…voor inspiratie, levenswijsheid en bezinning

Archive for the ‘Artikel’ Category

Profeetschap – nog een voorpublicatie van een deel van ‘Sta op en ga’

DE PROFEET EN DE TIRANNIE VAN HET ‘IK’

Ik vind het profeetschap zoiets bijzonders, juist omdat het niet iets bijzonders is uit een ver verleden, uit het land Israël, waar wij nu nog alleen maar over kunnen lezen. Als het alleen maar iets was uit een ver verleden, zou het een curiosum zijn en een studieobject voor de godsdiensthistorici. Ik vind het profeetschap net zo min verouderd als ik God verouderd vind. Het is een algemeen menselijke functie, die ten dienste staat van de Eeuwige. Deze functie is van alle tijden en aan geen cultuur voorbehouden.

Zodra de machtstructuur, welke dan ook, de directe beleving enige tijd heeft verdrongen en onderdrukt, is er altijd en overal een profeet die naar voren treedt en de waarheid spreekt. Eigenlijk zijn wij allemaal profeten in de dop, lastposten, die wat wij waarnemen meten met wat wij ten diepste weten. Wij doen dat ten aanzien van onze omgeving en ten aanzien van onszelf, want de tirannie waaraan wij uiteindelijk het meeste lijden is de tirannie van het ‘ik’.

De profeet is de gewetensfunctie van de samenleving en het menselijk geweten is de profetische functie van het individu. Het individu is vaak net zo onrijp en star en ijdel als de tirannen die over grote groepen mensen heersen. Veel individuen gaan met zichzelf om zoals een dictator met zijn onderdanen. Dat valt niet zo op, omdat de gevolgen ervan minder opzienbarend zijn. Je ziet bij het tv-nieuws niet een reportage over mevrouw X uit Delfzijl, die vandaag weer zeven goede ideeën om zeep heeft geholpen omdat zij toch liever de dingen wilde houden zoals ze waren en die zich bovendien de hele dag liep te martelen met vernederende herinneringen. Al die mensen die zichzelf in de gevangenis zetten, die niet doen wat zij eens wisten dat juist was, die hun nalatigheden goedpraten en als het moet scherp verdedigen en die daarin ook nog eens voor honderd procent bevestigd willen worden door hun omgeving. Want anders… En al die mensen die zwaarmoedig en bezorgd neerzitten omdat het dak weleens zou kunnen instorten, stil, niet bewegen, niemand bewegen! Want anders… En zo zijn er vele vormen van verknipte tirannen. Bijna iedereen die ‘ik’ zegt is bij tijd en wijle wel zo’n tiran, die zichzelf het centrum van het universum waant en niet meer weet dat hij leeft bij de gratie van de Ene.

Dromen en profetie

Vuur is een 60e deel van Gehinnom (de hel);

honing is een 60e deel van manna;

shabat is een 60e deel van de Komende Wereld,

slaap is een 60e deel van de dood;

een droom is een 60e deel van profetie.

bBerachot 57b

Aan al deze ontspoorde koninkjes zendt de Eeuwige profeten. En omdat het huis- tuin- en keukentirannen zijn, zendt hij hen ook huis- tuin- en keukenprofeten; hij zendt hen dromen – de laagste vorm van profetie.[i] Dromen, zegt de Talmoed, zijn een 60e deel van profetie. Een 60e is een miniem deel. Het is zo’n klein deel dat het volgens de joodse spijswetten datgene waar het in terecht komt niet zodanig aantast dat het geheel moet worden weggegooid. Het is een verwaarloosbaar deel, waarin toch nog een afglans van het oorspronkelijke te vinden is. Dromen zijn dus volgens de Talmoed profetie en toch ook weer niet. Een enkele keer zijn ze rechtstreekse profetie, heel vaak heb je een middelaar nodig om de boodschap in de droesem te ontdekken en soms ook zijn ze alleen maar droesem.

Het is daarbij interessant te bedenken op welk moment dromen zich aandienen. Dat is namelijk op het moment dat het ‘ik’ zich ontspant en niet meer op zijn qui-vive is. De dromen komen als een dief in de nacht en stelen het geliefde zelfbeeld van de dromer. Ze laten hem iets anders zien dan hij gewend is. Ze tonen hem een wereld waarin hij niet de macht heeft, een wereld die verschillend is en toch lijkt op de zijne. De dromen rammelen aan de zekerheden van het ‘ik’, ze ondergraven het. Wanneer ze heel ver gaan in het ondergraven, noemen we hen nachtmerries. Ook als ze geen nachtmerries worden, blijven ze komen met hun boodschap. Ze brengen de eigenzinnige levensinstelling aan het licht en laten beeldend zien wat daarvan de consequenties zijn.

Dromen zijn net als de profeten dynamisch en gericht op ommekeer. De ommekeer waarbij het ‘ik’ zijn angstige bezorgdheid opgeeft en zich weer toevertrouwt. Of waarbij het ‘ik’ inziet hoe lichtzinnig het bezig is en erkent dat al die zogenaamde vreugde niets anders is dan een opgevrolijkte vlucht. Dat en nog veel meer laten de dromen zien aan de kleine koningen die zichzelf in stand willen houden. Soms willen ze het weten, meestal echter schoppen ze de profeten er zo snel mogelijk uit. Dat heet bij dromen vergeten. Maar ook deze kleine profeten komen terug.

Er zijn veel voorbeelden van profetische dromen. De Bijbel staat er vol mee, maar ook in onze tijd hebben gewone stervelingen duidelijk profetische dromen. Een voorbeeld van zo’n profetie is de indrukwekkende droom die mij veertig jaar geleden werd verteld en die mij tot aan de dag van vandaag helder voor de geest staat. De dromer was een man van een jaar of vijfenveertig, die zich grote zorgen maakte omdat hij diep ongelukkig was in zijn werk, maar niet met zijn werk durfde te stoppen, omdat hij zijn gezin, zoals hij het formuleerde, ‘niet tot de bedelstaf wilde brengen’. Het was een kwellend conflict; hij wist dat het onmogelijk was om door te gaan met dit werk, maar het leek even onmogelijk om ermee te stoppen. Hij sliep bijna niet meer en speelde met de gedachte aan zelfmoord – dat leek de enige oplossing. Niemand kon hem in zijn wanhoop bereiken. Hij hoorde wat er tegen hem werd gezegd, maar het bleven woorden. Toen viel hij op een nacht tenslotte in slaap en droomde. In zijn droom zat hij, zoals hij dat de laatste tijd gewoon was, voorovergebogen op een stoel in de huiskamer te piekeren. Opeens viel er een muur weg, hij stortte niet in, nee, hij loste gewoon op, en waar de muur was geweest, was nu de blauwe oneindigheid. Zo ging het met alle muren rondom. Overal om hem heen en boven hem was oneindigheid. Hij werd bang van die enorme ruimte. Nergens was een grens of iets anders waarop hij zich kon richten. Hij keek omlaag hoe het daar was, en toen zag hij dat hij zat in een grote hand, een warme, ademende, beschermende hand: de hand van God. Deze hand droeg hem door de oneindigheid en zou hem, wist hij, nooit verlaten. Ontroerd werd hij wakker. Alle zorgen waren weggevallen.

Deze droom was een keerpunt in zijn leven. Hij nam ontslag en vond binnen korte tijd werk dat wel bij hem paste. ‘Maar’, zo zei hij, ‘dat was niet de essentie van de droom’. De droom beloofde hem niet nieuw werk, de boodschap was veel fundamenteler. De droom liet hem zien hoe kortzichtig hij was en hoe hij daarmee zowel het avontuur als de oneindige liefde weerstond. Hij had als het ware de onmetelijke ruimte beschilderd met de muren van zijn huiskamer en vervolgens gedaan alsof dat de enige werkelijkheid was en alsof het zijn taak was om die muren in stand te houden. Nu had hij ervaren dat het niet om de muren van zijn oude bestaan ging, maar om het aandurven van de vrijheid en het vertrouwen op de hand. Ja, de hand van God. Hij had schamper moeten lachen als mensen zeiden dat alles in de hand van God was, maar dit waren geen woorden, dit was geen lesje, dit was ervaarbare werkelijkheid.

Toen hij wakker werd uit zijn droom, ontwaakte hij tegelijkertijd uit de nachtmerrie van de afgelopen maanden. Hij ervoer de droom als een profetie, een dynamische profetie, die openheid bracht waar alles gesloten leek. Een profetie ook die om een antwoord van hem vroeg. Pas door het antwoord dat hij gaf werd de profetie geheel vervuld.

Hij had de mogelijkheid om de droom links te laten liggen en te zeggen: ‘Ach wat, dromen zijn bedrog! Wat heb ik aan die onzin!’ Dat deed hij niet. Hij vertrouwde zich toe aan de droom en stopte met zijn werk. In Bijbelse termen: hij ervoer God en kwam tot ommekeer. Net zoals de mensen van Nineve tot ommekeer kwamen.

[i] Inner Space. Rabbi Aryeh Kaplan, p. 219: …profetie kan plaatsvinden via een profetische droom of een visioen tijdens de waaktoestand. Een visioen dat verkregen wordt terwijl de profeet wakker is, is een hogere graad van profetie. (…) Evenzo is het horen van woorden weer van een hoger niveau dan het zien van een visioen. Het zien van de spreker is weer van een hoger niveau dan het horen van woorden. Een engel horen spreken is vervolgens hoger dan het ontvangen van een boodschap via een menselijke figuur. Het hoogste niveau van profetie is het horen van een stem en weten dat deze rechtstreeks van God komt.

Jona(s) komt uit de walvis

Jona(s) komt uit de wallevis: ressentiment in het Oude Testament

In het oudtestamentische verhaal over Jona die in de walvis belandde wordt geweld tegenover barmhartigheid geplaatst: Jona eist de vernietiging van Ninivé terwijl de Heer de inwoners wil sparen. De leraar en schrijver Hans Korteweg gaf in de zendo een lezing over de vraag: De Bijbel als mystiek of literatuur?

Door André van der Braak

In de lezingencyclus over mystiek in verschillende religies was het op zondag 22 oktober de eer aan Hans Korteweg om het spits af te bijten. Zijn onderwerp was al meteen een pittige uitdaging: mystiek in het jodendom, dat immers bekend staat als een religie van het woord. En is Zen niet, zoals Bodhidharma al zei, ‘een transmissie buiten woorden en geschriften om?’

Korteweg begon daarom zijn lezing verstandigerwijs met een rustige uiteenzetting over
het belang van het woord. Woorden zijn niet alleen maar ter mededeling van informatie, het woord kan ons raken, en een inwijdingsproces in ons hart op gang brengen. Een verhaal, een tekst, heeft vele verschillende lagen.

In de Joodse bijbelinterpretatie worden vier niveaus van de tekst onderscheiden:
Pesjat: de direkte betekenis. Bijvoorbeeld, waar ligt Ninivé?
Remez: de manier waarop de tekst is opgenomen in een weefsel van andere teksten. Jonas in de walvis doet denken aan Noach in de ark
Derasj: exegese. Een morele of psychologische boodschap ontleend aan de tekst. Een allegorische uitleg waar je bijvoorbeeld een stichtelijke preek over kunt houden.
Sod: de mystieke, nonduale uitleg van de tekst. Als voorbeeld gaf Korteweg de psalmtekst: “De vrees voor de Eeuwige is het begin van wijsheid”. Deze vrees is iets heel anders dan angst. Angst heeft altijd een object, en is de angst van het ik: bang zijn om iets te verliezen. Maar de vrees die De Eeuwige oproept (in zentermen, het Absolute) heeft meer te maken met respect, eerbied en ontzag. We worden geconfronteerd met iets dat ons ‘ik’ verre overstijgt, en waar we niets mee of tegen kunnen doen.

De vier beginletters van de soorten bijbelinterpretatie vormen samen het woord Pardes: het paradijs, de tuin van Eden. Vervolgens nam Hans Korteweg ons mee dat paradijs in. Hij liet zien dat het bijbelse verhaal over de ongehoorzame profeet Jona, dat de meesten van ons wel kennen uit onze jeugd (‘Jonas in de wallevis, die vannacht gevangen is’), niet onderdoet voor de gemiddelde zenkoan. Een diep raadselachtig verhaal. Mocht iemand nog vragen hebben wat Niko bedoelt met zijn eindeloos herhaald pleidooi voor mystagogie: hier zagen we een volleerd mystagoog aan het werk die ons stap voor stap binnenleidde in het labyrint van ons eigen hart.

Het verhaal lijkt zo eenvoudig. Jona krijgt van de Heer opdracht om de inwoners van Ninivé te vertellen dat hun stad, vanwege hun immorele levenswandel, zal worden vernietigd. Geen populaire boodschap, en Jona weigert op zo’n zelfmoordmissie te gaan. Vervolgens valt hij in het water en wordt opgeslokt door een walvis. Daar begint hij te bidden, en uiteindelijk komt hij tot de slotsom: God alleen is mijn redding. Onmiddellijk wordt hij door de walvis uitgespogen, en nu krijgt hij opnieuw dezelfde opdracht. Jona spoedt zich nu onvervaard naar Ninivé, als een heldhaftiger dienaar Gods.

Tot zover is alles duidelijk. Jona ging eerst zijn verantwoordelijkheid uit de weg, kwam in een crisis, moest zijn demonen overwinnen, kwam tot inkeer, en werd tot held. Hier had het verhaal kunnen eindigen. Maar het gaat verder. Jona geeft de mensen in Ninivé er eens goed van langs, en gaat vervolgens buiten de stad op een heuvel zitten om het naderende Armageddon eens goed te kunnen aanschouwen. De Heer heeft zelfs een boompje naast hem uit de grond laten opschieten, zodat hij koelte kan vinden onder het gebladerte. Maar de vernietiging van Ninivé blijft tot zijn grote frustratie uit. Blijkt dat de inwoners de tirades van Jona warempel serieus hebben genomen en hun levenswandel hebben gebeterd. De Heer spaart hen.

Nu wordt Jona pas echt giftig. Gaat hij na een diepe innerlijke strijd eindelijk voor zijn grote opdracht, als dienstbetoon aan de Heer, blijkt diezelfde Heer een watje te zijn. Verontwaardigd doet hij zijn beklag bij zijn goddelijke opdrachtgever. ‘Dit is nu precies waarom ik eerst niet wilde gehoorzamen’, zegt hij, ‘ik dacht al dat u toch niet de guts zou hebben om er echt mee door te gaan. U met uw verdomde barmhartigheid ook’. Als antwoord laat de Heer Jona’s boompje verdorren, zodat de bladeren hem geen schaduw meer geven. ‘Hoe vind je dat?’ vraagt hij Jona. Die is not amused. En nu komt de Heer met zijn punchline. ‘Als jij je al zo druk maakt over zo’n lullig boompje, mag ik me dan alsjeblieft ook bekommeren om die stad Ninivé waar zoveel arme mensen wonen die niet eens het verschil kennen tussen hun linker- en rechterhand.’

Met deze uitspraak eindigt het bijbelboek Jona. We krijgen niets te horen over hoe het nu verder ging met Jona, of hij tot inzicht kwam (of dat de Heer misschien toch inzag dat hij ongelijk had). We blijven hangen in de totale verwarring (net als in veel dialogen met Socrates).

Natuurlijk kunnen we uit dit einde een stichtelijke les halen: geweld lost niets op, na berouw komt vergeving, we moeten compassie hebben. Maar dat is te makkelijk. In ware Niko-stijl besloot Hans Korteweg zijn lezing met de verzuchting dat hij na veertig jaar studie nog steeds niets van het bijbelboek Jona begrijpt.

Bodhidharma’s ‘Ik weet niet’

Van de Indiase patriarch Bodhidharma, de achtentwintigste generatie leraren op rij na Shakyamuni de Boeddha, wordt gezegd dat hij zen van India naar China bracht. Er wordt ook over hem verteld, dat hij negen jaar lang met zijn gezicht naar de muur van het Shaolin klooster te Loyang in meditatie heeft gezeten. Zo’n spirituele zwaargewicht wilde de keizer van China graag ontmoeten. Uit het hilarische gesprek dat dan plaatsvindt, doet de eerste casus van de Piyen lu (De optekeningen van de Blauwe Rots) verslag.

‘Keizer Wu van de Liang-dynastie vroeg aan de grote meester Bodhidharma: ‘Hoe is de heilige, absolute waarheid?’
Bodhidharma antwoordde: ‘Weidse leegte en niets heiligs!’
De Keizer vroeg: ‘Maar wie is het dan die hier voor me staat?’
Bodhidharma antwoordde: ‘Ik weet niet.’
De Keizer kon niet met hem instemmen. Bodhidharma stak vervolgens de Yangtze over en ging naar Wei. Later bracht de Keizer het ter sprake en ondervroeg de Chinese monnik Meester Chih. Meester Chih sprak: ‘Weet Uwe Majesteit wie deze man is?’
De Keizer antwoordde: ‘Ik weet niet.’
Meester Chih sprak: ‘Het is het grote wezen Kwan-yin dat het geesteszegel van de Boeddha overlevert.’
De Keizer had berouw en zond daarop een bode naar Bodhidharma om hem ertoe te bewegen terug te keren. Meester Chih sprak: ‘Laat Uwe Majesteit het aan niemand zeggen, dat Zij een bode heeft gestuurd om hem te halen. Al zou het hele land hem gaan halen, hij zou toch niet terugkeren!”

Aan dit gesprek gaat in een andere versie van het verhaal nog een vraag van de keizer vooraf. Hij had kosten noch moeite gespaard om het boeddhisme in China te promoten en vroeg de heilige Bodhidharma wat hem dit zou opleveren. Bodhidharma antwoordde: ‘Geen enkele verdienste.’ De keizer dacht: ‘Als al mijn inspanningen en mijn vrijgevigheid me helemaal niets opleveren, waar gaat dat boeddhisme dan eigenlijk over?’ Bodhidharma sprak: ‘Weidse leegte en niets heiligs.’ Dit was een slag in het gezicht van Zijne Hoogheid, een belediging van de wereldse macht. Toch gaf Bodhidharma een volstrekt eerlijk antwoord. In al die jaren van uitputtend zelfonderzoek heeft hij geen begin en geen einde kunnen vinden van zijn aanwezigheid. Waar begint je aanwezigheid? Waar eindigt ze? Is er ook maar iets dat is uitgesloten van jouw aanwezigheid in dit moment? En kun je bepalen wanneer je aanwezigheid begint? Of wanneer ze eindigt? Weidse leegte, niets heiligs.

Keizer Wu’s ‘Ik weet niet’ is een andere onwetendheid dan die van Bodhidharma. Keizer Wu’s onwetendheid is een gebrek aan informatie. Bodhdharma’s onwetendheid is een onmiddellijke en intieme ervaring van zijn leven zoals het is. Maar wat zegt de grote verlichte heilige Kwan-yin, de bodhisattva van compassie, die het geesteszegel van de Boeddha overlevert? Meent hij nu werkelijk dat hij na tientallen jaren van meditatie en onderzoek niet weet wie hij is? Wat een aanfluiting! Wie denkt hij wel dat hij is?

Dat weet de grote meester Bodhidharma dus niet. Hij heeft geen idee. Hij kan niet bepalen wie of wat hij is. Is dit nu de Grote Verlichting van het boeddhisme? Is die Verlichting dan een volstrekte duisternis? Wie kan zeggen dat hij een leven leidt, onnozel en dom, in blind vertrouwen, met niets om op terug te vallen en niets om je aan vast te houden, weerloos en meedogenloos open? Wie heeft het vertrouwen om zo’n leven daadwerkelijk te leiden? En wie heeft het lef om daarvoor te gaan staan?

Een oplaad-boodschap voor alle moeders

Sinds begin dit jaar zorg ik alleen voor mijn vier kinderen en ik krijg dus een intense les in (de betekenis van) moederschap. Maria – de moeder der moeders – gaf mij vandaag deze guidance. Een oplaad-boodschap via mij als moeder voor alle moeders:

‘Moeder van leven, jij geeft het leven door, maar jij bent het leven niet. Daarom kun jij wel voeden met je liefde, maar niet met je leven. Bewaar je leven voor jezelf en groei, ook als je moeder bent.

Moederschap in zichzelf vraagt om een onvoorwaardelijk geven. Maar het vraagt niet dat je jezelf opoffert. Blijf lachen en genieten. Herinner je het kind dat je zelf ook bent. Ga op in het spel van het leven.

Energie is in principe onbeperkt voorradig. Het is de kunst om je dat te herinneren op de momenten dat je vol en verzadigd bent. Zo word je ook van binnenuit gevoed op de momenten dat je in de illusie verkeert dat ‘het’ op is.

Rust in jezelf zorgt voor rust in de familie. Een moeder die door het leven wordt gevoed, kan haar kinderen voeden. Moederschap vraagt daarom om de zuiverste afstemming. Hoe meer je gedachten in lijn zijn met je hoogste goed, hoe meer je gezin gedijt, hoe moeitelozer het moederschap zichzelf voltrekt.

Het gevoel dat je leven voorbij is, als je moeder wordt is een heel diepe inprenting. Er lijkt in jullie wereld geen plaats te zijn voor de kinderen. Ze worden in jullie leven geperst en jullie worden geacht door te gaan met wat jullie al deden voordat jullie kinderen kregen. Zo te leven kan uiteindelijk niet voor harmonie zorgen.

Daarom is de ommekeer die moederschap brengt niet slecht. Het zorgt in je persoonlijke leven voor een verandering die noodzakelijkerwijs ook in de grote wereld plaats zal vinden. Het werk dat jij nu in het klein verricht zal vrucht dragen in de wereld. Hoe meer jullie, moeders, je moederschap eren, hoe meer plek ervoor zal zijn op deze aarde, hoe voller en rijker jullie kinderen tot bloei zullen komen en daarmee jullie zelf. Immers, de kinderen zijn het begin van het leven waar jullie allen deel van uitmaken. Moederschap gaat niet ten koste van de vrouw, het voedt en leidt de vrouw op de goddelijke weg van overgave, onschuld en vertrouwen. Daarom, moeder, weet dat je krachten niet verloren zijn, maar de juiste richting volgen: van jou naar je kind de wereld in en weer terug naar jou.’

Over bakboord

Hij had, als ik het zo mag noemen, een ruig leven geleid. In zijn jonge jaren had hij op de grote vaart gezeten. De beroepen die hij daarna had gehad wuifde hij met zijn hand weg. “Veel te veel om op te noemen” zei hij met een grijns. Hobby’s? “ De wijfies” was zijn antwoord en hij begon mij op zijn gemak van top tot teen te bekijken. Dat was niet leuk of zo maar ik vond het ook niet erg. Het was eerder pijnlijk. Hij zag er onverzorgd uit, rook niet aangenaam en de stomp van zijn geamputeerde been stak ongelukkig omhoog. Het ‘ruige leven’ had duidelijk z’n sporen nagelaten.
Er kwamen veel mensen op bezoek die tot het eind toe trouw zijn blijven komen. Onder andere zijn eerste vrouw met haar man. Zijn tweede vrouw was een paar maanden geleden overleden. Ze hadden allemaal kinderen die, net als de ouders, vriendschappelijk met elkaar om leken te gaan. Ze lachten als ik probeerde er achter te komen wie, wie was. “Niet aan beginnen” zeiden ze “het is allemaal één pot nat en we houden allemaal van elkaar. Nu ik er over schrijf bedenk ik dat er, bedekt met joligheid, een verwarring leek te zijn over de onderlinge verhoudingen. De scheiding van de ouders leek pijnlijk zichtbaar tussen zijn twee dochters. Toen hij ging scheiden was één dochter bij hem gebleven en de andere was bij haar moeder gaan wonen. De twee zussen hadden al jaren geen contact meer en leken erg nerveus elkaar hier onverwachts te ontmoeten. Het was een schril contrast, al die jonge mensen die daar als kinderen bij hem op bezoek kwamen en lol maakten, terwijl zijn eigen dochter, die haar vader al lang niet meer gezien had, onwennig en gespannen bij hem zat. Toch lukte het haar om via humor een sfeer te creëren die hun allebei weer wat bij hun ‘vertrouwde omgangsvorm’ bracht. Hij begon ervan te glunderen.
De dochter die bij hém was gaan wonen was alleenstaande moeder van een dochtertje. Dat kleine meisje had jaren bij hem en zijn tweede vrouw gewoond. In de weekenden was ze wel vaak bij haar moeder geweest. Hij had dus duidelijk ook nog andere dingen gedaan dan alleen maar ‘ruig leven’, maar ook in die verhoudingen leek verwarring te zijn. Zijn kleindochter was een prachtig meisje van ongeveer 10 jaar. Ze was dol op opa. Ze had nog maar net ‘oma’ verloren en nu bracht ze opa naar het hospice. Daar kwam nog bij dat ze met haar vader op vakantie moest, naar Frankrijk. Daar had ze wel veel zin in… maar opa… ”Nou opa” zei ze “als ik terug kom zal je as wel naast oma op de schoorsteen staan”. De laatste dag toen ze afscheid moest nemen zag ik dat ze steeds nog even terug kwam. Nog één keer ‘n kusje, en nog één, en nog één.
Toen ze weg was leek het of hij het niet meer op kon brengen om zich groot te houden. Hij liet niet alleen de moed zakken maar raakte ook in de war. Hij had veel fantoompijn aan zijn stomp. Die wreven we vaak met geranium olie wat hij prettig vond. Zijn grote ‘familie’ had het moeilijk. Zo hadden ze hem nog nooit gezien. Zelfs niet toen zijn been geamputeerd was. Hij was een doorzetter en had na een periode van hard oefenen alles weer gekund wat een mens met twee benen ook kan. Hij wilde euthanasie, dat kon zijn dochter ook goed snappen maar het kwam er niet van. Hij was veel te verward om daar duidelijk over te kunnen zijn.
Hij wilde niet gewassen en geschoren worden. Af en toe lag er een grote plas op de grond. Water? Appelsap? Ik zag nergens omgevallen glas. Het stonk ook op die kamer. Urine? Maar ik zag ook geen omgevallen urinaal. Tot ik een keer naast hem stond en zag hoe hij zijn leuter uit zijn broek viste en zo door de hekken van het bed heen, op de vloer piste. Sorry dat ik het zó zeg maar met die brutaliteit deed hij dat. Ik moest springen om mijn schoenen droog te houden. Hij deed dat vaker en was er niet toe te bewegen een urinaal te gebruiken. Ik bedacht dat hij liggend op een luchtwissel matras misschien dacht dat hij nog aan het varen was. Hij plaste altijd over bakboord dat was nog een geluk voor het behang. Zo af en toe hesen we hem in een bad. In die tussentijd werd de vloer schoongemaakt met een sanitair reiniger terwijl het raam wijd open stond.
Toen het meisje blakend en bruin terug kwam van vakantie leefde hij nog. De ‘familie’ bleef in grote getale komen en maakte nog steeds veel lawaai. Hij leek daar niet veel hinder van te hebben.’Over bakboord’ was niet meer aan de orde omdat hij nu incontinentie materiaal droeg. Net als dit verhaal ging hij als een nachtkaars uit.

 

Je bent niet alleen

Ik kijk je in de ogen en ik zie je verdriet. Ik zie het en ik herken het, want het is ook mijn verdriet. Ook al voelt het soms alsof je er helemaal alleen voor staat, het is niet waar. Die ervaring van alleen zijn, is van ons allemaal. Verdriet kennen we allemaal. Er is geen onderscheid, het is één gevoel dat hoort bij menszijn. Eén gevoel tussen vele gevoelens die komen en gaan.

Het verdriet moet niet weg. Door het weg te duwen en te ontkennen zal het alleen maar sterker en machtiger worden. Als je dat-wat-onaangenaam-aanvoelt accepteert en je er niet meer tegen verzet, dan komt er ruimte. In die ruimte kan het verdriet stromen. Het kan opkomen en weer verdwijnen. Het heeft niet meer het laatste woord. Je laat het helemaal toe, je voelt het, je ervaart het en je blijft er tegelijkertijd met je aandacht bij. Die zachte kracht van aandacht is groter dan het verdriet. Het is groter dan welk gevoel dan ook.

Richt je tot de aanwezige, tot de stille, tot het centrum van aandacht, tot het midden van de uitersten. Daar waar de tegengestelden samenkomen – donker en licht, pijn en vreugde, koude en hitte, vrouw en man, leven en dood – precies in dat midden, daar ben jij.

De tijdloze, vormloze jij is gewaar dat hij in dit bestaan gebonden is aan tijd en vorm. Natuurlijk word je beroerd door de dingen die gebeuren van buiten en van binnen. Maar in plaats van eraan onderhevig te zijn, in plaats van je leven te laten bepalen door de dingen die gebeuren, kun je er ook vrij van zijn.

Leven in vrijheid betekent niet dat er zich geen pijn en ongemak meer voordoen, het betekent dat je je eigen unieke antwoord geeft op wat er gebeurt. Je accepteert het, je geeft het de ruimte en je doet wat er gedaan moet worden. Je wendt je toe en geeft vervolgens gehoor. Zo word je van iemand die geteisterd wordt door het leven tot iemand die de wereld verrijkt. Als je wordt opgeslokt door je emoties, kan het lijken alsof je eigenheid je in de weg staat, alsof je geïsoleerd bent van de andere mensen. Maar als je je eigenheid – dat wat je bent – inzet, dan verbind je je juist met de wereld om je heen. Immers: je biedt jezelf aan het leven aan. Jouw unieke antwoord op ‘het leven met alle gradaties van ervaringen en emoties’ is het geschenk dat je aan de wereld komt brengen.

Nanquans kat

Waarschijnlijk de meest besproken koan van de negen kwesties die we in de serie ‘Je dagelijkse leven als koan’ presenteren is Nanquans kat, casus 14 uit de Wumenkuan, ‘De poortloze poort’, een andere standaard collectie koan die veel in de zen training wordt gebruikt. Er is zelfs een popsong over gemaakt door de band The Van Pelt, getiteld ‘Nanzen kills a Cat’. Naast de meest besproken kwestie, is ze ook de meest controversiële. Meester Nanquan overtreedt als boeddhistisch priester immers zowel het eerste boeddhistische voornemen om niet te doden, als de algemeen geldende boeddhistische leefregel van ahimsa, ‘niet kwetsen’. Wat gebeurt er?

‘De monniken van de Oostelijke en de Westelijke vleugel maakten ruzie om een kat. Nanquan pakte hem op en sprak tot zijn monniken: ‘Spreek het juiste woord en jullie redden de kat. Maar als je niet het juiste woord spreekt, dan wordt de kat in tweeën gesneden.’ De monniken zwegen. Nanquan sneed de kat in tweeën. Later keerde Zhaozhou terug van een reis en hoorde van Nanquan wat er was gebeurd. Daarop trok Zhaozhou zijn sandalen uit, plaatste ze op zijn hoofd en vertrok. Nanquan riep: ‘Als jij hier was geweest, zou de kat zijn gered!”

‘De monniken van de Oostelijke en de Westelijke vleugel maakten ruzie om een kat.’ Waar deze ruzie over ging vertelt het verhaal niet. Wat we met zekerheid kunnen stellen, is dat ze te maken had met oordelen, vooroordelen, voorkeur en afkeur, in een woord met onderscheid makend denken. Nanquans kat is een kwestie over je kluisteren aan je gedachten, jezelf ingraven in je perspectief, je verschansen achter je standpunten. Nanquans kat gaat over het vastzitten in ons hoofd. En op een fundamenteler niveau over dualisme, de reflectie die ons bewustzijn maakt als we een kat zien, horen of voelen, en die ons voorspiegelt ‘Ik zie een kat’ en dit voor waar houdt. We geloven dan werkelijk dat de kat is gescheiden van mijn leven en dat ik er een relatie mee kan aangaan, een bezitsrelatie. Als we vastzitten in ons hoofd, doden we de kat. De levende kat is dan gestold in een object waar ik iets mee kan en waar ik iets van vind.

Nanquan tracht ons te bevrijden uit de verstikkende draden van onze cerebrale flos. Dit doet hij op een ongebruikelijke wijze. Om ons uit onze mentale bunker te ontzetten, dient onze conventionele kijk op de wereld te trillen op zijn grondvesten. Nanquan pakt de kat op en zegt: breek uit je dualistische perspectief en je onderscheid makende denken en geef deze kat haar leven terug! Maar de monniken wisten niet hoe ze uit de gevangenis van hun denken moesten ontsnappen. Ze werden geconfronteerd met een geestelijk blanco, hun eigen mentale dorheid. En daarna met een ontzagwekkende stilte, omdat ze met hun eigen ogen zagen, dat het sterven van de kat onlosmakend en intiem met hun leven verbonden was. Wat te doen?

Wat doet Nanquans leerling Zhaozhou? Het plaatsen van een sandaal op het hoofd was in China een teken van rouw. Zhaozhou rouwde over de dood van de kat. Zo zou het kunnen zijn. In ieder geval beantwoordde Zhaozhou aan de situatie die hij tegenkwam buiten het dualistische en onderscheid makende denken om. Hij drukte de situatie zoals hij ze vond onmiddellijk uit in een authentieke en spontane handeling. Daarmee zou het leven van de kat zijn teruggegeven aan de kat. In welke dagelijkse situaties dood jij de kat? En wat zou je doen om het leven van de kat te redden van het dodende denken?