…voor inspiratie, levenswijsheid en bezinning

Posts Tagged ‘Taoïsme’

Over de verhouding leraar-leerling

De verhouding tussen de leraar en de leerling is er allereerst een van vriendschappelijke aard. Ze berust niet op enige vorm van meer-minder of iets dergelijks. Iedere ongelijkheid in de verhouding is ofwel puur functioneel, ofwel een kwestie van overdracht en tegen-overdracht. De verhouding is in essentie vergelijkbaar met die van de trigrammen van het Scheppende en het Ontvangende in de Yi Jing, zoals die tot uitdrukking komt in de rangschikking van de ‘vroegere hemel’. Daarin bezetten ze twee tegengestelde posities, die wel hoog en laag worden genoemd, terwijl ze toch gelijkwaardig zijn aan elkaar als eerste zuivere uitdrukking van de Dao.

In onze gewone alledaagse werkelijkheid zijn leraar en leerling te vergelijken met de trigrammen Water en Vuur in de Yi Jing. Die zijn in hun essentiële kwaliteit volkomen gelijkwaardig, maar ze vertegenwoordigen in hun positionering in de manifeste wereld (zoals die wordt weergegeven in de rangschikking van de ‘latere hemel’) de hoog-laag verhouding van de twee oertrigrammen Hemel en Aarde. In de alchemistische beeldspraak is het de vereniging van Water en Vuur die het elixer tot stand brengt. Die verbeelding geeft ook de uitwisseling tussen leraar en leerling perfect weer.

De essentie van de verhouding tussen leraar en leerling is de ontmoeting in de geestesgesteldheid die in de alchemistische traditie ‘de Geest van Dao’ wordt genoemd. Dus volkomen vrij, volkomen open en wederzijds tot niets verplichtend. Net als bij vriendschap is er sprake van een diepere gemeenschappelijke liefde die de polariteit overbrugt waarin beiden verschillen. Bij leraar en leerling is het de liefde voor waarheid die wordt gedeeld. In de Chinese Innerlijke Alchemie wordt die liefde wel ‘de Ware Intentie’ genoemd. En de waarheid waar het om gaat is de uiteindelijke eenheid van waaruit alles afkomstig is. Toch is het geen gewone vriendschap, want de spil waarom de verhouding draait, aangedreven door de spanning tussen vrij en onvrij, is het niet-weten, van beide kanten.

Leraar en leerling zijn zich beide bewust van de dualiteit tussen vrijheid en gevangenschap. De leraar beziet deze dualiteit vanuit de geest van Dao, de leerling vanuit de menselijke geest, maar daartoe geïnspireerd door de geest van Dao. De verbinding tussen leraar en leerling berust op mededogen: beiden hebben compassie met het lijden dat ontstaat in de afgesloten menselijke geest. De leerling belichaamt dat mededogen door oprechte vragen te stellen vanuit zijn lijden in de menselijke geest, de leraar belichaamt dat door daarop te antwoorden vanuit de geest van Dao. Zo ontstaat verbinding tussen beide geestesgesteldheden, bij beide deelnemers, waarin voor beiden de menselijke geest oplost in de geest van Dao.

De dertiende-eeuwse alchemist Li Daochun vat dit alles in de Zhongheji uiterst bondig als volgt samen:

Maar ook in de menselijke geest is de geest van Dao aanwezig, en ook in de geest van Dao is de menselijke geest aanwezig.

Uiteindelijk bestaat de dualiteit van leraar en leerling dus in ieder van ons zelf. Maar die worden we ons pas bewust in de ontmoeting met een leraar; zo is het mij althans vergaan. In die ontmoeting werd in mij iets gewekt dat ik hier de geest van Dao noem, en zonder hem zou dat waarschijnlijk niet gebeurd zijn. Het verlichten van de eigen onwetendheid is daarom zo onmogelijk, omdat de menselijke geest, afgesloten in onwetendheid, dat beslist niet wil. Wat de menselijke geest wel wil, is een einde aan het lijden. En de zoektocht naar dat einde kán naar een echte leraar voeren, en dan kán de geest van Dao in de leerling worden gewekt. Dat is allemaal genade: er is geen regel, methode of verdienste die dat bewerkstelligt, het is de Dao die dat doet.

In de oprechte uitwisseling tussen leraar en leerling kan daarom geen sprake zijn van ongelijkwaardigheid. Maar ongelijkwaardigheid kan wel gemakkelijk ontstaan, doordat de menselijke geest nu eenmaal van tijd tot tijd de kop op steekt. Als de menselijke geest dan op enige manier de leiding kan nemen, komt er onoprechtheid in het spel en is de gelijkwaardigheid voorbij. Dan zijn de intenties van leerling en leraar niet meer alleen maar -of zelfs helemaal niet meer- gericht op verheldering, maar op continuering van zelfbeelden en daarmee van posities. De verhouding is dan geheel of gedeeltelijk een voortzetting geworden, of een herhaling, van de verhouding tussen ouder en kind.

De achttiende-eeuwse alchemist Liu Yiming gaat daarom uitvoerig in op het idee van ‘de Ware Intentie’. Het is de Ware Intentie die het ontstaan van het elixer mogelijk maakt. Dat lijkt triviaal: om helder te kunnen worden moet je immers helderheid verlangen. Maar hoe listig is de menselijke geest in het vermommen van zijn op wereldse zaken gerichte verlangens, waarbij de ware intentie als dekmantel wordt gebruikt! Dan zijn er motieven in het spel die niets met verlichting of helderheid te maken hebben, zonder dat de leerling zich daarvan duidelijk bewust is. Oplossingen zoeken voor actuele problemen, een goede leerling willen zijn of geborgenheid zoeken in een gemeenschap of bij een autoriteit zijn maar enkele voorbeelden hiervan. De Ware Intentie wordt dan in de verhouding overgenomen door overdracht.

Precies zo geldt dit voor de leraar: ook zijn intentie moet de ware zijn, dat wil zeggen gericht zijn op helderheid bij het in ogenschouw nemen van wat de leerling hem voorlegt. En ook voor hem geldt dat de menselijke geest hem parten kan spelen, bijvoorbeeld in gevoeligheid voor bewondering, dankbaarheid of macht. Waar de leraar zich dat niet ten volle bewust is gaat dit onherroepelijk een rol spelen, waarbij zijn Ware Intentie in de verhouding wordt overgenomen door tegenoverdracht. Van helderheid of bevrijding is dan geen sprake meer, en in plaats daarvan hebben leraar en leerling dan een overeenkomst met elkaar gesloten, zonder zich daarvan bewust te hoeven zijn.
Maar kan een echte leraar dan nog vatbaar zijn voor de verleiding van de menselijke geest? Die zou hij of zij toch definitief overstegen moeten hebben? Zulke leraren zullen er zeker zijn, maar er zijn toch genoeg voorbeelden van leraren die op enigerlei wijze vatbaar bleken voor verduistering. Want “ook in de geest van Dao is de menselijke geest aanwezig“.

En ook hierin zijn leerling en leraar gelijkwaardig: aldoor moeten geest van Dao en menselijke geest onderscheiden worden, opdat de eerste de leiding houdt. Dit uit zich in een ontspannen oplettendheid, waarin dat onderscheidingsvermogen geoefend wordt. Ook een leraar-leerling verhouding waarin ongelijkwaardigheid aanwezig is kan het werk van de leerling doen vorderen. Als maar wordt doorzien dat die ongelijkwaardigheid in die zin illusoir is, dat ze niets te maken heeft met de geest van Dao die tot de geest van Dao spreekt…..
De leerling en de leraar

De wereld, zoals wij die zien,
rust op een schildpad:
afrondende geborgenheid,
om nog onverdraaglijke leegte
van waarheid te verhullen.

Toch verdwalen wij
in zelf-geschapen wereld,
onszelf verliezend en gedoemd
te leven in vaag beseft gemis,
te zoeken zonder vinden.

Alles wordt tenslotte donker,
het gemis onloochenbaar;
ieder dwaallicht schijnt
het licht van thuis,
de Weg echter onvindbaar.

Totdat we onverwacht
de reisgezel ontmoeten
die Leraar blijkt
en ons de weg wijst:
de Weg waarop wij allen staan.

Ik geloof in Tao

In mijn studiegroep had ik de vraag gesteld hoe het stond met het geloof, het toevertrouwen, het werkelijk leven dat de wereld meer is dan de uiterlijke verschijnselen. Velen kennen het waarschijnlijk wel dat we de geestelijke weg als een optie blijven zien, als een mentale mogelijkheid waar we graag mee spelen. Maar kunnen en durven we het ook concreet te maken in ons leven als we eigenlijk wel weten of aanvoelen dat de ‘vaste’ realiteit ook illusie is en dat er een waarheid over onszelf en ons bestaan te ontsluieren valt? Wat gebeurt er als we onszelf bekennen dat we geloven in God (in eenheid, in Allah etc.).
Een jonge, intelligente man, Eelco Tans, vroeg ik om een geloofsbelijdenis te schrijven. Hier volgt zijn antwoord:

Ik geloof in Tao.
Je kunt het ook God noemen, of Allah.
Ik geloof dat God en Tao het zelfde zijn, maar zij zijn niet hetzelfde in mij.

Daarom beken ik mij tot Tao, zodat ik mijn geloofsbelevenis richting geef, en mijn uitingsvormen creatief worden.

Ik geloof dat ik geleid wordt. Geleid worden, of je laten leiden is een actieve houding.

Daarom stem ik mij regelmatig af, zodat ik ervaar dat er leiding is, en zodat ik mij ervan bewust word wanneer ik het Tao verlaat.

Ik geloof dat het Tao alomvattend is. Ik kan het verlaten, maar het verlaat mij nooit. Ik geloof dat elke weg de juiste is. Dat zou je genade kunnen noemen.

Daarom heb ik vertrouwen, juist wanneer ik tegenslagen te verduren krijg. Ik weet dat ik krijg wat ik nodig heb.

Ik geloof dat het leven zin heeft. Niet in de zin van een doel dat bereikt kan worden, maar dat er in het leven schatten liggen. Ik geloof dat elke schat eenvoudig is, en tegelijkertijd oneindig waardevol. Ik geloof dat elke schat geluk brengt, ook die schatten die je niet meteen herkent.

Daarom blijf ik hoopvol, en kijk ik uit naar elke nieuwe dag.

Ik geloof dat het lot bestaat. Ik geloof dat de loop van mijn leven onafwendbaar is, en dat ik vaker dat vind wat gevonden wil worden dan dat wat ik wil vinden.

Daarom geef ik mij over aan mijn levenslot. Ik richt mijn wil op mijn houding in het leven, en niet op het leven zelf.

Ik geloof dat ik vrij ben. Elke keuze kan in vrijheid worden gemaakt. Bij elke bevestiging hoort ook een ontkenning.

Daarom vernieuw ik mijn keuzes regelmatig, zodat ze verankert raken in de herhaling van de bevestiging. Ik twijfel niet.

Ik geloof dat ik beperkt ben. Ik ben gebonden door mijn grenzen, en ik heb mij daartoe te verhouden.

Daarom ga ik niet verder dan ik gaan kan. Ik geef aan waar mijn grenzen liggen en zoek de rust wanneer dat nodig is.

Ik geloof dat het woord vorm geeft aan de gedachte. Elk inzicht wordt pas actief wanneer ze door de toepassing wordt gevormd. Perfectie en waarheid zijn abstracties van de werkelijkheid, ze zijn niet werkelijk.

Daarom blijf ik actief creatief uiting geven aan mijn innerlijke beleving. Ik zoek de schoonheid in de onvolmaaktheid omdat ik weet dat al het andere een illusie is.

De I Tjing en de crisis – de crisis en de cultuur

In januari van het jaar 2000, meteen na de onverwacht voorspoedige afloop van de millenniumcrisis, zag de wereld er veelbelovend uit. Het ging allemaal goed en het zou alleen nog maar beter worden. Maar in 2001 kwam de eerste tegenvaller. De internetbubbel knapte. Daarna volgde de ene tegenslag na de andere. Tien jaar na het veelbelovende begin van de 21ste eeuw is er aan alle kanten verwarring; misschien kunnen we hier zelfs spreken over een verholen paniek. De ene crisis rolt over de ander heen. Er is maar één samenvattende conclusie mogelijk: onze cultuur, onze beschavingsvorm, is in een essentiële en existentiële crisis. En onze beheersinstituten hebben geen antwoord op de steeds groeiende wanorde. Hoe kan dat nu mogelijk zijn? En wat is er aan te doen? De realiteit is dat het antwoord op de ene crisis veelal een verergering geeft van een andere crisis. Zo zou de financiële problematiek zich kunnen oplossen door nieuwe economische ‘vooruitgang’, wat inhoudt dat de productie en consumptie moeten groeien. Maar dit zou als effect hebben dat de klimaatcrisis nog dieper en nog nijpender wordt. Wat goed is in de ene moeilijke situatie, is vaak schadelijk voor een andere prangende toestand.

Niemand schijnt nog een totaaloverzicht te hebben. Door de specialisatiedrift van met name de vorige eeuw heeft een deskundige op een bepaald terrein steeds méér kennis over een steeds kleiner gebied. Van de gespecialiseerde kennis is geen oplossing voor de grote problematiek te verwachten. In alle geledingen van onze maatschappij, of het nu ons bestuur betreft, of het bedrijfsleven, zelfs in de wereld van de wetenschap, overal worden de beslissingen genomen door deskundigen, door de specialisten. En mensen met een algemenere visie, zij die we generalisten noemen, hebben geen posities binnen de gespecialiseerde instituties. Generalisten leveren namelijk geen diréct aanwijsbaar resultaat op. Zij vormen echter wel een kostenpost; en vooral: zij dragen niet bij aan de winst op de korte termijn, noch aan de ‘efficiency’. De discussie gaat altijd over ‘ons belang’, het gaat nooit meer over ‘het geheel’. De westerse cultuur ziet door de bomen het bos niet meer. Wij staan met een mond vol tanden.

Is dat nu wel zo verbazend, deze onverwachte en plotselinge omslag? Eerlijk gezegd, eigenlijk niet. Het is al eerder gebeurd. In de twintiger jaren van de vorige eeuw was er ook een dergelijke hoogconjunctuur; de zogeheten ‘Roaring Twenties’. Dat hoogtepunt kwam onvoorzien aan zijn einde met de beurskrach van 1929. Daarop volgde ‘de Grote Crisis’ van de dertiger jaren. De ontreddering was groot, het menselijk leed dat er mee gepaard ging is niet te beschrijven. Als direct of indirect gevolg daarvan volgde daarop de Tweede Wereldoorlog. Een crisis is dus eigenlijk niet zo’n nieuw verschijnsel. De overeenkomsten tussen wat er toen gebeurde en wat er nu aan de hand is, zijn behoorlijk verontrustend. Maar ja, het enige wat er valt te leren van de geschiedenis, is dat de mens niet leert van de geschiedenis.

De tijd van de Verlichting

Weer dringt de vraag zich op: hoe kan dat nu zo zijn? Eén van de factoren die daar deel in heeft, is ons algemeen gangbare denkmodel. Om daar zicht op te krijgen, moeten wij kijken naar de ontwikkeling van onze cultuur. Vroeger, in de middeleeuwen beheerste de kerk het denken. Sinds de helft van de achttiende eeuw brak er een vernieuwing in dat denken door: de ‘Verlichting’. De grondlegger van deze richting was René Descartes. Hij was een filosoof die het denken zag als bewijs van het bestaan. Zijn credo was: ‘ik denk, dus ik ben’. Het mysterie dat er sowieso leven is, was voor hem niet van het eerste belang. In zijn filosofie wordt de gehele natuur gereduceerd tot een machinaal werkend geheel. Zo hebben dieren bijvoorbeeld geen gevoelens in het denken van Descartes. Dus ook geen werkelijke gewaarwordingen; zij zijn niet meer dan door God geschapen machines, zij zijn niet meer dan automaten. Eigenlijk is het hele universum, met uitzondering van de mens, mechanisch. In die visie is de schepping als een wekker, die door een geniale geest ontworpen en opgewonden is en daarna langzaam maar onontkoombaar afloopt. Deze opvatting werd aanvaard en voortgezet door de hoofdstroom van de Verlichting. En daar waar verklaringen over bepaalde fenomenen niet mogelijk waren werd een hogere sturende macht verondersteld, een ‘Deus ex Machina’. De organische eigenschappen van het leven, en daarmee de flexibiliteit daarvan, worden niet erkend. Dus ook niet gekend.

Buiten de mens wordt de natuur dus als een machinaal werkend fenomeen gezien. Zelfstandige, min of meer autonome eenheden bestaan niet in dit denken. Alles in de natuur, buiten dan de mens, heeft een mechanisch en gedetermineerd bestaan. Hiermee wordt een interactie van iets met zijn omgeving of zijn omstandigheden op organische wijze gereduceerd tot Gods wil, of als het niet anders kan, toeval. De natuur en de onderdelen van de natuur zijn niet in staat tot verandering van zichzelf, noch kunnen zij hun processen aan de omstandigheden aanpassen. Dat staat haaks op het latere darwinisme. Want het darwinisme gaat er van uit dat het aanpassingsvermogen van de soort bepalend is voor de overlevingskansen, the survival of the fittest (de overleving van de best passende). Even zogoed blijft de hoofdrichting van het denken causaal, het gaat alleen over oorzaak en gevolg. Dat gaf de Engelse wetenschapper Joseph Needham aanleiding om te spreken over ‘de kenmerkende schizofrenie van het Europese denken’. Dat deed hij in het tweede deel van zijn monumentale ‘Science and Civilization in China’. In dat boek introduceert hij een alternatieve denkwijze, die hij ‘Organicisme’ noemde. Deze term ontleende hij aan het Chinese denken.

De Chinese denkwereld
Het Chinese denken heeft geen Verlichting meegemaakt. In het binnenkort te verschijnen ‘I Tjing Essenties’ schrijf ik het volgende over het denken van die cultuur:

Er is geen rationalisme van welke soort dan ook, die alle biologische verschijnselen langs mechanische weg zou kunnen verklaren; dus ook geen ‘logische noodzakelijkheid’. In het organische denken van China is geen plaats voor de determinerende denkwijze van de oorzaak-gevolg wetmatigheid. Logische noodzakelijkheid is on-chinees, daar ze in menselijke aangelegenheden niet bestaat. De Chinese traditie wantrouwt definities en heeft een instinctieve weer­zin tegen stelsels en theorieën. De menselijke beleving is meer dan de formulering van wetmatigheden.

Het uitgangspunt van dat denken is, wat we tegenwoordig noemen, holistisch. Holisme is een denkwijze die anders is dan onze gangbare analytische manier van denken. Onze wetenschap analyseert, wij halen iets uit elkaar en door bestudering van de delen verwerven wij meer kennis over het onderzochte onderwerp. Dat levert inderdaad veel kennis op, maar…, er is een maar. Je kunt bijvoorbeeld een dier uit elkaar halen, wat leidt tot meer kennis over de delen van dat dier. Maar we hebben geen enkele kennis verworven wat betreft het meest bijzondere van het dier, namelijk zijn levenskracht.

Het holisme stelt tegenover de analytische benadering een schouwen van het geheel. Dat het geheel meer is dan de delen; namelijk de interactie tussen die delen. Het is juist die interactie die de kwaliteit van dat geheel bepaalt. Holisme denkt in en over samenhangen. En dat is nu juist datgene waarvan we in het begin van dit stuk constateerden dat dit ontbreekt in ons denken. Het is dus de moeite waard om hier op in te gaan. Daarom is een nadere oriëntatie op de Chinese cultuur zinvol.

Aan de basis van het Chinese wereldvisie ligt iets dat de Dao (of Tao) genoemd wordt. Dao is het absolute geheel; er is niets bestaanbaar, zelfs niet denkbaar, buiten Dao. Het is een mysterieus gegeven, dat in principe onkenbaar is voor de mens. Dao genereert twee kosmische krachten, Yang en Yin. Alle verschijningsvormen in het universum hebben hun specifieke Dao en dus ook hun eigen manifestaties van Yang en Yin. Dat brengt met zich mee dat alles in het universum op een bepaalde overeenkomst heeft met het universum. In het holisme is die overeenkomst de ultieme basis van het bestaan en daarmee de essentie van alles. Deze benadering is eigenlijk niet echt nieuw voor ons, we kenden die al als de hermetische regel ‘zo boven, zo beneden’. Die ideeën kwamen sterk naar voren in de tijd van de Renaissance. Maar deze denktrant raakte met het analytisch rationalisme van de Verlichting weer ‘uit de gratie’.

Binnen de denktrant van het traditionele China is dat dus niet gebeurd. Daar is het een vast gegeven dat alles in de wereld op de een of andere manier past in de universele orde. Hoe kun je zo’n model nu zien?

Het beeld van het heelal is dus niet zozeer één van een verzameling materiële melkwegstelsels met sterren, planeten en andere delen. Het is vooral een beeld van samenhangende en energetische eenheden, die binnen een levend patroon bestaan. En dat patroon heeft cyclische eigenschappen. De samenhang gebeurt door middel van resonanties, door energetische uitwisseling. Het patroon kan daardoor zelf-organiserend en zelf-regulerend zijn. Door dat kolossale patroon is het universum een holistische eenheid, een ‘holon’.

De delen van het holistisch universum zijn zelf ook weer holons. Ieder holon is op zichzelf ook weer cyclisch, het kent zijn ‘eigen tijd’. Al naar het stadium van zo’n cyclus regelt het zijn zaken. Je zou ruwweg kunnen stellen: soms is actie mogelijk, het is dan energetisch sterk; dat is Yang. In een andere fase is rust noodzakelijk, het is energetisch zwak; dat is Yin. Nu is het niet mogelijk om dit beeld in kort bestek te voltooien, als dat sowieso al mogelijk zou zijn. Maar wellicht is het u wel mogelijk om op basis van deze weinige gegevens een beeld van dit model te maken. U ziet dan een vibrerend, bijna zoemend universum, met allemaal organische delen die zichzelf en elkaar door trillingen beïnvloeden. Alles bestaat in een soort van vraag- en antwoordspel. En alles gebeurt tegelijk. China hanteert hiervoor een begrip: ‘huntun’, oersoep.

Een mooie vergelijking van een holistisch systeem geeft het functioneren van de mens en diens lichaam. Ook de mens is te beschouwen als een holon. Talloze cycli beheersen het lichaam. De ademhalingscyclus, het hartritme, de spijsverteringscyclus, de craniosacrale cyclus, de hormonale cycli, en wat al niet. Waarschijnlijk zijn er nog meer cycli die we nog niet ontdekt hebben. Al die cycli beïnvloeden elkaar en ze worden geregeld zonder dat wij daar bewust bij stilstaan. De mens en zijn lichaam is een universum in het klein en een wonder op zich. Gaat alles zijn natuurlijke gang, dan voelen wij ons goed; treden er storingen op, dan wordt dat minder en bij grotere verstoring worden we ziek. Daarnaast, hoe sterk iemands geest ook moge zijn, de geest leeft niet afzonderlijk van het lichaam. Maar de geest reageert ook weer op de setting waarin de mens leeft. Het hoe en waarom van het een en ander is vaak een mysterie.

De Chinese geest zegt daarover dat het bepalend is of iemand binnen zijn Dao leeft. Dat is mooi gezegd, maar wat kun je nu met zo’n mededeling? Hoe kun je weten hoe je er voor staat, en nog belangrijker, wat kun je doen? Daarvoor heeft de Chinese traditie een systeem ontwikkeld om te weten hoe in een bepaalde situatie te handelen. Of juist niet te handelen. Dat systeem, dat de mogelijke handelswijzen per situatie ondersteunt, is in oude tijden neergelegd in het Boek der Veranderingen, de I Tjing.

Omdat het Chinese wereldbeeld een holistische strekking heeft is dit boek niet alleen te gebruiken door het individu met twijfels of problemen, alle holistische eenheden kunnen het gebruiken. Dus ook de staat. Nog sterker, het Boek der Veranderingen is oorspronkelijk gemaakt juist om de staat te besturen. De schrijvers van de I Tjing, koning Wen en zijn zoon Dan, maakten in 1050 v. Chr. om de toenmalige tiran af te zetten en de staat daarna beter te besturen. Deze nieuwe dynastie, de Chou-dynastie, geldt in China als de meest voorbeeldige. Het is volgens deze visie dus ook een goed instrument voor crisisbeheersing.

 

De I Tjing, het Boek der Veranderingen

De I Tjing is een orakelboek, een boek dat antwoord kan geven op vragen. Daarnaast is het ook een wijsheidsboek dat natuurlijke procesmatigheden beschrijft. In de verre oudheid is het gemaakt om de besturende elite bij te staan in hun beslissingen. En die elite had geen makkelijke taak. Want in het onmetelijke China was (en is) er altijd wel de een of andere ramp gaande. In de Chinese cultuur wordt van de leiding verwacht dat zij een voorbeeldfunctie heeft. Dat is in het westen trouwens niet anders. alleen bij ons zijn de normen ontleend aan de basis van onze cultuur, het christendom. China is daarentegen niet christelijk, de leiding wordt niet geacht gehoorzaam te zijn aan ‘de wil Gods’. Daar is het uitgangspunt dat de leiding in overeenstemming is met de Dao. De Chinese keizer had bijvoorbeeld als belangrijkste taak zekere rituelen uit te voeren zodat hij en daarmee het rijk in harmonie met het Dao was en bleef.

Daarmee komt er een belangrijk verschil tussen de beide culturen aan de orde. Het Goddelijk Plan van het christendom is in wezen gedetermineerd, het loopt van de schepping tot de Jongste Dag. Het Dao van het oosten is tijdloos en, dit is cruciaal, het is in staat tot zelfregulering. Dat houdt in dat er crisissituaties mogelijk zijn die zich natuurlijkerwijze weer zullen herstellen. En waarbij menselijk ingrijpen de zaken alleen maar zouden verergeren. In zo’n situatie is het dan beter om niets te doen. De Chinezen noemen dat ‘wei-wu-wei’, het handelen door niet te handelen. Maar als er wel gehandeld kan worden, dan is gericht handelen van belang. De basis van deze zienswijze ligt in de filosofie van het Boek der Veranderingen. Alhoewel het een feit is dat het boek in het westen vooral gebruikt wordt als orakel, is de ingebedde filosofie van grote waarde. Als voorbeeld kan de huidige financiële crisis dienen.

Toen de bankencrisis begon, was het voor mij niet nodig om een vraag te stellen aan het Boek der Veranderingen over wat er aan de hand was. dat was wel duidelijk; van de vierenzestig hexagrammen is er maar één die naadloos past, namelijk hexagram 23, de Versplintering. De Versplintering is een teken dat de ineenstorting van een instantie of een systeem weergeeft. De basistekst van het teken is: geen voordeel in het stellen van een doel Met andere woorden, je zult moeten dealen met de toestand zoals die is, repareren is niet meer mogelijk.

De zes streepjes die in het teken staan geven zes fasen van dit proces weer. Hexagram de Versplintering is een teken waarin het materialisme (attribuut van de vijf onderbroken yinne lijnen) zo sterk groeit dat het de structuur van een verband ondermijnt en vervolgens vernietigt. Dit is zondermeer te verbinden met het gedrag van de Amerikaanse bankenwereld van het laatste decennium. Het hele verloop van het proces vind je terug in het commentaar bij de zes lijnen.

De onderste lijn geeft het begin van de narigheid weer:

de poten van het bed worden vernield. Standvastigheid wordt uitgeput. Ongeluk.
De poten van het bed is een allegorische term, die je in het geval van de beurscrisis kunt zien als de mensen die op een gegeven moment hun hypotheek niet meer kunnen betalen. (De onderste lijn heeft ‘het volk’ als attribuut).

De tweede lijn heeft als tekst:
het bodem van het bed wordt vernield. Standvastigheid wordt uitgeput. Ongeluk.

Het aantal huisuitzettingen groeit dusdanig dat de huizenprijzen beginnen te dalen. De grote winsten van de banken vallen weg.

De derde lijn ligt op de grens van binnen en buiten.
versplintering! Geen fout.
Mensen die geen deel willen hebben aan de ‘graaicultuur’ en vinden dat banken een sociale functie dienen te hebben, verlaten de banken of gaan er niet bij werken. De banken verliezen hun talenten.

Vierde lijn:
het beddengoed wordt vernietigd tot op de huid.
De crisis is nu onbeheersbaar geworden en er beginnen banken failliet te gaan.

De vijfde zegt:
een school vissen. Gunst van de hofdames. Niets is zonder Voordeel.
De instanties die afhankelijk zijn van het functioneren van de banken schieten te hulp.

De bovenste lijn heeft als tekst:
een rijpe vrucht is nog niet gegeten. De Leerling krijgt een voertuig. Het huis van de inferieure man wordt vernietigd.
De zelfzuchtige mentaliteit van het hogere bankpersoneel wordt losgelaten en de reële waarde van de maatschappij worden weer uitgangspunt voor het wereldbeeld. Doelen op de lange termijn tot het oplossen van de crisis worden gesteld. Iedereen die bijgedragen heeft aan het ontstaan van de crisis wordt van zijn macht ontdaan.

Deze laatste stap moet nog genomen worden. Gebeurt dat niet, dan zal de crisis zich alleen maar verdiepen. De werkelijke waarde van een maatschappij, de vrucht die nog niet gegeten is, wordt niet bepaald door de drukpers van de bankbiljetten, maar door de producten die de maatschappij voortbrengt. Voorwaarde is dat niet het consumptiepatroon leidmotief voor het denken wordt, maar het moet gaan over de werkelijke behoeften van de mensheid.

Hexagram de Versplintering is een teken dat past bij perioden waarin een cyclus zijn eindstadium bereikt. Maar het is niet het einde van de wereld, het is de noodzakelijke overgang naar een nieuwe cyclus. Alleen vanuit dat uitgangspunt is een effectief en vruchtbaar handelen mogelijk. Dat is de uiteindelijke conclusie die je kunt trekken aan de hand van het Boek der Veranderingen.

De gloed van Tao…

De éénvoudige grond is éénvoudige stilte, die in zichzelf onbeweeglijk is. Vanuit dit onbeweeglijke worden echter alle dingen bewogen.
Meister Eckart

De gloed van tao…..

De wereld van de geest was bij ons thuis duidelijk aanwezig. Daar ben ik mee opgegroeid. Ik kom uit een familie van helderzienden en kaartleggers en daar werd gewoon over gepraat. Dat was normaal en absoluut niet iets waar je aan twijfelde. Het was voor ons zelfs geen kwestie van geloven, nee, het was gewoon zo. Punt!

Toen ik jong was, had mijn vader contact met een of andere ‘broeder’, zo noemden we dat. Als er iemand ziek was, verscheen hij in een droom aan mijn vader en vertelde wat er gedaan moest worden. Dan zei mijn vader ‘s morgens: “De broeder is geweest en zegt: Dit en dat en dat moet er gebeuren.” Dat werd altijd serieus genomen en er werd meteen naar gehandeld. Vermoedelijk was ik ook helderziend;  als kind is dat normaal, maar ik kan het me niet herinneren. Alle kinderen zijn in wezen helderziend. Als je goed oplet wat ze zeggen, hebben ze allemaal een voorspellend en invoelend vermogen.

Soms zeggen kinderen de ongelofelijkste dingen. Mijn dochtertje was geloof ik een jaar of acht, toen ze op een zondagochtend bij het ontbijt plotseling zei: ”Papa, eigenlijk besta ik helemaal niet.” “Zo, en wat voel ik dan hier?” en kneep haar daarbij een beetje in haar arm. Ze was nog zo klein dat ze van ‘armpjes en beentjes’ sprak. Ze zei: “Jawel, ik zeg wel ‘mijn armpjes en mijn beentjes’, maar ze zijn eigenlijk niet van mij, niet van iemand.” Wolter Keers in Vrij Zijn

Volwassenen zijn eraan gewend om hun helderziend vermogen te veronachtzamen en dan wordt dat mythische beleven uitgedoofd.

Mijn zussen waren ook helderziend, maar werden er vreemd en bang van. Als er iemand langs liep, wisten ze dat die persoon iets mankeerde. En wat moet je dan? Naar die man toelopen en zeggen: “U bent zeer ernstig ziek, binnen een half jaar bent u dood”? Zoiets doe je niet, want die man schrikt zich de pleuris en zou van schrik nóg eerder dood gaan.

Ook mijn oom was een bekend helderziende. Als je je sleutels kwijt was, kon je aan hem vragen waar ze lagen. Dan zei hij: “Ik zie een trap en bovenaan de trap zie ik een deur links, daar moet je door, daar staat een wit kastje, het derde laatje doe je open en daar ligt je sleutel.” En dan was dat zo. Ik heb een paar keer contact met hem gehad, maar dat voegde niet, tenminste niet naar mijn zin. Ik wilde weten hoe dat kon, zoiets weten. Zo van die sleutels, dat kun je wel of niet. Je kunt het niet leren, dat had ik toen al in de gaten.

Er was thuis geen godsopvatting en die heb ik zelf ook niet. Nog steeds niet. Ik zie het echt zoals de taoïsten het zien. Je kunt de rivier van het leven niet beïnvloeden, hooguit je positie in de stroom. Het kan zijn dat je meer deze kant of wat meer die kant op zwemt of in de meander blijft. Dat is volgens mij dé manier … in het midden blijven … maar de stroom van het leven gaat gewoon door. Daar heb je geen invloed op, dat is van een hogere orde. Van iets wat buiten ons bereik ligt. Volgens mij is dat de essentie van het taoïsme. En dat iets wat buiten ons bereik ligt, het Tao, het Onbenoembare, zou ik geen God willen noemen, dat vind veel te antropomorf.

Uitgangspunt is dat de werking van het Tao op zich, ongeacht of het in onze materiële wereld destructief of constructief uitwerkt, gewoon goed is. Oké. Het Tao gaat echt niet zeggen ‘jij bent slecht geweest, jij gaat naar de hel.’ En ook niet ‘jij gaat naar de hemel’. Dat is een traditionele christelijke opvatting en daar moet ik niks van hebben. Bovendien is goed of fout een menselijke beoordeling. Je zal mij niet horen zeggen dat Adolf Hitler een goed figuur was, ik vind hem wel degelijk fout. Maar wat dat voor het grote Tao is,  weet ik niet. Het Tao heeft daar geen mening over, dat genereert zijn energie en hoe dat uitwerkt in de stof, in de materie …? Dat weten we niet. Het enige wat we weten is dat we er uitdrukking van zijn.

De eerste opmerkelijke ervaring kreeg ik vlak na het overlijden van mijn vader. Ik was drie- of vierenveertig. Ik had eerst van alles voor zijn begrafenis geregeld en daarna ging ik naar Ruigoord, het kunstenaarsdorp bij Amsterdam. Ik loop daar op het veld en ik hoor mijn naam roepen. Ik kijk om me heen en op dat hele veld is geen kip te bekennen. Ik loop door en wéér hoor ik mijn naam roepen. En nog eens. Toen luisterde ik goed en ik besefte dat ik niet met mijn oren hoorde, maar hier in mijn hoofd. Ik moet erbij vertellen, dat ik in die tijd niet kon beslissen wat ik verder met mijn leven wilde. Ik had een zeefdrukkerij, maar was invalide geraakt. Zeefdrukken kon ik niet meer. Wat moest ik? Die vraag hield me bezig. Ik loop dus op dat veld en er ontstond  – in mijn hoofd – een soort onderhandeling die drie dagen duurde. Later ontdekte ik dat het vaker voorkomt dat mensen stemmen gaan horen als er iemand uit de nabije omgeving overlijdt. Dat verdwijnt ook weer.

Mijn vrouw kwam een dag later en ik zei tegen haar: “Anna, ik weet niet wat ik nou aan de hand heb, maar ik praat met iets van boven, met een groepje mensen. We zijn in overleg over hoe het nu verder moet.” Na drie dagen waren we eruit: schrijven! Ze zeiden: “Je zult er niet veel mee verdienen, maar wij zorgen ervoor dat je de boeken krijgt die je nodig hebt.” En dat is waar. Boeken komen inderdaad vanzelf naar mij toe. Ik krijg ze cadeau, ik moet ze recenseren of iemand laat wat liggen. Wat ik zou gaan schrijven wist ik toen natuurlijk nog niet.

Maar toen ik dit  boek – I Tjing voor de 21ste eeuw – aan het schrijven was, viel dat op zijn plaats. Het was mijn vierde boek, maar voor het eerst schreef ik op een manier waarop ik van plan ben om altijd te schrijven. De metafoor ervoor is ‘niet denken, maar typen’. Hier heb ik 2,5 jaar over zitten typen. Twaalf uur per dag, zes dagen in de week. Tussendoor koken voor de kinderen, vrijdagavond naar de kroeg doorzakken, zaterdags de kater incasseren, zondag weer typen. Toen is me wel duidelijk geworden wat er bedoeld wordt met ‘het komt door je heen.’

‘Het boek begon ‘zichzelf te maken’. Er bleek zoveel materiaal ‘los te komen’, dat ik niet meer kon stoppen. Bovendien stroomde het materiaal van ruim dertig jaar intensieve studie onophoudelijk door, ik had de ervaring dat het boek zichzelf schreef. Ik raakte gefascineerd door de tekst die verscheen.’
Uit: I Tjing voor de 21ste eeuw

Ik beschouw dit toch als een soort van godservaring. Ik stond op dat moment in verbinding met wat ik dan de levensstroom noem.

Hoe ik met de I Tjing in aanraking kwam?
Iemand had het boek bij mij laten liggen. De I Tjing is een van de oudste boeken van de wereld. Het is een orakel dat antwoord geeft op vragen. Dat doet het door zijn teksten. Het boek draagt keuzes aan. Soms zegt het ‘je bent goed bezig’ en soms ‘nu ben je helemaal op de verkeerde weg.’

‘I Tjing, het boek der veranderingen, is een Chinees orakelboek.
De basis van de huidige tekst is drieduizend jaar oud. Het orakel kan antwoord geven op alle levensvragen. Het is echt niet te beschouwen als een ‘toekomstvoorspeller’, het is eerder te zien als een goede raadgever. Het geeft aanwijzingen bij de wisselingen van het menselijk lot en bij de veranderingen die zich in het leven voordoen.
Het boek is wat je zou kunnen noemen ‘de bijsluiter van het leven.’
Het gaat er vanuit dat het handelen van de mens, of soms juist het niet handelen, invloed heeft op de toekomst. Het toevoegen van de eeuwenoude wijsheid van het boek geeft de mogelijkheid tot meer harmonie in het leven. Daarmee groeit het persoonlijk evenwicht.’

Uit: I Tjing voor de 21ste eeuw

Nogmaals, het boek is géén toekomstvoorspeller! Het geeft toekomstmogelijkheden aan. Daarnaast geeft het aanwijzingen of deze kiemen, deze mogelijkheden gunstig of ongunstig zijn en hoe je daarmee om kunt gaan. Bepaalde kiemen geven onkruid en andere mooie planten. Wat je met het antwoord doet, moet je zelf weten. Daar ben je vrij in. Het is heus niet zo dat het boek niet meer opengaat, als je tien keer niet gedaan hebt wat je werd aangereikt. Helemaal niet.

Vanaf 1971 ben ik full time met de I Tjing bezig, ik werk ermee, bestudeer. In een periode waarin ik bijna krankzinnig ben geworden, heb ik mezelf drie maanden in huis opgesloten én weer in het gareel gekregen door de I Tjing te raadplegen.
Of de I Tjing voor mij een gloed van God is? Ja. Absoluut. Ongetwijfeld.
Ik vind dit boek een communicatiemiddel met het hogere. Hoe zou het anders kunnen?
De werking ervan is, ook in mijn ogen, nog steeds wonderlijk, onbegrijpelijk.

‘Helaas is het onmogelijk om de werking van het orakel op onze westerse manier te bewijzen. De werkzaamheid is hoogstens een ervaringsfeit. Veel mensen hebben de ervaring dat een groter vertrouwen in de werkzaamheid, de werkzaamheid van het orakel versterkt.’
Uit: I Tjing voor de 21ste eeuw

Volgens mij is het resonantie. Ik bedoel daarmee dat alles met elkaar meetrilt. Richard Wilhelm (sinoloog en in 1923 één van de eerste westerse vertalers van de I Tjing, MH) noemt het een echo en weer anderen noemen het een weerkaatsing. Volgens mij is het resonantie, dat met elkaar meetrillen en elkaar doordringen. Het is een verschijnsel dat door het hele universum heen werkt en ook de manier waarop de I Tjing werkt. Ja … en waar het dan mee resoneert?

Het Tao genereert zijn energie en hoe dichter je op een materieel niveau komt, hoe meer beperkt het wordt. Die beperking ervaren we als vervelend. Maar we hebben die beperking wel nodig, anders hadden we geen vorm. Onze vorm is per definitie een beperking. Op het moment dat het beperkt wordt, heeft het vorm. Voor mij is de I Tjing hoofdzakelijk een instrument geworden om daar iets meer van op te pikken, te begrijpen, terwijl ik weet ik dat dat niet gaat. Het gaat boven de begrippen uit. Het is géén verstandelijk ding, maar een ervaringsding. Het is voor mij zeker meer dan een methode. Absoluut. Ik noem het dan ook aspecten van de geest. Ook vrij abstract, maar toch … aspecten van de geest. De 384 teksten hebben allemaal een goddelijke aard, anders kunnen ze niet zo sterk werken. Zo’n tekst is een metafoor. De beelden zijn zo diep verankerd in de psyche, dat die werken op de Chinezen van duizenden jaren voor Christus en op westerlingen van tweeduizend jaar na Christus. Zo diep liggen die beelden. Je moet ze wel even leren lezen, dat wel.

Het is dus niet alleen een intellectuele kwestie. Ik ben ooit bevriend geweest met een stroper uit Maastricht. Ik leerde hem kennen in de jaren zestig. De man was bijna analfabeet en ook nog dyslectisch. Toch werkte hij met de I Tjing en bij hem werkte dat net zo sterk als bij mij, alleen op een andere manier. Dit boek past zich helemaal aan het individu aan. Het aantrekkelijke vind ik dat er nooit een I Tjing-kerk is geweest. Die is ook niet te maken. Iedere keer als er een groep is van vijf à zes mensen die pretenderen dat ze een gemeenschappelijke waarheid in het boek hebben gevonden, knalt het gegarandeerd uit elkaar. Dat kan niet. Het is zó op de persoon gericht, daar kun je geen kerk van maken. Op het moment dat mensen dat toch proberen te doen, krijgen ze onmiddellijk ruzie. En echte kerkmensen kunnen niks met dat boek. Die moeten een weg opgelegd krijgen, zo van ‘dit is de weg en daar hou je je aan.’ De I Tjing is juist een boek om keuzes te kunnen maken.

Wat belangrijk is, is dat je verdienstelijk bent ten opzichte van het boek. Ik heb ontdekt dat er een behoorlijke mate van dienstbaarheid in mijn karakter zit. Taoïstische dienstbaarheid? Jazeker, dat is compenseren van het lijden, bij jezelf en bij anderen. Dat compenseren begint altijd met aanvaarding en niet op de christelijke manier, zoals dat zoetsappige van ‘de muzikale fruitmand’.

Door het werken met de I Tjing ben ik meer mededogend geworden. Absoluut. En ik denk dat dat voor iedereen geldt, die echt serieus en langer dan vier, vijf jaar met de I Tjing werkt. Je kun jezelf nog zo’n drie jaar voor de gek houden en proberen door middel van het boek je eigen positie te verbeteren ten opzichte van de rest van de wereld. Maar daar is het boek niet voor bedoeld. Dat staat ook duidelijk in de commentaren.

Het moge duidelijk zijn dat mijn godsopvatting heel anders is dan die van de traditionele godsdiensten. Die verklaren dat de enige manier waarop de gelovige God nog kan bereiken, via de kerk gaat.

‘Religieus gezien moeten wij ons naar de tien geboden gedragen als we ons zielenheil willen behouden of verkrijgen. Onze regels zijn vaste regels en zijn deterministisch van aard. De regels van de I Tjing zijn anders, zij zijn niet zozeer op een bepaald resultaat maar eerder op versterking of handhaving van de harmonie gericht. Zij zijn gericht op integratie.’
Uit: I Tjing voor de 21ste eeuw

De I Tjing is voor mij de snelste en kortste manier om in communicatie te komen met de geest. Met het goddelijke.

Han Boering

Publicatie uit het boek van Maria Hockers: De Gloed van God