelf herinneren wie je bent. We zijn als mens een meester om onszelf een rad voor ogen te draaien. Wat mij op mijn weg zette, was het sterven van mijn  vader toen ik 15 was. Ik had het leven uit hem zien wegtrekken en vroeg me af: wat is dit? Die vraag heeft me niet meer losgelaten. En uiteindelijk wist ik ook, ik kom daar zelf, met al mijn intellectuele capaciteiten en hartstocht, niet uit. Ik heb iemand anders nodig die me begeleidt.

Er zijn gradaties van commitment. Je kan een commitment voor jezelf houden. Je kan er ook voor uitkomen. Sprekend over kwetsbaarheid. Het commitment zelf is op zich al kwetsbaar. Je hebt geen idee waar je in stapt. En om vervolgens dat ook nog publiekelijk te erkennen, is de kwetsbaarheid in het kwadraat. Aan jukai, het uitspreken van de zestien voornemens tot boeddhist, gaat een andere kleine ceremonie vooraf, shoken. Iemand vraagt een ander om diens leraar te worden. De leerling committeert zich in de shoken ceremonie tot de leraar en de leraar tot de leerling.

Student: Het is spiritueel uit de kast komen. Ik word binnenkort tot boeddhist gewijd. Ik ben er al een jaar mee bezig en ik voel heel goed wat er straks gaat gebeuren. Het is voor mij een oefening in overgave, vertrouwen hebben en dat vertrouwen uitspreken. Ik kan mezelf gek maken met duizend redenen om het niet te doen en aan mijn angst toe te geven. Naarmate de datum nadert, word ik er steeds weer aan herinnerd en uitgenodigd tot overgave.

Roshi: Aan shoken en aan jukai gaat het nodige geworstel vooraf. Maar vanaf het moment dat je er echt voor gaat staan, is er altijd een herinnering in de tijd. Je hebt de ceremonie, en bij jukai concreet, de rakusu, die het commitment gaan ondersteunen. In het alledaagse leven kun je er telkens naar terug, als herinnering aan het feit: Ik ben er voor gaan staan. Elke bekrachtiging is een markeringspunt om het commitment verder te dragen en te verdiepen.

De zentraditie kent daarbij een interessant aspect: de leerling kan op ieder moment afhaken. De leraar niet. In andere tradities kunnen leraren afstand nemen van hun leerling. Niet in deze zentraditie. De leraar staat altijd achter de leerling, ook als die vertrokken is. Je kunt je commitment ombuigen en je kunt ook weer terugkeren. En het gaat bij een bekrachtiging ook niet zozeer om boeddhisme, het gaat erom te staan voor wie je  bent. Het heeft niks esoterisch, het is een upaya, een pedagogisch middel. En je krijg er een grote vraag bij: wat nu? Hoe ga ik het doen? Hoe kan ik een goede leerling zijn? Tijdens jukai spreekt de student zich uit: Mijn leven is het leven van de Boeddha. Prachtig. En de dag daarop stapt hij of zij in de auto en staat vast in de file en herinnert zich: Mijn leven is het leven van de Boeddha! Verdorie, wat nu?

Deze workshop stond in het teken van de herdenking van Kees Bastiaanse. Kees overleed op 31 juli 2018. Hij was sinds 2007 cursist bij Zen Cirkel Lelystad.

Maurice Genko Knegtel Roshi leidt op zondag 16 juni 2019 een studie zen zondag in het Graalhuis te Utrecht met als thema het onwaarschijnlijke ontstaan van zen in China. Voor meer informatie en opgave, zie: https://izen.nl/zen-meditatie/

En… Alle voordrachten over de Hsin Hsin Ming, het beroemdste gedicht van zen in China, zijn nu via de Podcast te beluisteren Klik op: https://izengenko.podbean.com/

De hartsconnectie tussen leraar en leerling

De relatie tussen leraar en leerling is een diep mysterie. Je kunt er van alles over zeggen, maar gaandeweg kun je ook merken dat wat je erover gezegd hebt nét naast de waarheid is. In mijn boek Non-dualisme is een hoofdstuk gewijd aan het fenomeen van de leraar. Eerlijk gezegd vond ik in de eindfase van het schrijven al dat een bepaalde passage in het hoofdstuk net niet dekkend was wat betreft een specifiek punt in de relatie met de leraar: het verband tussen overdracht en wat ik ‘hartsconnectie’ noem. Toch lukte het me toen niet dit zo te herschrijven dat het voor mij kloppend was. Kortgeleden heb ik dit gedeelte opnieuw geschreven, voor de nieuwe druk van Non-dualisme. Naar mijn gevoel raakt het nu wel het wezenlijke punt. Hierbij deze passage, ter vervanging van bladzijden 77-80 van het boek.

Overdracht en het machtselement
Hoe de boodschap ook tot ons komt, lezend in een boek of luisterend naar een ander mens, het komt altijd neer op het gegeven dat er iets onderwezen wordt – en dus dat zich mogelijkerwijs beïnvloeding afspeelt. Ik kan leren van iemand, of van een tekst van iemand. Ik laat mij al dan niet beïnvloeden.
In het geval van leren uit een boek valt het in het algemeen wel mee hoezeer bij de beïnvloeding een machtsfactor meespeelt. Maar in het mezelf openstellen voor de invloed van een levend mens en het zitten aan diens voeten, lijkt de zaak anders te liggen. Is het niet zo dat als ik mij door iemand laat beïnvloeden, ik daarmee aan die ander macht verleen? Ik stel mij ‘onder’ hem op, en dat brengt me mogelijkerwijs in een afhankelijke positie. Juist als ik zie dat het om vrijheid gaat, zou ik toch dom zijn een ander toe te staan invloed op mij te hebben! Het lijkt wel de absurditeit ten top dat ik zou moeten luisteren naar een uitleg over werkelijke vrijheid terwijl ik zelf nederig toehoorder blijf.
Het is dan ook wel te begrijpen dat in het Westen, met zijn nadruk op ‘eigenheid’ en ‘individuele vrijheid’, de verhouding tussen de leerling en de goeroe in de oosterse bevrijdingswegen met achterdocht wordt bekeken. Het blijft een van de lastigste thema’s van het geestelijk leven. Zo bestaan er bijvoorbeeld in Nederland nog vrijwel geen goede artikelen of boeken die dit thema behandelen, waardoor er ook geen klimaat is ontstaan waarin juist de subtiele aspecten uitgewisseld kunnen worden. En om deze subtiliteiten gaat het, wat mij betreft.
Voor een deel is de achterdocht begrijpelijk. Hiermee doel ik niet alleen op het gegeven dat het voorkomt dat ook ‘gerealiseerde’ leraren vergissingen begaan en leugens volhouden die hoogst pijnlijk zijn voor de leerlingen, maar vooral op het enorme belang van het fenomeen dat in de psychologie ‘overdracht’ wordt genoemd. Dit begrip (in het Engels ‘transference’ – niet te verwarren met ‘transmission’, de overdracht of overbrenging van inzicht van leraar op leerling) werd door Freud gehanteerd om aan te duiden dat een patiënt bepaalde gevoelens die hij vroeger had ten opzichte van zijn ouders, zoals afhankelijkheid en verheerlijking (eventueel vermengd met haat), in het heden overdraagt op de hem behandelende analyticus. En ook los van een psychoanalytische of therapeutische context worden gevoelens die betrekking hebben op de verhouding met zowel vader als moeder (en op de gespletenheid die door het verschil tussen deze beide verhoudingen wordt veroorzaakt) overgedragen op een vervanger van de ouders – en een spiritueel leermeester vervult als geen ander deze rol van vervanger. Hij is de uiteindelijke Vervanger, ook al zal hij openlijk juist verklaren deze rol te weigeren.
Vandaar dat in de verhouding met de leraar vaak een dosis oneerlijkheid wordt gehanteerd, een schijnbaar onvermogen om hardop eventueel bezwaren te uiten, waarbij allerlei zaken die in een gewone (gelijkwaardige) verhouding absoluut niet geaccepteerd zouden worden, zoals grofheden en beledigingen, nu wel geaccepteerd worden. Overdracht bestaat bij de gratie van een bepaald iets dat verkregen lijkt te kunnen worden van een ander mens, iets dat te maken heeft met voeding, bescherming en veiligheid – de herhaling van de verwachting iets te krijgen van de ouders. Doordat in het geval van de leermeester dat bepaalde ‘iets’ niets minder is dan bevrijding, kan de acceptatie zulke extreme vormen aannemen. In de hoop ooit iets te ontvangen, wordt de eigen integriteit ingeleverd.

De nieuwe kleren van de keizer
Ieder werkelijk leerproces is een dans tussen twee polen: tussen het gelijke en het ongelijke. Je leert van iemand die niet gelijk is, die ‘hoger’ is. Als in de ander niet iets erkend wordt als ‘hoger’ of ‘verder’, meer ontwikkeld, zal er niet veel geleerd kunnen worden. Je zult er je tijd niet aan willen besteden. Of, als je wel zo’n confrontatie aangaat, zal het in het gevecht blijven steken. Nu kan de drang om voor iets op te komen wel mooi zijn (een eerlijke uiting van bezwaren zal immers helpend kunnen zijn om dichter bij de waarheid te komen), maar als je iets van een ander wilt leren moet er uiteindelijk toch een bereidheid zijn om je verdediging op te geven en werkelijk te luisteren. Wat zich echter hierbij, door de erkenning van de ander als ‘hoger’, snel kan aandienen is het doorslaan naar de andere kant, naar bevangenheid en afhankelijkheid, dus naar het genoemde fenomeen van de overdracht.
Het lijkt wel onvermijdelijk. Overdracht is waarschijnlijk inherent aanwezig in iedere werkelijke leraar-leerlingverhouding; je kunt er niet aan ontkomen. Dit fenomeen kan, zeker als het een leraar betreft met charisma of ‘naam’, zelfs proporties aannemen die lijken op wat Andersen beschreef in ‘De nieuwe kleren van de keizer’. In dit sprookje wordt het benoemen van het duidelijk zichtbare, namelijk de afwezigheid van kleren, door de personen die als toonaangevend worden beschouwd, betiteld als dom. Op een vergelijkbare manier kunnen in een groep mensen rondom een geestelijk leraar allerlei ‘toonaangevende’ normen bestaan. Dan zou, als je iets zou zeggen dat hiervan afwijkt, jouw verwoording van wat je ziet wel eens van domheid kunnen getuigen! De leraar is iemand geworden die je wilt behagen en voor wiens oordeel je bang bent – hij mag niet gering over je denken, en je zult je uitsloven om zijn gunst te winnen. Je zit weer tegenover vader of moeder, en je bent bereid jezelf en je eigenheid weg te moffelen in de hoop daar beter van te worden – vooral daar je gehoord hebt dat ‘jezelf’ en ‘eigenheid’ allemaal bij het ego horen, dat immers juist afgelegd moet worden.
Ondanks dit alles bevat overdracht toch ook het element waardoor het mogelijk is dat overdracht in de andere zin, het overdragen van het wezenlijke Besef van de leraar op de leerling, plaatsvindt. Leraren als Ramana Maharshi en Atmananda hebben herhaaldelijk gezegd dat voor de relatie met de leraar juist een dualistische houding nodig is, met andere woorden een houding die een ongelijkheid met de ander erkent – wat uiteindelijk kan neerkomen op een totale ontvankelijkheid die soms lijkt op die van een kind. Misschien kun je zelfs zeggen: zonder de ene overdracht (transference) niet de andere overdracht (transmission). Dus hoewel het als een vergissing kan voelen, een onderdompeling in allerlei oude kinderlijke patronen waar je juist van af dacht te zijn, is het uiteindelijk toch een onlosmakelijk bestanddeel van het wonder dat van een ‘persoon’ op een ‘persoon’ het Besef kan worden overgedragen dat ‘persoon’ geen werkelijkheid heeft.

De hartsconnectie
Voor dit overdragen van Besef is het behulpzaam dat de psychologische vorm van overdracht herkend wordt, en bespreekbaar gemaakt. Naar mijn gevoel zou overdracht in de relatie tussen leraar en leerling een gebruikelijk thema moeten zijn, dat steeds opnieuw aandacht mag krijgen. Zowel het kinderlijk-afhankelijke alsook het puberale, dat je pseudo-onafhankelijk kunt noemen, verdienen aandacht. Als deze aandacht wordt gegeven in een bedding van liefde, kan de leerling meer en meer ook binnenin zichzelf opmerken dat liefde al het geval is, en niet verkregen hoeft te worden. Zo kan afhankelijkheid oplossen. Alleen een relatie die op liefde is gebaseerd kan overdracht doen oplossen. Overdracht is een fenomeen dat alleen maar bestaat vanuit het gevoel dat er onvoldoende van je gehouden wordt, dat er gebrek is, een behoefte of vraag die eventueel tot een eis wordt. Overdracht proberen weg te werken, vanuit de irritatie dat je hier nog niet voorbij bent, heeft het effect dat het alleen maar bestendigd wordt. Op deze plaats zie ik ook het belang van een vorm van commitment tussen leraar en leerling, een wederzijdse intentie om zo totaal mogelijk toegewijd te zijn aan waarheid. Echt leerlingschap of discipelschap houdt in dat er bereidheid is om gewezen te worden op alle diepergelegen blinde vlekken, ook gevoelens van zelfvernedering die tot nog toe onbewust waren – en zelfvernedering kun je misschien wel de bron van overdracht noemen.

Zo’n totale relatie van leerling met leermeester wordt wel een ‘hartsconnectie’ genoemd. Het ‘hart’ is een term voor eenvoud. In het hart is er direct voelen, een open ruimte voor devotie en compassie, en een vuur waarin alle kleine ego-benauwenissen verbrand kunnen worden. In de hartsconnectie worden leraar en leerling niet gestoord of beperkt door het conceptuele denken. De leerling kan vanuit zijn hartstocht voor waarheid en vertrouwen in de leraar een ware, strijdloze onafhankelijkheid ontdekken, een volwassen soort losheid van de persoon van de leraar, waardoor overdracht steeds minder geloofwaardig wordt. Doordat de innerlijke conclusies vanuit overdracht meer en meer herkend worden als onwaar, komt elk woord van de leraar direct binnen in het hart, niet gefilterd door afhankelijkheid of wantrouwen. Nisargadatta Maharaj heeft herhaaldelijk over het diepgaande van de relatie met zijn leermeester gesproken. In antwoord op de vraag of hij zijn realisatie te danken heeft aan zijn eigen inspanningen of aan de genade van zijn goeroe, zei hij een keer: “Van hem kwam het onderricht, en van mij het vertrouwen. Door mijn vertrouwen in hem kon ik zijn woorden accepteren als waar, en kon ik ze diep in me laten doordringen en ze leven. Zo kwam ik tot de realisatie van wat ik ben. De persoon en de woorden van de goeroe maakten dat ik hem vertrouwde, en mijn vertrouwen maakte die woorden vruchtbaar. (…) Ik was zo afgestemd op mijn goeroe – ik vertrouwde hem zó volledig en er was zó weinig weerstand in me dat het allemaal gemakkelijk en snel gebeurde.”10
Tegelijkertijd is het zo dat in de hartsconnectie wordt gesproken als Bewustzijn met Bewustzijn, waar geen ongelijkheid kan bestaan. Uiteindelijk is namelijk de Waarachtige Leermeester (Sat-Guru) toch Dat wat in leraar en leerling identiek is, Bewustzijn zelf. De uiterlijke leraar is alleen tijdelijk dienend, en wel om de leerling de Uiteindelijke, ‘innerlijke’ Leraar in al zijn vezels te laten beseffen.11 Hoewel in de loop van de ontmoetingen met de uiterlijke leraar het element van het gelijke-zijn uit het zicht kan raken, is dat al die tijd onverminderd aanwezig. Het werkelijk eigene, dat wil zeggen dat wat nooit verloren raakt, kan eenvoudigweg niet iets zijn dat minder is of lager dan het eigene van de leermeester.
Het werkelijke leren werd zojuist een dans tussen het gelijke en het ongelijke genoemd. Door enerzijds af te stemmen op het gelijke, dat wil zeggen te herkennen dat er maar één Werkelijkheid is, één Werkelijkheid waarin verschillende uitdrukkingswijzen vrij en strijdloos naast elkaar optreden, én anderzijds volmondig te erkennen dat een relatie van tijdelijke ongelijkheid in feite onontbeerlijk is, kan overdracht helemaal doorstraald worden. Het werkelijke leren valt hier samen met genade.

GEWIJZIGDE NOTEN
10. I Am That. Bombay: Chetana, 1973. Editie van 1985, p. 194-195.
11. Nisargadatta benadrukte dit herhaaldelijk. Zie bijv. I Am That, editie van 1985, p. 51, 149, 358, 372-375; en Prior to Consciousness. Durham, NC: Acorn Press, 1985; p. 142-143.

Waaraan je je vasthoudt

Voor het volgen van ‘de verheven levenswijze’, die gericht is op het meest wezenlijke van je bestaan, dat evenwel onzegbaar en ondenkbaar is, geeft Nyingma meester Longchenpa in zijn ‘Juwelenschip’ een aantal voorwaarden. De verbinding tussen leraar en leerling is er een. De leer, datgene waarin de onverwoordbare essentie wordt voorgeleefd, uitgedrukt en ‘bewaard’, is een andere voorwaarde.

Het boeddhisme kent het begrip Dharma. Dharma is een woord dat breed uitwaaiert met betekenissen. Letterlijk betekent Dharma, ‘datgene waaraan wordt vastgehouden’, afgeleid van de Sanskriet wortel ‘dhr’, ‘vasthouden’. Dharma is volgens deze betekenis ‘de Wet’, zoals de Joodse religie deze kent, of ‘leefregels’. Maar Dharma betekent in het boeddhisme ook ‘werkelijkheid’. En ‘ding’ of ‘gebeurtenis’. Naast deze betekenissen is Dharma ook ‘de leer’ of ‘het onderricht’.

De eenheid van Dharma als werkelijkheid en onderricht wordt uitgedrukt in Longchenpa’s hoofdstuk ‘De leer’ uit zijn ‘Juwelenschip’: ‘Uit het totale veld van ervaring manifesteert zich het niet te lokaliseren domein van de onvervalste werkelijkheid, dat van een immense uitgestrektheid is, vrij van elk maaksel, de hoogst ordenende macht van het universum, die de diepe structuur weergeeft van dat wat is. In dit domein, een immens paleis opgebouwd uit licht, communiceert hij door een onverwoestbaar kennend responderen op te wekken uit het altijd frisse gewaarzijn, zijn eigen oorspronkelijke staat en die van de vijf boeddha’s.’

Wie is de ‘hij’ die volgens dit citaat communiceert ‘door een onverwoestbaar kennend responderen op te wekken’?

‘Luister’, roept Longchenpa telkenmale in zijn tekst. ‘Luister’, en daar staat deze hij in zijn volle glorie voor je. Hij, die nergens vandaan komt en nergens heen gaat, die ongeboren is, geen begin kent en geen einde en die altijd wakker aanwezig is. Hij is het die nu deze woorden leest. Hij communiceert in een lange reeks van incarnaties, Boeddha’s, Patriarchen, Rinpoche’s, Leraren, waarin hij zich volledig manifesteert en waarvan die manifestaties ook worden herkend en erkend door voorgaande generaties incarnaties van dit ‘immens paleis opgebouwd uit licht’.

Dat de incarnatie die hier en nu communiceert in een lange rij staat van andere incarnaties is niet onbelangrijk. Het toont dat de Dharma niet pas gisteren wordt herkend, voorgeleefd en uitgedrukt. De Dharma wordt ‘bewaard’ in een lange rij van volstrekt unieke individuen, die allemaal anders en allemaal dezelfde zijn. Dit geeft de aspirant iets waaraan hij zich kan vasthouden in zijn eenzame zoektocht door dit grondeloze domein van het onzegbare.

De Dharma is niet om aan ‘de grote klok te hangen’, schrijft Longchenpa. De Dharma is er om te zien, horen en ontvangen in kleine groepen gelijkgestemden. Sacrale groepen, die buiten de orde van de instrumentaliteit, een taal bezigen die men eigenlijk alleen in gekkenhuizen hoort. De Dharma is er om te ‘bewaren’, in de dubbele betekenis van dit woord: uit te drukken en voor te leven, maar ook te behoeden en door te geven.